• BOCEPREVIR VOOR HCV WINT UNANIEME AANBEVELING VAN FDA COMITÉ.. 29 april 2011
• BI 201335 VOOR HEPATITIS C STAPT OVER NAAR FASE III STUDIES. 29 april 2011
• FDA STEUNT TELAPREVIR VOOR HOGE HEPATITIS C GENEZINGSRATA. 4 mei 2011
• HEPATITIS C MEDICIJN BOCEPREVIR IS SNELLER EN BETER. 4 mei 2011
• HEP C MEDICIJN VAN IDERA IN WACHT GEZET. 4 mei 2011
• FDA COMITÉ BEVEELT UNANIEM TELAPREVIR (INCIVEK) AAN. 4 mei 2011
• EASL INTRODUCEERT NIEUWE RICHTLIJNEN VOOR KLINISCHE PRAKTIJK VAN HEPATITIS C. 6 mei 2011
• OP 23 MEI KAN HEP C MEDICIJN VAN VERTEX GOEDGEKEURD WORDEN. 9 mei 2011
• LANGERE BEHANDELING MET INTERFERON VERHOOGT GENEZINGSRATA VAN HEPATITIS C. 10 mei 2011
• HEPATITIS C SCREENING GEADVISEERD VOLGENS LEEFTIJDSCATEGORIE. 11 mei 2011
• SCREENING VOOR HCV GEBASEERD OP LEEFTIJD, NIET OP RISICOFACTOREN. 13 mei 2011
• STIJGT HEPATITIS C BIJ JONGEREN? 13 mei 2011
• GOEDKEURING VAN BOCEPREVIR BETEKENT DAT BETERE HEP C BEHANDELING EINDELIJK BESCHIKBAAR IS. 16 mei 2011
• PERSONEN MET HEPATITIS B OF C HEBBEN HEPATITIS A IMMUNITEIT NODIG. 16 mei 2011
• BOCEPREVIR (VICTRELIS) GOEDGEKEURD VOOR HEPATITIS C. 18 mei 2011
• HET DHHS INTRODUCEERT ACTIEPLAN VOOR VIRALE HEPATITIS. 18 mei 2011
• EUROPEES COMITÉ BEVEELT BOCEPREVIR (VICTRELIS) AAN. 21 mei 2011
• TMC435 VERSTERKT HEPATITIS C NABEHANDELINGSRESPONS. 21 mei 2011
• LEVENSKWALITEIT VOOR KINDEREN MET HEPATITIS C BEHANDELING. 21 mei 2011
• TELAPREVIR (INCIVEK) GOEDGEKEURD VOOR HEPATITIS C. 24 mei 2011
• FDA KEURT NIEUWE HCV TEST VAN ABBOTT GOED. 24 mei 2011
• CAFEÃNE EN LEVERZIEKTEN BIJ MENSEN MET HEPATITIS C. 30 mei 2011
• PSI-7977 + BMS-790052 STUDIE VOOR HEPATITIS C. 3 juni 2011
• HCV MEDICIJN SETROBUVIR KRIJGT AMERIKAANS PATENT. 6 juni 2011
• HOMEOPATHIE VOOR HET BEHEER VAN HEPATITIS C. 7 juni 2011
• BI201335 TOONT POTENTIËLE ACTIVITEIT TEGEN HCV. 11 juni 2011
• GEHUMANISEERDE MUIZEN ZULLEN HCV BEHANDELINGSPOGINGEN VERBETEREN. 13 juni 2011
• NEUSBLOEDINGEN EN HEPATITIS C. 16 juni 2011
• DOODSOORZAKEN BIJ MENSEN MET HEPATITIS B EN C. 18 juni 2011
• VERTEX PATENTEERT HCV PROTEASEREMMERS VAN ALIOS. 18 juni 2011
• SITGES VERGADERING BESPREEKT EUROPESE TOEGANG TOT NIEUWE HEPATITIS C MEDICIJNEN. 18 juni 2011
• BEHEER UW HEP C LEEFSTIJL: HERWIN UW ‘SEX APPEAL’! 24 juni 2011
• NANOGEL KAN LEIDEN TOT NIEUW HEP C VACCIN. 8 juli 2011
• TWEE FARMACEUTISCHE BEDRIJVEN VERENIGEN ZICH VOOR VOLLEDIG ORAAL HCV REGIME. 8 juli 2011
• HCV PROTEASEREMMER ACH-1625 START FASE II STUDIE. 9 juli 2011
• GENVARIATIE GEKOPPELD AAN LEVERKANKER BIJ HEPATITIS C PATIËNTEN. 9 juli 2011
• HEPATITIS A IMMUUNRESPONS HEEFT GEVOLGEN VOOR HEPATITIS C. 9 juli 2011
• VS RICHT ZICH EINDELIJK OP VIRALE HEPATITIS. 11 juli 2011
• FACTOREN DIE HET RISICO VERHOGEN VAN EEN HEPATITIS C TERUGVAL. 12 juli 2011
• EEN TRIO VAN NIEUWE HEPATITIS C MEDICIJNEN WORDT GETEST. 13 juli 2011
• TMC435 VOOR HCV KRIJGT VERSNELDE PROCEDURE IN STUDIE MET PSI-7977. 13 juli 2011
• HEPATITIS C VERHOOGT HET STERFTECIJFER, ONGEACHT DE OORZAAK, EN SVR VERMINDERT DE MORTALITEIT. 19 juli 2011
• BOCEPREVIR RESPONS EN RESISTENTIE VERSCHILT VOLGENS HCV GENOTYPE 1 SUBTYPE. 26 juli 2011
• PSI-7977 PLUS STANDAARDTHERAPIE GENEEST 100% VAN DE HEP C PATIËNTEN MET GENOTYPES 2 EN 3. 26 juli 2011
• 10 MILJOEN INJECTERENDE DRUGGEBRUIKERS KUNNEN HEPATITIS B OF C HEBBEN. 29 juli 2011
• INJECTERENDE DRUGGEBRUIKERS EN HUN THERAPIETROUW VOOR HEPATITIS C. 29 juli 2011
• NOG BETER HEP C-RESULTAAT MET VIERDUBBEL COMBO VAN VERTEX. 2 augustus 2011
• REGIME MET 4 MEDICIJNEN KAN HEPATITIS C GENOTYPE 1 GENEZEN IN 12 WEKEN. 2 augustus 2011
• RACIALE VERSCHILLEN OM IN AANMERKING TE KOMEN VOOR EEN HEP C-BEHANDELING. 2 augustus 2011
• EXPERIMENTEEL HCV-VACCIN INDUCEERT BREED NEUTRALISERENDE ANTILICHAMEN BIJ MUIZEN EN APEN. 6 augustus 2011
BOCEPREVIR VOOR HCV WINT UNANIEME AANBEVELING VAN FDA COMITÉ.
Originele titel: Boceprevir for HCV Wins Unanimous FDA Committee Recommendation
Bron: www.hivandhepatitis.com, 29 april 2011
Het ‘Antiviral Drugs Advisory Committee’ van de FDA stemde 18-0 om de goedkeuring aan te bevelen van de proteaseremmer Boceprevir (Victrelis) voor mensen met het moeilijk te behandelen HCV genotype 1.
De komst van direct werkende antivirale middelen, die zich richten op verschillende stappen van de levenscyclus van het hepatitis C virus (HCV), zal naar verwachting een revolutie veroorzaken onder de hepatitis C behandelingen. Deze medicijnen zullen in eerste instantie gebruikt worden in combinatie met gepegyleerde Interferon en Ribavirine – wat het genezingspercentage zal verhogen en waardoor een potentieel kortere therapie mogelijk zal zijn – maar combinaties van orale geneesmiddelen alleen worden momenteel ook al onderzocht.
De eerste medicijnen uit deze pijplijn zijn 2 HCV proteaseremmers: Boceprevir van Merck en Telaprevir van Vertex. Op woensdag 27 april 2011 gaf het Raadgevend Comité voor Antivirale Geneesmiddelen van de Amerikaanse Food and Drug Administration (FDA) een unaniem advies voor de goedkeuring van Boceprevir.
De hoorzitting van de commissie over Telaprevir was nog aan de gang tijdens de publicatie van dit artikel, maar ook dit medicijn zal waarschijnlijk aanbevolen worden voor goedkeuring.
De commissie beoordeelde gegevens uit klinische studies, waaruit bleek dat Boceprevir, toegevoegd aan gepegyleerde Interferon plus Ribavirine, meer patiënten kon genezen – en in minder tijd – dan een standaardtherapie alleen. De verbetering van de respons was bijzonder opmerkelijk bij patiënten met HCV genotype 1 en bij personen die niet reageerden of die recidiveerden na een eerdere kuur met de standaardbehandeling.
De rata van aanhoudende virologische respons voor eerdere non-responders van genotype 1 schommelden rond de 60% met Boceprevir plus gepegyleerde Interferon/Ribavirine, in vergelijking met ongeveer 20% met de standaardtherapie alleen. Bij niet-voorbehandelde patiënten benaderde het genezingspercentage 70% met Boceprevir, in vergelijking met ongeveer 40% met de standaardbehandeling alleen.
Boceprevir werd over het algemeen goed verdragen, maar het verhoogde het risico op de ontwikkeling van anemie (wat al verontrustend was met Ribavirine). De studies toonden ook een toename aan van de meldingen van suïcidale of moorddadige gedachten, maar de commissie zei dat “het moeilijk was om enige betekenisvolle klinische conclusies te trekken op basis van dit puntâ€.
Hoewel de commissie stemde met 18-0 in het voordeel van de goedkeuring, heeft ze toch verdere studies aangeraden, om na te kijken hoe de respons verbeterd kon worden bij moeilijk te behandelen groepen, zoals mensen van Afrikaanse afkomst en patiënten met levercirrose. Het blijft ook onduidelijk hoe goed het ‘nul-responders’ zal vergaan, die geen wezenlijke reductie in HCV virale lading ervaarden tijdens de eerste weken van de behandeling, en wat de beste manier is om een respons-begeleide therapie te gebruiken.
“Deze positieve aanbeveling brengt ons een stap dichter bij de overbrenging van Victrelis naar mannen en vrouwen die het nodig hebben, en het versterkt onze voortdurende betrokkenheid bij de ontwikkeling van innovatieve therapieën om chronische hepatitis C te behandelen”, zei Peter Kim, PhD en voorzitter van Merck Research Laboratories, in een persbericht van het bedrijf.
“We zijn blij met de beslissing van het panel en we kijken uit naar de samenwerking met de FDA als het doorgaat met de evaluatie van de aanvraag voor Victrelis”.
De volledige FDA is niet verplicht om de aanbevelingen van de commissie te aanvaarden, maar meestal gebeurt dat wel. De goedkeuring door het Agentschap van Boceprevir wordt verwacht tegen het einde van mei, en het geneesmiddel moet in de handel verkrijgbaar zijn tegen het einde van de zomer.
BI 201335 VOOR HEPATITIS C STAPT OVER NAAR FASE III STUDIES.
Originele titel: BI 201335 for Hepatitis C Moves into Phase 3 Trials
Bron: www.hivandhepatitis.com, 29 april 2011
‘Boehringer Ingelheim’ heeft deze week aangekondigd dat het begonnen is met de inschrijvingen voor een Fase III klinische studie van BI 201335, haar experimentele HCV NS3/4A proteaseremmer.
Direct werkende antivirale middelen, die zich richten op verschillende stappen van de levenscyclus van het hepatitis C virus (HCV), zullen naar verwachting leiden tot een nieuw paradigma in de behandeling voor chronische hepatitis C, in het bijzonder voor patiënten met het moeilijk te behandelen HCV genotype 1.
Op het Internationaal Lever Congres van de Europese Associatie voor de Studie van de Lever (EASL 2011) deze maand in Berlijn, hebben onderzoekers veelbelovende resultaten voorgesteld van de Fase II b Silen-C1 en Silen-C2 proeven, die BI 201335 evalueerden, respectievelijk bij mensen die voor de eerste keer met de behandeling begonnen en bij personen die niet reageerden op eerdere behandelingen.
Hieronder vindt u een bewerkt fragment uit een persbericht van Boehringer Ingelheim, dat de start aankondigt van Fase III follow-up studies, voor behandelingsnaïeve en behandelingservaren patiënten met chronische hepatitis C van genotype 1.
Boehringer Ingelheim Pharmaceuticals Inc. kondigde vandaag (26 april 2011) aan dat de inschrijvingen begonnen zijn (op Noord-Amerikaanse sites) voor een cruciaal Fase III klinisch studieprogramma over BI 201335, de experimentele, orale proteaseremmer van het bedrijf, voor de behandeling van het chronische hepatitis C virus (HCV). De Fase III onderzoeken zijn begonnen met rekruteringen, voor de evaluatie van BI 201335 + standaardtherapie (SOC = standard-of-care), bij zowel behandelingsnaïeve als behandelingservaren patiënten met chronische HCV genotype 1, het meest uitdagende HCV genotype om te behandelen. De resultaten van de Fase III studies worden verwacht in de eerste helft van 2013.
De Amerikaanse Food and Drug Administration (FDA) heeft een voorkeursbehandeling verleend aan het ontwikkelingsprogramma van BI 201335. Een dergelijke voorkeursbehandeling omvat een proces dat ontworpen is om de ontwikkeling te bevorderen, en de evaluatie te bespoedigen, van geneesmiddelen voor de behandeling van ernstige ziekten, om te voldoen aan een onbeantwoorde medische behoefte. Het doel is: belangrijke nieuwe medicijnen sneller bij de patiënten krijgen.
“We zijn blij met het feit dat we begonnen zijn met het inschrijven van patiënten op Noord-Amerikaanse studiesites, zodat we de ontwikkeling van BI 201335 voort kunnen zetten”, zei Peter Piliero, MD, Executive director van de afdeling Medical Affairs van Boehringer Ingelheim Pharmaceuticals Inc.
” Later dit jaar zullen we uitkijken naar de inleiding van bijkomende proeven, bij meer patiëntenpopulaties, met inbegrip van HCV/HIV geco-infecteerde patiënten, omdat we verdergaan met onze HCV portfolio”.
Amerikaanse Fase III onderzoeken met BI 201335.
Er zijn momenteel drie Fase III studies die patiënten over de hele wereld inschrijven. Samen streven ze ernaar om ongeveer 1 875 patiënten in te schrijven. Twee van de drie onderzoeken hebben Amerikaanse studiesites, die samen hopen om ongeveer 495 patiënten in te schrijven.
In de VS zal ‘Studie 1220.47’ op 95 onderzoekslocaties ongeveer 370 niet-voorbehandelde HCV patiënten met genotype 1 inschrijven. Deze studie zal ook bijkomende locaties omvatten in Canada, Taiwan en Korea.
‘Studie 1220.7’ zal op 40 studiesites in de VS ongeveer 125 behandelingservaren HCV patiënten met genotype 1 inschrijven, die ten minste 12 weken faalden tijdens voorafgaande behandelingen met SOC. Deze studie bevat ook extra studiesites over de hele wereld.
Bij de behandelingsnaïeve patiënten (Studie 1220.47) zal BI 201335 eenmaal daags gedoseerd worden, op 120 mg of 240 mg, gedurende 12 of 24 weken, in combinatie met een kuur van 24 of 48 weken gepegyleerde Interferon en Ribavirine, de huidige SOC voor HCV.
Bij de reeds eerder behandelde patiënten (Studie 1220.7) wordt BI 201335 eenmaal daags toegediend, in een dosering van 240 mg, gedurende 12 of 24 weken, in combinatie met SOC gedurende 48 weken voor gedeeltelijke responders en nul-responders.
Patiënten met een eerdere terugval zullen eenmaal daags BI 201335 toegediend krijgen, gedoseerd op 240 mg, gedurende 12 of 24 weken, in combinatie met SOC tijdens een periode van 24 of 48 weken.
Het primaire eindpunt van elke proef is een aanhoudende virale respons (SVR), wat beschouwd wordt als een virale genezing.
Voor meer informatie over deze klinische proeven met BI 201335, bezoek www.clinicaltrials.gov
FDA STEUNT TELAPREVIR VOOR HOGE HEPATITIS C GENEZINGSRATA.
Originele titel: FDA Backs Telaprevir for Having High Hepatitis C Cure Rate
Bron: www.hepatitis-central.com, 4 mei 2011
Amper een dag nadat het soortgelijke lof sprak over een vergelijkbaar medicijn van Merck, steunde het FDA panel de goedkeuring van Telaprevir van Vertex, wat grotendeels te wijten was aan de berekening van het feit dat de genezingsrata van dit medicijn voor hepatitis C veel verder gaan dan het vermogen van de huidige therapie.
Een medicijn, dat ontwikkeld werd door Vertex Pharmaceuticals Inc., geneest meer hepatitis C patiënten in minder tijd dan de bestaande therapieën, volgens een briefingdocument dat gisteren (26 april 2011) ingediend werd door medewerkers van de Food and Drug Administration, die de aanvraag tot goedkeuring van het geneesmiddel evalueren.
De aandelen van het in Cambridge gevestigde bedrijf Vertex sprongen gisteren met 10,1 procent omhoog, van 4,88 dollar naar 52,92 dollar, toen voorlopige bevindingen van de FDA over het medicijn ‘Telaprevir’ aangaven dat het een hoger genezingspercentage zou kunnen hebben dan voorheen gedacht werd.
Maar het briefingdocument van de toezichthouders haalde eveneens twee bijwerkingen aan, die eerder gemeld werden door Vertex, en die vragen over de veiligheid oproepen. Het document wees erop dat Telaprevir, dat een nieuwe merknaam krijgt indien het goedgekeurd wordt, tijdens de proeven bloedarmoede en huiduitslag veroorzaakte bij sommige patiënten.
Het briefingdocument werd vrijgegeven op de vooravond van de hoorzittingen van de Adviescommissie van de FDA, die zal adviseren of het Agentschap het geneesmiddel moet goedkeuren. Een aanbeveling voor goedkeuring zou een belangrijke mijlpaal zijn in de jarenlange ontwikkeling van Telaprevir, maar de definitieve goedkeuring wordt volgende maand pas verwacht.
Telaprevir zal het eerste gecommercialiseerde medicijn zijn van Vertex, dat opgericht werd in 1989. Het bedrijf heeft honderden sales en marketing medewerkers ingehuurd, in afwachting van de lancering van het medicijn.
Het tablet van Vertex zal gebruikt worden in combinatie met twee huidige therapieën.
“Deze drievoudige medicijnencocktail bleek in klinische studies effectiever te zijn dan de oudere medicatie alleenâ€, vermeldde het briefingdocument.
Diezelfde Adviescommissie van de FDA zal ook een rivaliserende hepatitis C behandeling overwegen: ‘Boceprevir’, dat ontwikkeld werd door de geneesmiddelengigant Merck & Co.
Beide medicijnen remmen het protease-enzyme, dat het virus in staat stelt om zich te repliceren, en beide geneesmiddelen zullen zich richten op een markt die door sommige analisten geprojecteerd wordt om jaarlijks meer dan 2 miljard dollar te overtreffen.
Het tablet van Merck, dat van plan is om het medicijn op de markt te brengen onder de naam ‘Victrelis’, betekent ook een verbetering ten opzichte van de huidige standaardzorg. Net zoals het medicijn van Vertex, zal het geneesmiddel van Merck ingenomen worden met andere geneesmiddelen, versies die momenteel ook verkocht worden door Merck. Het nieuwe geneesmiddel van Merck veroorzaakte in klinische studies ook bijwerkingen, waaronder anemie en bloedziekten.
Analisten hebben gezegd dat de voordelen van beide geneesmiddelen waarschijnlijk zullen opwegen tegen de veiligheidsrisico’s, als de FDA de goedkeuring overweegt van de behandelingen.
De analyse van de medewerkers van de FDA maakte gebruik van andere criteria dan de normen die Vertex gebruikte voor de beoordeling van de genezingsrata van hepatitis C op basis van gegevens uit de klinische studies. Daarom berekende het briefingdocument een genezingspercentage van 79 procent voor het medicijnenregime dat Vertex voorstelt, wat hoger is dan de 75 procent die het bedrijf vorig jaar in mei zelf rapporteerde.
Als vergelijking: oudere medicijnen alleen hebben genezingsrata van 46 procent bij patiënten die deze geneesmiddelen nemen. Een briefingrapport, dat opgesteld werd door de FDA voor het nieuw geneesmiddel van Merck, berekende genezingsrata van 66 procent voor dit nieuwe medicijn in een vergelijkbare populatiegroep.
“Het gemelde genezingspercentage van 79 procent vertegenwoordigt een duidelijk pluspunt voor de goedkeuring van Telaprevir van Vertex, dat hierdoor waarschijnlijk extra wind in de rug zal krijgen in de nek-aan-nek competitie met Boceprevir van Merck in geval van goedkeuring”, schreef Geoffrey C. Porges, senior analist bij Bernstein Research in New York, in een nota aan beleggers.
Top
HEPATITIS C MEDICIJN BOCEPREVIR IS SNELLER EN BETER.
Originele titel: Hep C Drug Boceprevir is Faster and Better
Bron: www.hepatitis-central.com, 4 mei 2011
De FDA meldde bemoedigend nieuws over Boceprevir, het hepatitis C medicijn van Merck.
Onderzoekers van Merck in Noord-Wales en Kenilworth, NJ, kregen maandag aarzelend maar goed nieuws, toen medewerkers van de Food and Drug Administration meldden dat het geneesmiddel van Merck voor het hepatitis C virus tijdens klinische onderzoeken de meeste patiënten sneller en vollediger kon genezen dan oudere medicijnen.
Het hepatitis C virus treft 130 tot 170 miljoen mensen wereldwijd – ongeveer vier keer het aantal dat getroffen wordt door HIV/AIDS – en het doodt ongeveer 350.000 mensen per jaar als gevolg van leverschade, volgens de World Health Organization.
“Het is prachtig om aan de vooravond te staan van een paradigmaverschuiving in de medische zorg”, zei Dr. Eliav Barr, vicepresident van de afdeling Infectieziekten bij Merck Research Laboratories in Noord-Wales.
Honderden personen hebben hieraan meegewerkt bij Merck. Janice K. Albrecht, vicepresident van de afdeling Hepatology Clinical Research, is het belangrijkste lid van de onderzoeksgroep.
“Wij geloven dat dit geneesmiddel een belangrijke impact zal hebben op de therapie voor een ziekte die niet veel nieuwigheden kende in het laatste decennium”, zei Barr.
De aandelen van Merck & Co Inc. sloten af met 29 cent meer, op 34,33 dollar, na het nieuws van de FDA over Boceprevir, dat de merknaam ‘Victrelis’ zal dragen. Bloomberg meldde dat de verkoop van Boceprevir 604 miljoen dollar kan overtreffen in 2013, volgens de gemiddelde schatting van zes toezichthoudende analisten.
Niet alleen Merck zoekt winst op gebied van hepatitis C.
Een team van Merck zal woensdag een Adviescommissie van de FDA ontmoeten. De stemming van deze commissie, over het al dan niet goedkeuren van de aanbeveling van het geneesmiddel van Merck, zal waarschijnlijk bevestigd worden door de FDA.
Maar een dag later zal Vertex Pharmaceuticals Inc., dat ook op zoek is naar een goedkeuring voor zijn soortgelijke samenstelling Telaprevir, voor datzelfde adviserend panel verschijnen.
Johnson & Johnson heeft een overeenkomst om Telaprevir op de markt te brengen voor Vertex. De aandelen van Vertex bereikten 48,04 dollar.
Er zijn verschillende stammen van hepatitis. De National Institutes of Health schatten dat ten minste 4,1 miljoen Amerikanen het antilichaam hebben dat kan leiden tot hepatitis C. De Centers for Disease Control and Prevention zeggen dat 3,2 miljoen Amerikanen een chronische vorm van het virus hebben.
Hepatitis C wordt voornamelijk verspreid door contact met besmet bloed en besmette bloedproducten, maar de transfusietechnieken zijn sterk verbeterd sinds de vroege jaren 90, waardoor deze manier van overdracht verminderde. Volgens de NIH is injecterend druggebruik de meest voorkomende risicofactor voor het oplopen van de infectie.
HEP C MEDICIJN VAN IDERA IN WACHT GEZET.
Originele titel: Idera’s Hep C Drug Put on Hold
Bron: www.hepatitis-central.com, 4 mei 2011
Een Hep C Fase II proef met IMO-2125 van Idera is gestopt als gevolg van voorlopige gegevens die het medicijn linken aan kankerachtige gezwellen bij laboratoriumratten.
Idera Pharmaceuticals Inc. heeft de rem gezet op een Fase II studie over de behandeling van een bepaald type van hepatitis C, omdat vroege gegevens bepaalde vormen van kanker aantoonden bij laboratoriumratten.
De studie evalueerde IMO-2125 + Ribavirine bij behandelingsnaïeve hepatitis C (HCV) patiënten met genotype 1. Van zodra het farmaceutisch bedrijf Idera (Nasdaq: IDRA), dat gevestigd is in Cambridge, toxicologische onderzoeken evalueerde bij knaagdieren en niet-menselijke primaten, merkten de onderzoekers op dat de ratten gevallen vertoonden van een aandoening, die ‘atypische lymfocytaire proliferatie’ genoemd wordt.
Hoewel de datum voor een terugkeer naar de Fase II studies niet aangekondigd werd in het persbericht van vandaag, zei Idera wel dat de gegevens van toxicologische onderzoeken bij primaten gepland werden in de tweede helft van dit jaar.
Sudhir Agrawal, CEO en voorzitter van Idera, merkte in het persbericht op: “IMO-2125 werd geëvalueerd bij 96 patiënten die geïnfecteerd waren met HCV, in twee Fase I studies, en er werden geen behandelingsgerelateerde ernstige bijwerkingen of behandelingsgerelateerde stopzettingen waargenomen”. Hij zei ook dat het bedrijf zou bepalen hoe het verder zou gaan met IMO-2125 nadat het alle toxicologische gegevens in de hand had.
Vorige week nog had Idera goed nieuws, toen het bedrijf meldde dat studies ‘gene-silencing oligonnucleotides’ aantoonden (GSO), of m.a.w. efficiënt geremde genenexpressies, waardoor problemen overwonnen konden worden in verband met andere ‘gene-silencing’ technologieën, zoals stabiliteit, specificiteit en systeemlevering.
In oktober 2010 veranderde Idera haar Raad van Bestuur, na de pensionering van James Wyngaarden. Als gevolg daarvan nam Agrawal de functie aan van Voorzitter van de Raad van Bestuur en William Reardon werd benoemd tot leidend directeur.
FDA COMITÉ BEVEELT UNANIEM TELAPREVIR (INCIVEK) AAN.
Originele titel: FDA Committee Unanimously Recommends Telaprevir (Incivek)
Bron: www.hivandhepatitis.com, 4 mei 2011
Het ‘Antiviral Drugs Advisory Committee’ (Adviescomité voor Antivirale Medicijnen) van de FDA stemde vorige week 18-0, om de goedkeuring aan te raden van de HCV proteaseremmer Telaprevir (Incivek) voor mensen met chronische hepatitis C van genotype 1.
De komst van direct werkende antivirale middelen, die zich richten op verschillende stappen van de levenscyclus van het hepatitis C virus (HCV), zal naar verwachting een revolutie veroorzaken voor de behandeling van hepatitis C. Hoewel deze geneesmiddelen in eerste instantie gebruikt zullen worden in combinatie met de huidige standaardzorg – gepegyleerde Interferon plus Ribavirine – worden er momenteel reeds volledig orale combinaties bestudeerd.
De eerste medicijnen uit deze pijplijn zijn 2 HCV proteaseremmers: Telaprevir van Vertex (dat nu de merknaam ‘Incivek’ kreeg) en Boceprevir (Victrelis) van Merck. Op 28 april heeft het Antiviral Drugs Advisory Committee van de Amerikaanse Food and Drug Administration (FDA) unaniem ingestemd met de goedkeuring van de aanbeveling van Telaprevir. De commissie gaf de dag ervoor ook een unanieme knipoog naar Boceprevir.
De commissie beoordeelde gegevens uit klinische studies (met inbegrip van de bevindingen van de Fase III studies ADVANCE, ILLUMINATE en REALIZE), waaruit bleek dat de combinatie van Telaprevir met gepegyleerde Interferon/Ribavirine een hoger genezingspercentage produceerde – en in minder tijd – dan een standaardtherapie alleen. Deze verbetering was het meest opmerkelijk voor moeilijk te behandelen patiënten, waaronder personen met HCV genotype 1, mensen met levercirrose, en degenen die niet reageerden op een eerdere kuur met een op Interferon gebaseerde therapie.
Het meest uitgebreide bestudeerde regime voegde 3 maal daags 750 mg Telaprevir toe aan gepegyleerde Interferon/Ribavirine gedurende 12 weken, gevolgd door gepegyleerde Interferon/Ribavirine alleen gedurende 24 of 48 weken. Men gebruikte hiervoor een reactie-geleide strategie die gebaseerd was op een vroege respons. Telaprevir stimuleerde de aanhoudende virologische respons tot circa 70% in het algemeen (en 80% voor behandelingsnaïeve personen), vergeleken met minder dan 50% na een standaardtherapie alleen.
Telaprevir werd over het algemeen goed verdragen, maar het verhoogde wel het risico op huiduitslag en bloedarmoede. Een klein aantal studiepersonen heeft tot op heden ernstige huidreacties ontwikkeld, waaronder het Stevens-Johnson syndroom (SJS = een zeldzame aandoening waarbij grote delen van huid en slijmvliezen loskomen). In de meeste gevallen was de huiduitslag echter mild tot matig, en de uitslag verdween nadat men stopte met Telaprevir.
De commissie adviseerde verdere studies voor onderzoek bij mensen van Afrikaanse afkomst – een bevolking die slecht reageert op Interferon – maar ze prees Vertex ook voor een reeds uitgevoerde studie over Telaprevir bij mensen met HIV/HCV co-infectie (gemeld tijdens de Retrovirus Conferentie in februari van dit jaar).
De hangende goedkeuring van Telaprevir en Boceprevir lanceert een keur van onderwerpen, waaronder: de beste manier om deze medicijnen te gebruiken om de ontwikkeling van resistentie te voorkomen, het belang van therapietrouw, en de vraag of HCV proteaseremmers nu beschouwd moeten worden als vergelijkingsfactor van de standaardzorg bij het uitvoeren van klinische proeven met nieuwe agenten.
De volledige FDA is niet verplicht om de aanbevelingen van het comité te aanvaarden, maar meestal gebeurt dat wel. De FDA goedkeuring van Telaprevir en Boceprevir wordt verwacht tegen het einde van mei, en als dat gebeurt, zullen de medicijnen waarschijnlijk in de handel verkrijgbaar zijn tegen het einde van de zomer.
“Hepatitis C is een geneesbare ziekte, maar met mogelijk verwoestende gevolgen indien het onbehandeld blijft. Daarom zijn we blij met de unanieme aanbeveling van de commissie om Telaprevir goed te keuren voor een brede groep van mensen met hepatitis C”, zegt Peter Mueller, PhD, Chief Scientific Officer en Executive Vice President van de afdeling Global Research and Development bij Vertex, in een persbericht van het bedrijf.
“We kijken ernaar uit om samen te werken met de FDA als het zich voorbereidt om volgende maand een beslissing te nemen”.
EASL INTRODUCEERT NIEUWE RICHTLIJNEN VOOR KLINISCHE PRAKTIJK VAN HEPATITIS C.
Originele titel: EASL Releases New Hepatitis C Clinical Practice Guidelines
Bron: www.hivandhepatitis.com, 6 mei 2011
EASL vernieuwt de Europese richtsnoeren voor het beheer van patiënten met een acute en chronische hepatitis C virusinfectie(HCV).
Samenvallend met het Internationaal Lever Congres vorige maand, heeft de Europese Vereniging voor de Studie van de Lever (EASL) de 5de update uitgebracht van de richtlijnen voor de klinische praktijk over het beheer van Hepatitis C virusinfecties.
Deze richtlijnen, die gepubliceerd werden in de editie van maart 2011 van het Journal of Hepatology, zijn bedoeld om artsen en andere zorgverleners, en patiënten, te helpen bij het nemen van beslissingen over zorgverstrekking en behandeling van acute en chronische hepatitis C.
“Deze richtlijnen gelden voor therapieën die reeds goedgekeurd werden op het tijdstip van de bekendmaking ervan”, schrijft men in de inleiding van het rapport.
“Verschillende nieuwe therapeutische opties hebben Fase III ontwikkelingen afgerond voor patiënten die geïnfecteerd zijn met HCV genotype 1, en ze zijn momenteel in afwachting van vergunningen en van de goedkeuring in Europa en in de Verenigde Staten. Daarom zullen de richtlijnen van de EASL voor de klinische praktijk [Clinical Practice Guidelines] inzake het beheer van HCV infecties bijgewerkt worden op regelmatige basis, na de goedkeuring van de aanvullende nieuwe therapieën”.
De eerste twee orale direct-werkende hepatitis C medicijnen – Boceprevir (Victrelis) en Telaprevir (Incivek) – werden eind april aanbevolen voor goedkeuring door de Adviescommissie voor Antivirale Medicijnen van de Amerikaanse Food and Drug Administration. Deze medicijnen zullen in eerste instantie gebruikt worden in combinatie met de oude standaardzorg, gepegyleerde Interferon plus Ribavirine, maar er zijn momenteel reeds volledig orale combinaties in onderzoek.
OP 23 MEI KAN HEP C MEDICIJN VAN VERTEX GOEDGEKEURD WORDEN.
Originele titel: May 23 Could Bring Approval for Vertex’s Hep C Drug
Bron: www.hepatitis-central.com, 9 mei 2011
Dankzij een solide Fase III programma kan Telaprevir (Incivek) van Vertex vóór het einde van mei 2011 een goedkeuring krijgen voor de behandeling van hepatitis C.
RBC Capital Markets verwacht dat Incivek (Telaprevir) van Vertex Pharmaceuticals Inc. (NASDAQ: VRTX), voor de behandeling van hepatitis C, waarschijnlijk goedgekeurd wordt op of rond 23 mei. “Eens goedgekeurd, geloven we dat de prestaties van de Vertex aandelen op korte termijn gekoppeld zullen worden aan de statistieken en aan de verdere vooruitgang van de producten in de pijplijn, waaronder de Cystische Fibrose (CF) medicijnen. We blijven geloven dat Incivek een helder en breed label zal krijgen, met inbegrip van een eenvoudig behandelingsalgoritme en een managementprogramma voor de bijwerkingen”, zegt Jason Kantor, analist bij RBC Capital Markets.
Kantor zei dat de belangrijkste ‘niet-hepatitis C virus’ nieuwsstroom zal gaan over CF medicatie, met een nieuwe medicijnentoepassing (NDA of New Drug Application) voor VX-770, waarvan de indiening verwacht wordt in de tweede helft van 2011. Ander nieuws zou ook afkomstig kunnen zijn van een regelgevende vertraging voor Boceprevir, maar de consensus is dat zowel Incivek als Boceprevir op ongeveer hetzelfde tijdstip goedgekeurd zullen worden.
Hoewel zowel Incivek als Boceprevir een unanieme aanbeveling ter goedkeuring kregen, heeft de Adviescommissie het Fase III programma van Incivek beoordeeld als aanzienlijk uitgebreider en overtuigender. Kantor is van mening dat dit waarschijnlijk zal resulteren in een eenvoudiger en breder labelresultaat, met meer eenvoudige behandelingsalgoritmes (bv. met inbegrip van nul-responders) en met managementprogramma’s voor bijwerkingen (bv. voor huiduitslag en anemie).
Kantor zei dat het comité ook zijn steun gaf voor een respons-begeleide therapie voor patiënten die eerder een terugval hadden. Dit zou een groot aantal behandelingservaren patiënten de kans bieden om te profiteren van een kortere behandelingsduur dan de periode die getest werd in het Fase III programma.
Kantor beraamt de prijs per patiënt op ongeveer 36.000 dollar in de VS, en hij gelooft dat deze kostprijs in overeenstemming is met de schattingen van Street. In zijn visie zou Street waarschijnlijk liever hebben dat zowel Incivek als Boceprevir hoger geprijsd worden. Vertex heeft ook bekendgemaakt dat de infrastructuur voor de lancering aanwezig is (115 verkoopsspecialisten), en men verwacht dat het product op de markt zal zijn binnen 3 tot 6 weken na de goedkeuring.
Vertex Pharmaceuticals verklaarde dat de snelheid waarmee de medicijnenvoorraad naar de verkoopskanalen gaat een koersbeperkende stap is. Over het algemeen blijft Kantor het handelsvoordeel aan Incivek geven.
“De belangrijkste gebeurtenissen bij Vertex tot eind 2011 zijn onder andere: de goedkeuring van de FDA, de etikettering en de prijsstelling voor Incivek en Boceprevir; de aankomende combinatiegegevens van VX-770 en VX-809 als CF medicijnen; de NDA en de aanvaarding van de marketing toepassingen (MAA of Marketing Authorization Application) voor VX-770 ; de Fase II gegevens over VX-509 (tegen ontstekingsziekten) bij reumatoïde artritis (RA), en de gegevens over de combinatie van Incivek en VX-222″, zegt Kantor.
LANGERE BEHANDELING MET INTERFERON VERHOOGT GENEZINGSRATA VAN HEPATITIS C.
Originele titel: Longer Interferon Treatment Raises Hepatitis C Cure Rate
Bron: www.hivandhepatitis.com, 10 mei 2011
Een meta-analyse vindt dat de verlenging van gepegyleerde Interferon plus Ribavirine tot 72 weken de aanhoudende respons kan verbeteren voor late responders onder de hepatitis C patiënten met genotype 1.
De huidige standaardbehandeling voor een infectie met het chronische hepatitis C virus (HCV) bestaat uit gepegyleerde Interferon (Pegasys of PegIntron) plus Ribavirine gedurende 24 weken (voor mensen met HCV genotype 2 of 3) of 48 weken (voor de moeilijk te behandelen genotypen 1 of 4).
Nieuwe direct werkende antivirale middelen zullen een nieuw paradigma inluiden in de hepatitis C behandeling. De eerste 2 medicijnen uit deze pijplijn – Boceprevir en Telaprevir – werden op het einde van de maand april aanbevolen voor goedkeuring door de FDA. Hoewel deze middelen uiteindelijk gebruikt zullen worden in volledig orale behandelingen, zullen ze in eerste instantie gecombineerd worden met gepegyleerde Interferon/Ribavirine.
Maar een therapie die gebaseerd is op Interferon kan moeilijk te tolereren worden, met bijwerkingen zoals depressie, griepachtige symptomen en bloedarmoede. Daarom hebben onderzoekers een respons-begeleide therapie onderzocht: ze gingen na of men aan de hand van de reductie van de virale lading van HCV na 4 of 12 weken kon voorspellen of een individu een genezing zou bereiken met een kortere therapie, of, als alternatief, of het waarschijnlijk was dat een persoon geen aanhoudende respons zou bereiken, en men dus moet voorkomen dat een verdere behandeling zinloos wordt. Een langdurige behandeling voor moeilijk te behandelen patiënten, of voor patiënten die traag reageren, werd nog niet zo goed bestudeerd.
Zoals beschreven in de editie van april 2011 van het Journal of Viral Hepatitis, voerde M. Parikh, samen met zijn collega’s van het Baylor College of Medicine, een systematische herziening en een meta-analyse uit van 5 studies, door de resultaten te vergelijken van een therapie die op Interferon gebaseerd was, van 48 weken versus 72 weken, voor behandelingsnaïeve chronische hepatitis C patiënten met genotype 1, met een late virologische respons, die gedefinieerd werd als het niet bereiken van een significante vermindering van de virale lading van HCV in week 12 van de behandeling.
Resultaten.
- Op het einde van de behandeling waren de responspercentages statistisch vergelijkbaar tussen een uitgebreide therapie van 72 weken en een standaardtherapie van 48 weken: respectievelijk 48% versus 56% (gepoolde kansenratio [OR of odds ratio] van 0,85).
- Na de voltooiing van de behandeling waren de rata van aanhoudende virologische respons (SVR) echter hoger na 72 weken, in vergelijking met 48 weken van de behandeling: respectievelijk 32% versus 25% (gepoolde OR van 1,67).
- De verbetering van de aanhoudende respons was toe te schrijven aan een lager percentage van terugval na een behandeling met verlengde duur (respectievelijk 35% versus 55%, OR van 0,39).
“De verlenging van de behandelingsduur van 48 weken naar 72 weken, bij geïnfecteerde patiënten met genotype 1 met een late virologische respons, verbeterde SVR”, concludeerden de auteurs van de studie.
“Daarom kan de verlenging van de behandeling voor late virale responders met genotype 1 in overweging genomen worden om de respons op de behandeling te verbeteren”.
Maar ze voegden er aan toe: “Het aantal patiënten met een late virologische respons, dat baat heeft bij een therapie van 72 weken, lijkt klein te zijn”.
Dit percentage zal waarschijnlijk nog kleiner worden met de komst van de direct werkende stoffen, waarvan gebleken is dat ze de vereiste duur van de therapie voor veel patiënten verkorten en dat ze de kans op een terugval verminderen.
HEPATITIS C SCREENING GEADVISEERD VOLGENS LEEFTIJDSCATEGORIE.
Originele titel: Hepatitis C Screening Advised According to Age Group
Bron: www.hepatitis-central.com, 11 mei 2011
Door testen voor hepatitis C bij Amerikanen die geboren werden tussen 1946 en 1970, stelt een statistisch model dat duizenden levens gered zouden kunnen worden.
“Een gerichte screening op basis van de leeftijd zou resulteren in 59.000 minder sterfgevallen in verband met hepatitis C en gevorderde leverziekten, vergeleken met het huidige screeningprogramma dat gebaseerd is op risico’sâ€, volgens statistische modellen.
“Volgens de huidige Amerikaanse screeningpraktijken, kunnen mensen zonder risicofactoren niet gescreend worden”, zei Dr. Zobair Younossi van het Inova Health System in Fairfax, Virginia, tijdens een persconferentie voorafgaand aan de jaarlijkse vergadering van de Digestive Disease Week. Deze resultaten werden voorgesteld op 8 mei, tijdens de jaarlijkse vergadering van de Digestive Disease Week.
“Personen met hepatitis C kunnen geen symptomen vertonen gedurende enkele decennia nadat ze besmet zijnâ€, merkte de arts op. Recente studies hebben aangetoond dat de prevalentie van een infectie met het hepatitis C virus (HCV) binnen de populatie van de “baby boomers plus” (mensen geboren tussen 1946 en 1970) in de Verenigde Staten hoger kan zijn dan verwacht wordt.
“Een screeningstrategie gebaseerd op de leeftijd, eerder dan op risicofactoren, kan een grote impact hebben op de ziekte”, zei hij.
Dr. Younossi en zijn collega’s gebruikten een ‘Markov-model’ van de natuurlijke historie van de infectie en de complicaties ervan. Ze pasten het model toe op een populatie van ongeveer 102 miljoen mensen die in aanmerking kwamen voor screening. Ze vonden dat de strategie van de geboortecohort screening (BCS) zou leiden tot 59.000 minder sterfgevallen in verband met HCV infecties, en tot 106.000 minder gevallen van gevorderde leverziekten, vergeleken met de huidige strategie die op risico’s gebaseerde screening (RBS) toepast.
De onderzoekers ontwierpen een wiskundig model, met behulp van een geboortecohort van personen die geboren werden in de Verenigde Staten tussen 1946 en 1970. Ze schatten de huidige hepatitis C status en het stadium van de progressie van de ziekte, met behulp van de aanloopperiode van 1964 tot 2010, en door het gebruik van op leeftijd en geslacht gebaseerde percentages van infectie, progressie en spontane klaring. De BCS strategie veronderstelde dat 100% van het cohort gescreend zou worden in de eerste 5 jaar, te beginnen in 2010.
Het model suggereerde dat de BCS strategie ongeveer 25,000 dollar zou kosten voor elk extra gewonnen levensjaar. “In het totaal zou de BCS strategie meer kosten dan de RBS strategie (45,1 miljard dollar tegen 32,0 miljard), maar BCS zou lagere kosten opleveren in verband met vergevorderde leveraandoeningen (21,7 miljard dollar tegen 25,8 miljard dollar)â€, heeft Dr. Younossi gezegd.
“De investeringen kunnen nuttig zijn in termen van verminderingen van de langdurige medische kostenâ€, zei hij.
“Er zijn betere hepatitis C behandelingen in ontwikkeling, die de voordelen van screening kunnen verhogen”, volgens Dr. Younossi. “Effectieve screening voor hepatitis C nu kan de toekomstige kosten van Medicare verlagenâ€, voegde hij eraan toe.
De studie werd gesteund door Vertex Pharmaceuticals. Dr. Younossi was lid van raadgevende comités van meerdere farmaceutische bedrijven, waaronder Vertex Pharmaceuticals, Salix Pharmaceuticals en Tibotec.
SCREENING VOOR HCV GEBASEERD OP LEEFTIJD, NIET OP RISICOFACTOREN.
Originele titel: Screen for HCV Based on Age, Not Risk Factors
Bron: www.hivandhepatitis.com, 13 mei 2011
Er zouden meer mensen met chronische hepatitis C geïdentificeerd en behandeld kunnen worden, als de zorgverleners routinematig alle “babyboomers plus” (geboren tussen 1946 en 1970) zouden screenen, in plaats van alleen mensen die traditioneel beschouwd worden als risicopersonen.
Bij een infectie met het chronische hepatitis C virus (HCV) duurt het meestal jaren of decennia vooraleer de ziekte evolueert naar ernstige leverziekten. Veel mensen die nu levercirrose of leverkanker ontwikkelen, werden geïnfecteerd als jonge volwassenen in de jaren 60 en 70, toen HCV nog niet geïdentificeerd was, en toen het experimenteren met drugs gebruikelijker was.
Zorgverleners bieden over het algemeen HCV testen aan voor mensen die geacht worden risicopersonen te zijn, waaronder huidige of recente injecterende druggebruikers, mensen die bloedtransfusies kregen voordat donorbloed voldoende gescreend werd, en andere personen met bekende of vermoedelijke blootstellingskansen. De US Preventive Services Task Force is geen voorstander van screening bij populaties met een laag risico.
Maar deze aanpak kan niet iedereen die een risico loopt identificeren, waardoor een aanzienlijk aantal geïnfecteerde mensen ongediagnosticeerd en onbehandeld blijft, volgens een studie van Lisa McGarry en haar collega’s, die voorgesteld werd op een vergadering tijdens de Digestive Disease Week (DDW), deze week in Chicago. De financiering van het onderzoek werd deels verstrekt door Vertex Pharmaceuticals, dat de nieuwe HCV proteaseremmer Telaprevir (Victrelis) ontwikkelt.
Ongeveer driekwart van de mensen met HCV is er zich niet van bewust dat ze besmet zijn, en velen zullen niet gediagnosticeerd worden totdat ze symptomatisch zijn, maar op dat moment is de behandeling minder effectief, noteerden de onderzoekers als achtergrond. Men schat dat minder dan 3% van de besmette personen elk jaar gescreend wordt.
Het team van McGarry vergeleek wiskundige modellen van gerichte HCV screenings op basis van het geboortejaar en van screenings op basis van de huidige risicofactoren.
Het screeningmodel van het geboortecohort ging ervan uit dat iedereen, die geboren was tussen 1946 en 1964 (de generatie van de “baby boomers”), eenmaal gescreend zou worden over een periode van 5 jaar, ongeacht de risicofactoren of de symptomen van leverziekten.
Een ander model keek naar een groter cohort (“baby boomers plus”), van mensen die geboren zijn tussen 1946 en 1970.
De onderzoekers veronderstelden dat 24% van de mensen op het moment van de diagnose behandeld zouden worden met een standaardtherapie gebaseerd op Interferon. Ongeveer één derde zou niet in aanmerking komen voor een behandeling, en 10% van de onbehandelde mensen zou jaarlijks met een therapie beginnen.
Resultaten.
- De aanpak volgens het geboortecohort van 1946 tot 1964 zou ongeveer 79 miljoen mensen screenen, tegenover 8 miljoen met de aanpak die gebaseerd was op de risicofactoren.
- Meer dan 1,3 miljoen mensen zou gediagnosticeerd worden als HCV patiënt met behulp van de geboortebenadering, in vergelijking met ongeveer 427.000 met behulp van de huidige aanpak.
- Ongeveer 472.000, versus 234.000, mensen zouden respectievelijk een hepatitis C behandeling ondergaan.
- Ongeveer 404.000, versus 124.000, personen zouden respectievelijk een aanhoudende virologische respons of een genezing bereiken.
- De percentages van leverziekten zouden dalen met een uitgebreide screening op basis van het geboortejaar:
- Gecompenseerde cirrose: 112.881 gevallen minder
- Gedecompenseerde cirrose: 52.787 gevallen minder
- Hepato-cellulair carcinoom: 28.634 gevallen minder
- Levertransplantaties: 5.914 gevallen minder
- HCV gerelateerde overlijdens: 47.953 gevallen minder
- Screening van het cohort “baby boomers plus” zou resulteren in ongeveer 106.000 gevallen minder van gevorderde leverziekte, en ongeveer 59.000 gevallen minder van HCV gerelateerde overlijdens.
- Screening volgens het geboortecohort zou meer kosten dan screening volgens risicofactoren (respectievelijk 45,1 miljard dollar versus 32,0 miljard dollar), maar dit zou de uitgaven in verband met vergevorderde leveraandoeningen wel verminderen (respectievelijk 21,7 miljard dollar versus 25,8 miljard dollar).
“Het gebruik van de nieuwe direct werkende anti-HCV medicijnen, die de genezingsrata verhogen wanneer ze toegevoegd worden aan gepegyleerde Interferon/Ribavirine, zal leiden tot nog grotere reducties van gevorderde leverziekten en overlijdens, als ze gebruikt worden op basis van de leeftijdscreeningâ€, noteerden de onderzoekers.
“Screening is mogelijk een slimme investering, vergelijkbaar met algemeen aanvaarde praktijken van preventieve gezondheidszorgen”, zei McGarry in een persbericht dat uitgegeven werd door de DDW.
“Screening voor HCV kan vooral toekomstige verzorgingskosten verminderen”.
STIJGT HEPATITIS C BIJ JONGEREN?
Originele titel: Is Hepatitis C Rising among Young People?
Bron: www.hivandhepatitis.com, 13 mei 2011
Toezichtgegevens uit Massachusetts toonden aan dat hepatitis C toenam bij adolescenten en bij jonge volwassenen in de periode van 2002 tot 2009, wat vermoedelijk grotendeels te wijten is aan intraveneus druggebruik.
Een infectie met het hepatitis C virus (HCV), en de daaruit voortvloeiende leverziekten, komt het meest voor onder ‘babyboomers’, maar een recente studie heeft bewijs gevonden over het feit dat het aantal besmette adolescenten en jonge volwassenen zou kunnen stijgen in de VS, volgens een rapport in de editie van 6 mei 2011 van het Morbidity and Mortality Weekly Report (Wekelijks Rapport over Morbiditeit en Mortaliteit).
Onderzoekers van het Massachusetts Department of Public Health (MDPH) en van de Centers for Disease Control and Prevention (CDC) beschreven hun bevindingen over een toezichtinitiatief in Massachusetts, om meer gedetailleerde informatie te verzamelen over hepatitis C gevallen die gemeld werden tussen 2007 en 2009, bij personen in de leeftijdsgroep van 15 tot 24 jaar.
In het hele land daalden de percentages van symptomatische infecties met acute HCV tussen 1992 en 2005, en vervolgens begonnen ze af te vlakken, hebben de auteurs van de studie opgemerkt als achtergrond. In Massachusetts daalden ook de percentages van nieuw gemelde infecties met HCV in de periode van 2002 tot 2006, maar er werd wel een stijging gezien in de leeftijdsgroep van 15 tot 24 jaar.
Resultaten.
- Het toezichtinitiatief onthulde een verdere toename van nieuw gerapporteerde infecties met HCV bij personen in de leeftijdsgroep van 15 tot 24 jaar.
- Van 2002 tot 2009 verhoogden de percentages van nieuwe bevestigde en vermoedelijke infecties met HCV in deze groep van 65 tot 113 gevallen per 100.000 mensen.
- Tussen 2007 en 2009 kreeg het MDPH 1.925 meldingen van nieuwe infecties met HCV bij personen in de leeftijdsgroep van 15 tot 24 jaar, waarvan 1.026 gevallen (53%) bevestigd werden.
- De meeste nieuw gemelde infecties (78%) kwamen voor bij niet-Spaanse blanke personen, en ze waren gelijk verdeeld tussen mannen en vrouwen.
- De nieuwe gevallen werden gemeld vanuit allerlei gebieden van de staat, waaronder grote stedelijke gebieden, voorsteden van Boston, kleinere steden en het platteland.
- 8% van de nieuwe infecties, met een volledige rapportering over het betreffende geval, kwamen voor bij dak- en thuislozen of bij mensen die opgesloten waren.
- Huidig of vroeger intraveneus druggebruik was de meest voorkomende risicofactor van de overdracht van HCV, en werd gemeld door 72% van de mensen.
- Onder de intraveneuze druggebruikers rapporteerde 85% het gebruik van heroïne, 29% het gebruik van cocaïne, 1% het gebruik van meta-amfetamine, en 4% rapporteerde andere drugs (sommige personen gebruikten meer dan 1 drug).
- 34% van de nieuw besmette mensen vermeldde een voorgeschiedenis van nasaal druggebruik, maar de meeste van hen meldden ook intraveneuze drugs, waardoor de transmissieroutes onzeker bleven.
“De stijging van het aantal gerapporteerde gevallen lijkt een epidemie te vertegenwoordigen van HCV infecties, in verband met intraveneus druggebruik bij nieuwe populaties van adolescenten en van jonge volwassenen in Massachusetts”, concludeerden de onderzoekers.
“Deze bevindingen wijzen op de noodzaak van een beter toezicht op HCV infecties, en op geïntensiveerde hepatitis C preventie-inspanningen, vooral gericht op adolescenten en op jonge volwassenen”.
Percentages van nieuw gerapporteerde gevallen van het hepatitis C virus (bevestigd en waarschijnlijk), bij personen van 15 tot 24 jaar, en onder alle andere leeftijdsgroepen – Massachusetts, 2002 tot 2009.
“Hoewel de berekening van een incidentiepercentage vanuit de toezichtgegevens, of de bepaling van de duur van de infectie voor personen die positief testten voor anti-HCV antilichamen, niet mogelijk is, suggereren deze bevindingen toch dat de meeste personen, in de leeftijdsgroep van 15 tot 24 jaar met een HCV infectie, waarschijnlijk hun infecties opliepen binnen enkele jaren voor ze getest en beschreven werden”, schreven de auteurs in een redactionele nota bij het verslag.
Tijdens deze periode van toenemende HCV infecties was er in Massachusetts ook een overeenkomstige stijging van het heroïnegebruik onder adolescenten en jonge volwassenen (gebaseerd op documenten van programma’s voor middelenmisbruik), terwijl het percentage van gerapporteerd intraveneus druggebruik in andere leeftijdsgroepen relatief constant bleef.
“Hoewel een vergelijkbare toename van HIV infecties niet geïdentificeerd werd voor deze leeftijdsgroep, kan een toename van de melding van HCV infecties onder intraveneuze druggebruikers een voorbode zijn van de verhoging van IDU (injection drug users) geassocieerde HIV”, voegden ze eraan toe.
HCV wordt gemakkelijker overgedragen dan HIV, en een infectie met HCV gebeurt meestal sneller nadat een persoon begint met het injecteren van drugs.
“Dit rapport geeft sterk de behoefte aan van uitgebreide en geïntensiveerde hepatitis C preventie-inspanningen, vooral gericht op adolescenten en op jonge volwassenenâ€, concludeerden de redactionele auteurs.
“Sommige interventies die geïmplementeerd zouden kunnen worden, omvatten 1) de toegang tot steriele spuiten en apparatuur om drugs voor te bereiden, 2) diensten om spuiten in te ruilen, 3) uitgebreid onderwijs via de scholen, met berichten over de preventie van virale hepatitis, 4) uitgebreide programma’s over schadebeperking, gericht op jonge druggebruikers, 5) toegang tot drugbehandeling voor jonge intraveneuze druggebruikers, en 6) toegang tot uitgebreide medische diensten, waaronder HCV testen en de koppeling ervan aan zorgverstrekking”.
GOEDKEURING VAN BOCEPREVIR BETEKENT DAT BETERE HEP C BEHANDELING EINDELIJK BESCHIKBAAR IS.
Originele titel: Boceprevir Approval Means Better Hep C Treatment Finally Available
Bron: www.hepatitis-central.com, 16 mei 2011
Boceprevir (Victrelis), de eerste door de FDA goedgekeurde hepatitis C proteaseremmer, heeft de laatste hindernis overwonnen en kan nu de kansen van het algemene publiek verbeteren om het hepatitis C virus te verslaan.
Boceprevir, gemaakt door Merck, zal de eerste HCV proteaseremmer zijn die de markt bereikt, en het zal naar verwachting een belangrijke stap vooruit betekenen in de behandeling van de ziekte, die tussen drie en vier miljoen mensen treft in de VS.
“Victrelis is een belangrijk nieuw voordeel voor patiënten met hepatitis C”, zei Edward Cox, MD, MPH, directeur van de afdeling Antimicrobiële Producten bij de FDA, in een persbericht. “Dit nieuwe medicijn zorgt voor een effectieve behandeling van een ernstige ziekte, en het biedt een grotere kans op genezing voor de hepatitis C infectie van sommige patiënten, vergeleken met de momenteel beschikbare therapie”.
Deze evolutie werd verwacht, nadat een commissie van externe deskundigen in april unaniem stemde voor de goedkeuring van het geneesmiddel door de FDA. De panelleden waren het er allemaal over eens dat Boceprevir een veilige en werkzame nieuwe optie lijkt om HCV te behandelen. De goedkeuring was gebaseerd op klinische studies van Merck, waaruit bleek dat Boceprevir een aanhoudende virologische respons opleverde tot 67% bij moeilijk te behandelen patiënten met genotype 1. In tegenstelling bedroeg dit percentage slechts ongeveer 40% bij patiënten die het standaardregime van gepegyleerde Interferon injecties en Ribavirine pillen kregen. Tot nu toe was de behandeling gebaseerd op het stimuleren van het immuunsysteem, in plaats van het virus direct aan te vallen.
Op de vergadering in april verwonderde een panellid zich over het feit hoe ver de HCV behandeling gekomen was in de afgelopen decennia, en hij zei dat het bereiken van een aanhoudende respons van 60 of 70% “een droom lijkt die uitkomt”.
Het medicijn heeft wel een aantal hematologische bijwerkingen, waaronder anemie, neutropenie en trombocytopenie. Maar de leden van het adviescomité zeiden dat anemie een beheersbare bijwerking is tijdens de behandeling, en dat het omkeerbaar is nadat men met het geneesmiddel gestopt is.
Men verwacht op grote schaal dat de FDA ook een andere proteaseremmer voor HCV zal goedkeuren, Telaprevir, dat gemaakt wordt door Vertex Pharmaceuticals. Hetzelfde comité dat Boceprevir steunde, heeft ook unaniem Telaprevir goedgekeurd voor dezelfde indicatie.
Merck zei dat het van plan was om volgende week te beginnen met de verzending van zijn medicijn. Eliav Barr, MD, vicepresident van de afdeling Besmettelijke Ziekten bij Merck, vertelde aan MedPage Today dat ongeveer 70% van de naar schatting vier miljoen HCV patiënten in de VS kandidaat zal zijn voor een behandeling met dit geneesmiddel. Hij waarschuwde er wel voor dat de patiënten eerst een behandeling van vier weken met Peginterferon/Ribavirine moeten ondergaan voor ze kunnen beginnen met Boceprevir.
PERSONEN MET HEPATITIS B OF C HEBBEN HEPATITIS A IMMUNITEIT NODIG.
Originele titel: Those with Hepatitis B or C Need Hepatitis A Immunity
Bron: www.hepatitis-central.com, 16 mei 2011
Om te voorkomen dat hepatitis A een ernstig gevaar vormt voor mensen met een reeds bestaande chronische leverziekte, is immuniteit tegen hepatitis A, door eerdere ziekte of vaccinatie, een absolute noodzaak.
Personen die momenteel lijden aan chronische hepatitis B of C, worden aangespoord om zich te laten vaccineren tegen hepatitis A, indien ze nog geen immuniteit tegen deze ziekte verworven hebben. Er zijn echter verschillende redenen waarom iemand met één van deze chronische levervirussen deze richtlijn niet volledig zal overwegen. Terwijl bepaalde vaccinaties vrijwillig zijn, en omringd blijven door controverse, zou de hepatitis A vaccinatie verplicht moeten zijn voor personen die nog nooit eerder de ziekte gehad hebben – en dan vooral voor iedereen met een chronisch levervirus.
Er zijn verschillende redenen voor personen met een chronische leverziekte om het advies van een arts voor een vaccinatie tegen hepatitis A te negeren. Voor beginnelingen kunnen de aanpassingen in de levensstijl, die voorgesteld worden aan patiënten met leveraandoeningen, aanvoelen als een schijnbaar eindeloze stroom van onrealistische, supergezonde ambities: de evaluatie van alles dat geconsumeerd wordt, waaronder ondeugden zoals roken en drinken, het zorgvuldig kiezen van detergenten en producten voor lichaamsverzorging, en het bewustzijn van het inademen van schadelijke stoffen… Binnen de besluitvorming over de behandeling van de leverziekte kan dit alles het maken van plannen om zich te laten vaccineren doen lijken op de onderkant van een totempaal.
Scrupules tegenover vaccinatie.
Om de lakse houding van sommige mensen tegenover het hepatitis A vaccin nog aan te wakkeren, maken debatten hierover jacht op de hedendaagse aanbevelingen voor vaccinatie. Omdat ze een deel zijn van het arsenaal van de moderne geneeskunde, liggen de moraal, de werkzaamheid en de veiligheid van vaccinaties onder vuur. Bovendien beweren sommige complotbedenkers dat deze dure medicijnen in de eerste plaats bestaan om de kas van de farmaceutische bedrijven ten goede te komen. Ongeacht de legitimiteit van deze twijfels en beschuldigingen, bevinden niet alle vaccins zich in deze twijfelachtige positie. Als het gaat om een hepatitis A vaccinatie, bestaat er weinig weerstand tegen deze redder in nood.
Hepatitis A.
Hepatitis A is een virale leverinfectie die opgelopen wordt door contact met de ontlasting van een besmet persoon. Hepatitis A infecties ontstaan meestal door:
- het eten van voedsel dat klaargemaakt werd door een geïnfecteerd persoon die zijn of haar handen niet gewassen heeft na een toiletbezoek
- het drinken van ongezuiverd water, of het eten van voedsel dat gewassen werd in onbehandeld water
- een vinger of voorwerp in de mond steken dat in contact kwam met de ontlasting van een besmet persoon
- nauw persoonlijk contact met een besmet persoon, zoals door seks of door te zorgen voor iemand die lijdt aan de ziekte
Bij gezonde personen veroorzaakt hepatitis A een acute ziekte met koorts, verlies van eetlust, vermoeidheid, diarree, buikpijn en geelzucht die twee tot drie weken aanhoudt.
Volledig herstel is de algemene norm, gevolgd door een levenslange immuniteit tegen het virus.
Maar bij patiënten met een bestaande leverziekte, zoals chronische hepatitis B of C, heeft acute hepatitis A de neiging om ernstig te zijn, en het kan zelfs dodelijk zijn.
Hepatitis A vaccin.
Voor personen die nog niet immuun zijn, is een inenting met het hepatitis A vaccin de beste manier om een hepatitis A infectie te voorkomen. De vaccinatie wordt gegeven door twee injecties; de tweede injectie wordt 6 tot 12 maand na de eerste gegeven, en beide injecties zijn nodig om volledig beschermd te zijn tegen het hepatitis A virus. Met extreem hoge cijfers qua veiligheid en werkzaamheid, worden de bijwerkingen van het hepatitis A vaccin beschouwd als relatief mild. Bij volwassenen zijn de meest frequent gemelde bijwerkingen pijn op de plaats van de injectie en hoofdpijn. Bij kinderen is de meest frequent gemelde bijwerking pijn op de injectieplaats.
Er zijn personen die geen hepatitis A vaccin mogen krijgen, of die gegronde redenen hebben om bezorgd te zijn over deze inentingen:
- Iedereen die ooit een ernstige allergische reactie gehad heeft op een eerdere dosis van het hepatitis A vaccin.
- Iedereen die een ernstige allergie vertoont voor een component van het vaccin. Alle hepatitis A vaccins bevatten aluin, en sommige bevatten 2-fenoxyethanol.
- Iedereen die matig of ernstig ziek is op het moment dat de injectie gepland is, moet waarschijnlijk wachten tot hij of zij hersteld is.
- Mensen met een milde ziekte kunnen meestal het vaccin toegediend krijgen.
- De veiligheid van het hepatitis A vaccin werd niet vastgesteld bij zwangere vrouwen. Er is geen bewijs dat het vaccin schadelijk zou kunnen zijn voor zwangere vrouwen of hun ongeboren baby’s, dus het risico, indien aanwezig, wordt zeer laag geacht.
Personen met een grote kans op schade door Hepatitis A.
Bij gezonde personen is hepatitis A een zelfbeperkende ziekte zonder effecten op lange termijn. Maar patiënten met een chronische leverziekte, zoals chronische hepatitis B of C, lopen het risico op ernstige schade ten gevolge van een hepatitis A infectie.
Zoals gepubliceerd in de editie van oktober 1999 van de Annalen van Tropische Geneeskunde en Parasitologie, vonden onderzoekers dat hepatitis A ernstig en potentieel fataal kan zijn bij patiënten met onderliggende chronische hepatitis B of C. Ze concludeerden dat deze personen een hepatitis A vaccin moeten krijgen als ze niet immuun zijn voor de ziekte.
Sindsdien zijn verschillende andere studies tot dezelfde conclusie gekomen, en ze bevestigen dat mensen met een chronische leverziekte ingeënt moeten worden tegen hepatitis A.
Hoewel het plannen van de twee injecties waaruit het hepatitis A vaccin bestaat misschien een onnodig karwei lijkt, worden patiënten met chronische hepatitis B of C aangespoord om hun perceptie tegenover deze vaccinatie te veranderen. Omdat het gemakkelijk kan evolueren naar een gevaarlijke of fatale toestand, is iedereen met een chronische leverziekte het aan zichzelf verplicht om prioriteit te geven aan de immuniteit tegen het hepatitis A virus.
BOCEPREVIR (VICTRELIS) GOEDGEKEURD VOOR HEPATITIS C.
Originele titel: Boceprevir (Victrelis) Approved for Hepatitis C
Bron: www.hivandhepatitis.com, 18 mei 2011
Op 13 mei keurde de Amerikaanse FDA de HCV proteaseremmer Boceprevir (merknaam Victrelis) goed, het eerste direct werkende hepatitis C medicijn.
De komst van direct werkende antivirale middelen, die zich richten op verschillende stappen van de levenscyclus van het hepatitis C virus (HCV), zal naar verwachting een revolutie veroorzaken in de hepatitis C behandeling. De huidige standaardtherapie – gepegyleerde Interferon plus Ribavirine – werkt eerder door de immuunreactie te stimuleren, in plaats van zich direct te richten op het virus.
De goedkeuring van Boceprevir van Merck komt slechts 2 weken na de unanieme aanbeveling door het Adviescomité voor Antivirale Medicijnen van de Food and Drug Administration.
Boceprevir, in combinatie met gepegyleerde Interferon plus Ribavirine, produceerde hogere rata van aanhoudende virologische respons (SVR) dan een standaardtherapie alleen, in de cruciale SPRINT-2 en RESPOND-2 studies. De verbetering was vooral opmerkelijk voor mensen met HCV van genotype 1, en voor degenen die niet reageerden of die recidiveerden na een eerdere kuur met de standaardbehandeling.
De waarschijnlijkheid van SVR voor eerdere non-responders van genotype 1 was ongeveer 60% met Boceprevir plus gepegyleerde Interferon/Ribavirine, in vergelijking met ongeveer 20% met een standaardtherapie alleen. Voor niet voorbehandelde patiënten, benaderde het genezingspercentage 70% met een combinatietherapie met Boceprevir, versus ongeveer 40% met een standaardbehandeling alleen. Mensen die SVR bereiken – wat algemeen beschouwd wordt als een genezing – verminderen hun risico op het ontwikkelen van levercirrose en hepato-cellulair carcinoom.
Studies hebben aangetoond dat Boceprevir over het algemeen goed verdragen wordt, maar het verhoogt het risico om anemie te ontwikkelen. Sommige ontvangers hebben ook melding gemaakt van neutropenie (laag aantal neutrofielen) en ongewone smaaksensaties.
Boceprevir werd goedgekeurd voor volwassenen met HCV genotype 1 en gecompenseerde leverziekte. Het is geïndiceerd voor zowel niet voorbehandelde patiënten als voor eerdere non-responders of patiënten met een terugval.
De standaarddosis van Boceprevir is 800 mg, 3 maal daags in te nemen met voedsel. Patiënten moeten eerst gepegyleerde Interferon/Ribavirine nemen, gedurende een inleidende periode van 4 weken, vóór ze beginnen met Boceprevir. Daarna moeten ze verdergaan met de 3 medicijnen.
De meeste mensen kunnen gebruik maken van een respons-begeleide therapie – met aanpassing van de therapieduur op basis van de respons in week 8, 12, en 24 – maar de maximale behandelingstijd van 48 weken wordt aanbevolen voor sommige moeilijk te behandelen patiënten. De behandeling staken, als gevolg van de waarschijnlijke zinloosheid ervan, wordt aanbevolen voor patiënten die nog een virale lading van HCV vertonen van ten minste 100 IE/ml in week 12, of die detecteerbaar HCV-RNA hebben in week 24.
“Dit is een spannende dag voor artsen en patiënten, omdat Victrelis de eerste grote vooruitgang is, die sinds een decennium goedgekeurd wordt voor de behandeling van chronische hepatitis C”, aldus klinisch onderzoeker Bruce Bacon van de Saint Louis University School of Medicine, in een persbericht van Merck.
“Vergeleken met de huidige standaardtherapie, kan Victrelis de kans van een patiënt op het bereiken van niet detecteerbare niveaus van het virus aanzienlijk vergroten, waardoor een SVR behaald kan worden. Voor veel patiënten kan Victrelis zorgen voor een kortere totale behandelingsduur”.
Merck heeft gezegd dat het binnen een week zal beginnen met het verzenden van Boceprevir naar apotheken. Het bedrijf heeft ook aangegeven dat het haar steun zal uitbreiden voor het publiek bewustzijn en voor het onderricht van patiënten, evenals voor een patiëntenprogramma voor bijstand, zodat personen die in aanmerking komen ook toegang krijgen tot het nieuwe medicijn.
“Victrelis is een belangrijke nieuwe vooruitgang voor patiënten met hepatitis C”, zei Edward Cox, directeur van het Bureau van Antimicrobiële Producten van het Centrum voor Evaluatie en Onderzoek van Medicijnen van de FDA.
“Dit nieuwe geneesmiddel zorgt voor een effectieve behandeling van een ernstige ziekte, en het biedt een grotere kans op genezing voor de hepatitis C infectie van sommige patiënten, vergeleken met de momenteel beschikbare therapieën”.
De FDA zal naar verwachting ook snel een andere HCV proteaseremmer goedkeuren, Telaprevir (Incivek) van Vertex, dat ook de unanieme goedkeuring kreeg van het Adviescomité voor Antivirale Geneesmiddelen, één dag na de goedkeuring van Boceprevir op het einde van de maand april.
HET DHHS INTRODUCEERT ACTIEPLAN VOOR VIRALE HEPATITIS.
Originele titel: DHHS Releases Viral Hepatitis Action Plan
Bron: www.hivandhepatitis.com, 18 mei 2011
Een nieuw DHHS rapport detailleert een plan voor de preventie, de zorg en de behandeling van hepatitis B en C.
Tijdens de week dat de eerste rechtstreeks werkende antivirale geneesmiddelen voor hepatitis C goedgekeurd werden, introduceerde het Amerikaanse Department of Health and Human Services (DHHS) (Ministerie van Volksgezondheid en Humane Dienstverlening) een nieuw actieplan voor de aanpak van de ‘stille epidemie’ van virale hepatitis, met een focus op hepatitis B en C. Samen met de introductie van het plan, werd er ook een briefingdocument van het Congres uitgegeven, op 12 mei, in Washington, DC.
Het hepatitis B en C virus (HBV en HCV) worden ‘stil’ genoemd omdat ze vaak a-symptomatisch blijven gedurende vele jaren na de eerste infectie. Deskundigen schatten dat twee derde van de mensen met virale hepatitis zich niet bewust is van de besmetting.
Na verloop van tijd echter kunnen hepatitis B en C evolueren tot ernstige leverziekten, inclusief levercirrose en hepato-cellulair carcinoom. De rata van cirrose en leverkanker nemen toe omdat de ‘baby boomers’, die decennia geleden besmet raakten, de gevorderde stadia van de ziekte bereiken.
Het actieplan van de federale overheid promoot uitgebreide testen voor HBV en HCV, zodat meer mensen weten dat ze besmet zijn, en zodat ze tijdig met een behandeling kunnen beginnen. Van de nieuwe klassen van geneesmiddelen wordt verwacht dat ze een revolutie zullen veroorzaken voor de behandeling van hepatitis C, door meer mensen in minder tijd te genezen dan de standaardtherapie die op Interferon gebaseerd is. Voor HBV – maar nog niet voor HCV – is er ook een doeltreffend vaccin beschikbaar.
Hieronder vindt u de tekst van een persbericht van het DHHS, dat een samenvatting geeft van de belangrijkste punten van het actieplan. Het volledige rapport, ‘Combating the Silent Epidemic of Viral Hepatitis’ (De bestrijding van de stille epidemie van virale hepatitis), is online beschikbaar op http://www.hhs.gov/ash/initiatives/hepatitis/actionplan_viralhepatitis2011.pdf
HHS kondigt actieplan aan om virale hepatitis te voorkomen en te behandelen.
Het Amerikaanse Ministerie van Volksgezondheid en Humane Dienstverlening lanceert vandaag (12 mei 2011) zijn actieplan ter voorkoming en behandeling van virale hepatitis, een stille epidemie die 3.5 tot 5,3 miljoen Amerikanen treft.
Hoewel virale hepatitis een toonaangevende besmettelijke doodsoorzaak is in de VS, weten veel geïnfecteerde mensen niet dat ze besmet zijn, zodat ze een groter risico lopen op ernstige – of zelfs dodelijke – complicaties van de ziekte. Het probleem verergert nog door het feit dat zorgverleners vaak niet de juiste opleiding krijgen om de risico’s in te schatten, om een preventieve begeleiding te bieden, om diagnoses te voorzien en om virale hepatitis te behandelen.
“Deze infecties hebben een tragische waterval van menselijk lijden aangewakkerd”, zei Howard K. Koh, MD, MPH.
“Het nieuwe actieplan van de HHS voor virale hepatitis is een ongekende oproep tot actie voor beter onderricht, behandeling en preventie”.
In januari 2010 heeft het Institute of Medicine (IOM) een rapport uitgebracht over hepatitis, met de nadruk op de barrières die de inspanningen belemmeren voor de preventie en de bestrijding van hepatitis. Het nieuwe plan van de HHS is een reactie op dat rapport van het IOM. Het schetst een globaal actieplan om het bewustzijn over virale hepatitis te verhogen. Het plan creëert meer mogelijkheden om gezondheidswerkers op te leiden, zodat ze kunnen diagnosticeren, behandelen, vaccineren en uiteindelijk levens redden. Het actieplan bouwt ook voort op de nieuwe hervorming van de wet over de zorgverzekering. Door middel van een uitgebreide dekking wil het de toegang voor patiënten tot een uitgebreide preventie van virale hepatitis, en tot een behandeling, verbeteren.
Het succes van het plan is afhankelijk van het leiderschap van de overheid op alle niveaus, en ook van de actieve en de bewuste participatie van gemeenschappen, van niet-gouvernementele organisaties, van zorgaanbieders en van de particuliere sector.
“Geen enkele overheidsinstelling kan alleen vechten voor virale hepatitis. Hier bij CDC geloven we dat dit actieplan niet alleen het werk dat we al gedaan hebben zal versterken, maar het zal ons allemaal helpen om onze nationale preventie-inspanningen naar het volgende niveau te brengen”, zei CDC directeur Thomas R. Frieden, MD, MPH.
“Veel te veel Amerikanen zijn zich niet bewust van de ernstige gevolgen van virale hepatitis, en van de verwoestende gevolgen die kunnen voortvloeien uit het onbehandeld laten van de ziekte. Nu is het tijd voor actieâ€.
“We hebben de toenemende prevalentie van virale hepatitis gezien in ons netwerk van gezondheidscentra en bij mensen die leven met HIV/AIDS in minderbedeelde gebieden. We weten dat minderheden en medisch kwetsbare bevolkingsgroepen onevenredig aangetast worden”, zei Mary K. Wakefield, RN, PhD, beheerder van ‘Health Resources and Services’.
“Dit actieplan is onze beste kans om de ziekte te stoppen, met een betere toegang tot informatie en tot kwalitatieve zorgen, voor personen die een risico lopen en voor degenen die al besmet zijnâ€.
De HHS is vastbesloten om ervoor te zorgen dat nieuwe gevallen van virale hepatitis voorkomen worden, en dat personen die reeds besmet zijn getest worden, op de hoogte zijn van hun infectie, en voorzien worden van een optimale begeleiding, verzorging en behandeling. Deze toenemende betrokkenheid blijkt uit het nieuwe plan ‘Healthy People 2020’, de eerste publicatie van Healthy People die het bewustzijn van toenemende virale hepatitis bij besmette personen als een formele HHS doelstelling documenteert.
EUROPEES COMITÉ BEVEELT BOCEPREVIR (VICTRELIS) AAN.
Originele titel: European Committee Recommends Boceprevir (Victrelis)
Bron: www.hivandhepatitis.com, 21 mei 2011
Het Comité voor Geneesmiddelen voor Menselijk Gebruik van het Europees Geneesmiddelenbureau heeft de goedkeuring aanbevolen van de HCV proteaseremmer Boceprevir (merknaam Victrelis) voor de behandeling van chronische hepatitis C.
Zoals eerder gemeld, heeft de Amerikaanse Food and Drug Administration vorige week Boceprevir goedgekeurd, voor de behandeling van behandelingsnaïeve patiënten of van eerdere non-responders met een hepatitis C virusinfectie (HCV) van genotype 1, in combinatie met gepegyleerde Interferon plus Ribavirine.
Hieronder vindt u een bewerkt uittreksel uit een persbericht, dat uitgegeven werd door Merck, de ontwikkelaar van Boceprevir, waarin de Europese aanbeveling aangekondigd wordt.
CHMP geeft positief advies voor Victrelis (Boceprevir) van Merck, een orale proteaseremmer voor het hepatitis C virus (HCV).
Merck (NYSE: MRK), beter bekend als MSD buiten de Verenigde Staten en Canada, heeft vandaag bekendgemaakt dat het Comité voor Geneesmiddelen voor Menselijk Gebruik (CHMP of Committee for Medicinal Products for Human Use) van het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA of European Medicines Agency) een positief advies gegeven heeft om de goedkeuring van een versnelde procedure aan te bevelen van het experimenteel geneesmiddel Victrelis (Boceprevir), voor de behandeling van chronische hepatitis C virusinfecties (HCV) van genotype 1, in combinatie met Peginterferon alfa en Ribavirine, bij volwassen patiënten met gecompenseerde leverziekte die nog niet eerder behandeld werden of die gefaald hebben na een vorige therapie.
Dit positief advies zal geëvalueerd worden door de Europese Commissie, die de handelsvergunning verleent, met een uniforme etikettering, die geldig is in de 27 landen die lid zijn van de Europese Unie (EU), en ook bij de leden van de Europese Economische Ruimte, IJsland, Liechtenstein en Noorwegen.
“We zijn blij met de aanbeveling van het CHMP om Victrelis goed te keuren in combinatie met de huidige standaardtherapieâ€, zei Peter S. Kim, PhD, voorzitter van Merck Research Laboratories.
“Als het wordt goedgekeurd, zou Victrelis de eerste vertegenwoordiger zijn van een nieuwe klasse van geneesmiddelen, bekend als HCV proteaseremmers, die een handelstoelating krijgt in de Europese Unie. Het geneesmiddel zou een belangrijke nieuwe behandelingsoptie bieden voor patiënten met chronische hepatitis C van genotype 1â€.
Het positief advies van het CHMP voor Victrelis, in combinatie met de huidige standaardtherapie, is gebaseerd op de werkzaamheids- en de veiligheidsresultaten van twee grote Fase III klinische studies, uitgevoerd in de EU en in de VS. Deze studies hebben ongeveer 1.500 volwassen patiënten met chronische HCV van genotype 1 geëvalueerd.
De HCV SPRINT-2 studie omvatte 1.097 patiënten die niet eerder behandeld werden (behandelingsnaïeve patiënten).
De HCV RESPOND-2 studie omvatte 403 patiënten die niet gereageerd hadden op eerdere therapieën.
De definitieve resultaten van de studies werden gepubliceerd in het New England Journal of Medicine op 31 maart 2011.
Victrelis is een direct werkende antivirale (DAA) agent, ontworpen om te interfereren met het replicatievermogen van het hepatitis C virus, door een belangrijk viraal enzyme (NS3/4A serine protease) te remmen.
De volgende punten moeten overwogen worden wanneer men begint met Victrelis voor de behandeling van een chronische hepatitis C infectie:
• Victrelis mag niet gebruikt worden als monotherapie en mag alleen gebruikt worden in combinatie met Peginterferon alfa en Ribavirine.
• De werkzaamheid van Victrelis werd niet onderzocht bij patiënten die eerder faalden na een therapie met een behandelschema dat Victrelis of andere HCV NS3/4A proteaseremmers bevatte.
• Victrelis, in combinatie met Peginterferon alfa en Ribavirine, werd niet onderzocht bij patiënten die beschouwd worden als historische nul-responders (met minder dan 2 log HCV-RNA daling in week 12 van de behandeling) tijdens eerdere behandelingen met Peginterferon alfa en Ribavirine. De klinische studies omvatten wel patiënten die slecht reageerden op Interferon. Patiënten met minder dan 0,5 log HCV-RNA daling in virale belasting in week 4 van de behandeling met Peginterferon alfa plus Ribavirine alleen, zullen naar verwachting een nul-respons hebben (minder dan 2 log HCV-RNA daling in week 12 van de behandeling).
• Patiënten die slecht reageren op Interferon en die behandeld werden met Victrelis in combinatie met Peginterferon alfa en Ribavirine, hebben een lagere kans op het bereiken van een aanhoudende virologische respons (SVR), en een hoger opsporingspercentage van resistentie geassocieerde substituties, in vergelijking met patiënten met een betere reactie op Peginterferon alfa en Ribavirine.
TMC435 VERSTERKT HEPATITIS C NABEHANDELINGSRESPONS.
Originele titel: TMC435 Boosts Hepatitis C Post-Treatment Response
Bron: www.hivandhepatitis.com, 21 mei 2011
Hepatitis C patiënten met genotype 1, die de experimentele HCV proteaseremmer TMC435 toevoegden aan gepegyleerde Interferon/Ribavirine, ervaarden meer kans op een aanhoudende respons dan degenen die alleen een standaardtherapie gebruikten, 4 weken nadat de behandeling voltooid was.
Hieronder een bewerking van een persbericht van Medivir, dat TMC435 ontwikkelt in samenwerking met Tibotec, waarin een beschrijving gegeven wordt van de ASPIRE-studie en de bevindingen erover.
Medivir kondigt na 48 weken positieve tussentijdse gegevens aan over de Hepatitis C Fase II b ASPIRE-studie van TMC435 bij behandelingservaren patiënten met genotype 1.
• Alle TMC435 subgroepen bereikten aanzienlijk hogere SVR4 rata (niet detecteerbaar virus 4 weken na het einde van de behandeling) in vergelijking met gepegyleerde Interferon en Ribavirine alleen.
• TMC435 was veilig en werd goed verdragen bij alle doses en duurtijden van de behandelingskuur.
Medivir AB (OMX: MVIR) is een opkomende Zweedse farmaceutische onderneming, die gebaseerd is op onderzoek, en die gespecialiseerd is in besmettelijke ziekten. Het bedrijf kondigde vandaag (20 mei 2011) de resultaten aan van de ASPIRE-studie. Dit is een Fase II b onderzoek, dat de toevoeging evalueert van TMC435 (eenmaal daags) aan gepegyleerde Interferon en Ribavirine, bij patiënten met chronische hepatitis C van genotype 1, bij wie een eerdere behandeling met gepegyleerde Interferon (PegIFN) en Ribavirine (RBV) mislukte omdat ze recidiveerden, een gedeeltelijke respons hadden of een nul-respons vertoonden.
Bertil Samuelsson, CSO van Medivir : “We zijn erg blij met de bemoedigende resultaten over de werkzaamheid en de veiligheid die de driedubbele TMC435 therapie met gepegyleerde Interferon en Ribavirine aangetoond heeft in deze interim analyse na 48 weken van de ASPIRE-studie bij behandelingservaren hepatitis C patiënten met genotype 1. Deze groep patiënten is bekend als de meest moeilijk te behandelen populatie, waarbij in het bijzonder eerdere nul-responders en gedeeltelijke responders heel slecht reageren op een herbehandeling met PegIFN/RBV alleen. Met de verschillende wereldwijde Fase III klinische studies die momenteel uitgevoerd worden bij patiënten met hepatitis C, verwachten we een impuls voor de verdere ontwikkeling van TMC435″.
ASPIRE (C206) ontwerp en tussentijdse analyse na 48 weken.
TMC435, een krachtige, eenmaal daags in te nemen, orale proteaseremmer van het hepatitis C virus, wordt ontwikkeld door Tibotec samen met Medivir.
De gerandomiseerde, placebo-gecontroleerde, dubbelblinde ASPIRE-studie evalueert het effect van TMC435 in combinatie met gepegyleerde Interferon en Ribavirine, bij 462 patiënten die geïnfecteerd zijn met hepatitis C genotype 1, en bij wie een eerdere behandeling met PegIFN/RBV mislukt is.
De studie omvat patiënten die een terugval hadden, die een gedeeltelijke respons vertoonden, of die geen reactie bereikten (nul-responders), na een standaardbehandeling.
62 procent (287/462) van de patiënten had een gevorderde leverziekte, of periportale of septale fibrose of cirrose (verlittekening van de lever), bij aanvang van de studie (Metavir score F2-F4).
De patiënten werden gerandomiseerd toegewezen aan 1 van de 7 verschillende behandelgroepen: zes TMC435 behandelingsarmen en één placebo-arm. TMC435 werd eenmaal daags toegediend in een dosis van ofwel 100 mg ofwel 150 mg, gedurende 12, 24 of 48 weken, in combinatie met PegIFN/RBV. De behandeling met PegIFN/RBV werd voortgezet bij alle patiënten tot de studie afgerond werd in week 48.
Deze tussentijdse analyse werd uitgevoerd bij alle patiënten die 48 weken van de behandeling voltooid hadden of die eerder gestopt waren. De analyse werd uitgevoerd op basis van de ‘intent-to-treat’ (ITT) populatie, die alle gerandomiseerde patiënten omvatte die ten minste één dosis genomen hadden van de onderzoeksmedicatie. Gegevens over SVR4, een aanhoudende virologische respons 4 weken na het geplande einde van de behandeling, waren beschikbaar voor respectievelijk 94% en 84% van de TMC435 patiënten en de placebo patiënten.
ASPIRE resultaten over effectiviteit.
In deze tussentijdse analyse in week 48, bereikten alle subgroepen van de behandelingservaren patiënten, die faalden na een eerdere behandeling met Peginterferon en Ribavirine, aanzienlijk hogere rata van virologische respons na hun behandeling met een TMC435-bevattend regime, bij alle doses en na alle behandelingstijden, in vergelijking met gepegyleerde Interferon en Ribavirine alleen.
Er was geen relevant verschil in virologische respons tussen de groepen die 150 mg TMC435 toegediend kregen gedurende 12 weken, 24 weken of 48 weken.
Aan het einde van de behandeling bereikte 92% van de eerder hervallen patiënten, 83% van de gedeeltelijke responders en 71% van de nul-responders, die allen eenmaal daags 150 mg TMC435 + placebo kregen, niet detecteerbare niveaus van HCV-RNA, in vergelijking met respectievelijk 70%, 17%, en 25% in de placebogroep + PegIFN/RBV.
In week 4 na de stopzetting van de behandeling (SVR4), bereikte 88% van de eerder hervallen patiënten, 77% van de gedeeltelijke responders en 57% van de nul-responders, die allen eenmaal daags 150 mg TMC435 + placebo kregen, niet detecteerbare HCV-RNA spiegels, vergeleken met respectievelijk 50%, 11% en 23% in de placebogroep + PegIFN/RBV.
Resultaten over veiligheid en verdraagbaarheid.
TMC435 was over het algemeen veilig en het werd goed verdragen. De algemene incidentie van bijwerkingen was vergelijkbaar tussen de verschillende behandelingsgroepen. Het merendeel van de bijwerkingen was van graad 1 of 2. Ernstige bijwerkingen werden gemeld bij 6,1% in de placebogroep en bij 8,3% van de patiënten die behandeld werden met TMC435, zonder wezenlijke verschillen tussen de verschillende TMC435 dosisgroepen. Bijwerkingen die leidden tot stopzetting van de behandeling, werden gemeld bij 4,5% van de placebogroep en bij 8,8% van de personen die met TMC435 behandeld werden.
De patiënten in de groepen die met TMC435 behandeld werden, hadden over het geheel genomen een langere behandelingsduur dan de patiënten in de placebogroepen. Dit was te wijten aan een hogere frequentie van vroegtijdige beëindigingen binnen de placebogroepen, als gevolg van mislukte behandelingen (d.w.z. het bereiken van virale stopzettingsregels).
De meest voorkomende bijwerkingen tijdens de behandeling waren hoofdpijn, vermoeidheid, jeuk, en griepachtige ziekten. De incidentie ervan was vergelijkbaar binnen de behandelde groepen en het niveau van de bijwerkingen, en de frequentie was in overeenstemming met de voorafgaande Fase II b PILLAR-studie van TMC435.
In de veiligheidsanalyses werd bijzondere aandacht besteed aan de volgende belangrijke bijwerkingen: hepato-biliaire bijwerkingen, jeuk, huiduitslag, bloedarmoede en cardiale voorvallen. De meeste van deze bijwerkingen waren van graad 1 of 2, en ze hebben zelden geleid tot de stopzetting van de behandeling. Voor elke categorie van bijwerkingen was de incidentie vergelijkbaar tussen de TMC435 groepen en de PegIFN/RBV groepen.
Er werden milde en reversibele verhogingen van bilirubine (totaal, direct en indirect) waargenomen bij de TMC435 dosisgroepen, zonder verschillen tussen de groepen van 100 mg en 150 mg.
Er waren geen betekenisvolle verschillen van andere laboratoriumparameters tussen de verschillende groepen. Er waren geen klinisch significante bevindingen over vitale functies, en er waren geen relevante veranderingen in parameters van het elektrocardiogram (ECG).
De gemiddelde ‘alanine aminotransferase’ (ALT) spiegels daalden in alle behandelingsgroepen.
Over TMC435 in andere klinische studies.
TMC435 is een proteaseremmer voor de behandeling van chronische hepatitis C virusinfecties, die eenmaal daags (QD) moet ingenomen worden. Het medicijn wordt ontwikkeld in samenwerking met Tibotec Pharmaceuticals.
Tibotec begon onlangs met drie wereldwijde, responsgeleide, klinische Fase III studies:
• TMC435-C208 of QUEST-1: omvat circa 375 niet voorbehandelde patiënten
• TMC435-C216 of QUEST-2: omvat circa 375 niet voorbehandelde patiënten
• TMC435-C3007 of PROMISE: omvat circa 375 patiënten met een terugval na eerdere op Interferon gebaseerde behandelingen
Parallel met de recente start van deze mondiale Fase III studies, bevindt TMC435 zich momenteel ook in de follow-up fase van drie Fase II b klinische studies (TMC435-C205, TMC435-C206 en TMC435-C215) met behandelingsnaïeve patiënten met genotype 1 en met patiënten van genotype 1 waarbij eerdere IFN-gebaseerde behandelingen mislukten. Meer gegevens over de veiligheid en de werkzaamheid van deze Fase II b proeven zullen voorgesteld worden op wetenschappelijke bijeenkomsten later in 2011. Er lopen ook Fase III programma’s voor TMC435 in Japan.
LEVENSKWALITEIT VOOR KINDEREN MET HEPATITIS C BEHANDELING.
Originele titel: Quality of Life for Children on Hepatitis C Treatment
Bron: www.hivandhepatitis.com, 21 mei 2011
Kinderen die behandeld werden met gepegyleerde Interferon plus Ribavirine of een placebo, ervaarden enkele verergeringen van hun lichamelijke klachten na het starten van de therapie, maar de meeste kinderen hadden geen klinisch significante veranderingen in hun levenskwaliteit of in hun emotioneel en cognitief functioneren aan het einde van de behandeling.
Recente gegevens tonen aan dat kinderen en adolescenten met een chronische hepatitis C virusinfectie (HCV) even goed, of beter, reageren op een HCV behandeling als volwassenen. De ziekteprogressie van hepatitis C heeft de neiging om goedaardiger te zijn bij kinderen, vergeleken met volwassenen, maar bijna 30% van de kinderen met chronische hepatitis C ervaarde een symptomatische progressie, wat later in hun leven kan leiden tot cirrose en leverkanker.
Vele studies onderzochten reeds de levenskwaliteit en de psychologische en cognitieve effecten van een chronische HCV infectie bij volwassenen, zowel voor als tijdens de behandeling, maar er is weinig bekend over deze factoren bij kinderen.
James Rodrigue erkent dat slechts weinig studies dit probleem aanpakken – en dat er enigszins tegenstrijdige bevindingen gepubliceerd zijn. Samen met zijn collega’s van het Beth Israel Deaconess Medical Center, omschreef hij levenskwaliteit, gedragsmatige aanpassingen, depressie, angst en cognitief functioneren bij kinderen die een hepatitis C behandeling op basis van Interferon ondergaan.
Al deze factoren zijn relevant voor de verdere ontwikkeling van het kind.
De primaire doelen van het onderzoek waren:
• Het bereiken van een beter begrip van de levenskwaliteit en van de andere genoemde factoren, om artsen te helpen bij het informeren van de patiënten en hun ouders/verzorgers over de mogelijke bijwerkingen van de behandeling.
• Het identificeren van de negatieve gevolgen van een chronische HCV infectie en de behandeling ervan, om de ontwikkeling en de uitvoering van therapeutische en farmacologische interventies, gericht op het verminderen van negatieve effecten bij kinderen, te vergemakkelijken.
Zoals beschreven in het nummer van mei 2011 van Hepatology, exploiteerden de onderzoekers gegevens van ‘Peds-C’, een prospectieve, veelzijdige, gerandomiseerde studie van 114 deelnemers, van 5 tot en met 18 jaar oud, allemaal met een chronische HCV infectie. Geen van de deelnemers had eerder al een hepatitis C behandeling ondergaan.
Ongeveer de helft van de kinderen (55) kreeg eenmaal per week gepegyleerde Interferon alfa-2a (Pegasys) plus 15 mg/kg Ribavirine per dag, terwijl de andere helft (59) gepegyleerde Interferon plus een placebo kreeg.
Deelnemers met een ondetecteerbare HCV virale lading na 24 weken behandeling zetten de volledige kuur van 48 weken verder.
Deelnemers in de arm van gepegyleerde Interferon/Ribavirine, waarvan de virale lading nog detecteerbaar was na 24 weken, werden beschouwd als non-responders, en de behandeling werd gestaakt.
Kinderen met een nog detecteerbare virale lading in week 24 in de placebo-arm werden ook beschouwd als non-responders, en ze kregen open-label, gepegyleerde Interferon plus Ribavirine aangeboden gedurende 48 weken.
Metingen van de levenskwaliteit, van gedragsproblemen, en van emotioneel en cognitief functioneren werden beoordeeld
• voordat de behandeling begon
• op 24 weken en op 48 weken tijdens de behandeling
• 6 maanden na de behandeling
• tijdens 2 latere, jaarlijkse bezoeken
De levenskwaliteit en de functionaliteit werden beoordeeld op basis van verschillende vragenlijsten en checklists, waarvan de meeste ingevuld werden door een ouder of voogd. De evaluaties omvatten metingen van
• de functionele status van het kind
• zijn welzijn en zelfvertrouwen
• de impact van de familie
• gedragsproblemen
• de emotionele controle
• de geestelijke gezondheid, waaronder o.a. angst en depressie
De 114 deelnemers hadden een gemiddelde leeftijd van 10,7 jaar.
75% van de kinderen was blank, 45% was vrouwelijk en 75% had HCV genotype 1.
Alle kinderen waren behandelingsnaïef.
Andere opgenomen uitsluitingscriteria waren gedecompenseerde leverziekte, ernstige depressie en een geschiedenis van andere ernstige ziekten.
Er waren geen significante verschillen tussen de 2 studie-armen in termen van socio-demografische of medische kenmerken.
Resultaten.
• Na 6 maand behandeling, waren de gemiddelde scores van de fysieke levenskwaliteit sterk gedaald ten opzichte van de uitgangssituatie, zowel in de groep van gepegyleerde Interferon/Ribavirine als in de groep van gepegyleerde Interferon/placebo, hoewel de scores toch binnen het gemiddelde bereik bleven.
• Over het algemeen was er een statistisch significante verslechtering van de lichamelijke pijn en van de algemene gezondheid na 24 weken, vergeleken met de uitgangssituatie.
• Er waren echter geen significante veranderingen in gedrag en in emotioneel of cognitief functioneren na 24 weken.
• Drie kinderen (5%) die gepegyleerde Interferon/Ribavirine namen – maar geen van de kinderen die gepegyleerde Interferon/placebo namen – vertoonden een aanzienlijke toename van depressieklachten na 24 weken.
• De meerderheid van de kinderen, die de behandeling bleven volgen gedurende de volledige 48 weken, zowel in de arm van gepegyleerde Interferon/Ribavirine als in de arm van gepegyleerde Interferon/placebo, ervaarde geen klinisch significante veranderingen in hun levenskwaliteit, in gedrag, in depressie, of in cognitief functioneren, aan het einde van de behandeling of tijdens de follow-up.
• Hoewel 7 kinderen (17%), die de behandeling bleven volgen gedurende 48 weken, een klinische afname van hun fysieke levenskwaliteit ervaarden, keerden 5 van hen terug naar hun uitgangssituatie tegen het einde van de behandeling, of 6 maand later.
• De scores voor de metingen van alle resultaten verschilden niet significant t.o.v. de uitgangswaarde, voor geen enkel kind dat 48 weken behandeling voltooide in beide armen, tijdens de follow-up evaluaties na 1 jaar en na 2 jaar.
• Leeftijd, ras, geslacht, overdrachtsroute van HCV, en uitgangswaarde van ‘alanine aminotransferase’ (ALT) waren niet significant geassocieerd met de levenskwaliteit van de deelnemers of met andere psychosociale uitkomsten, op geen enkel moment tijdens de studie.
De onderzoekers beschreven ook een aantal beperkingen van hun studie. Ze presenteerden gegevens die voornamelijk gebaseerd waren op informatie van de ouders of de voogd, in plaats van op bevindingen van de kinderen zelf. Ze erkenden: “Dergelijke rapporten kunnen een vertekend beeld geven, omwille van vele verschillende redenen, en ze kunnen dus mogelijk niet nauwkeurig de werkelijke functionele status van het kind vastleggen”.
Hoewel de steekproefomvang groot was in vergelijking met andere gepubliceerde studies, was het aantal kinderen, dat de toegewezen behandeling afwerkte gedurende de volle 48 weken, relatief klein. Dit kan de mogelijkheid beperkt hebben om kleine veranderingen te detecteren in de levenskwaliteit of in de functionaliteit na verloop van tijd.
Ten slotte hebben de auteurs de levenskwaliteit en de andere psychosociale uitkomsten slechts beoordeeld op 24 weken na de aanvang van de behandeling. Ze schreven: “Het is mogelijk dat veranderingen in de parameters zich reeds in de vroege stadia van de behandeling voorgedaan hebben, en dat ze vervolgens verdwenen waren tegen de tijd van onze beoordeling op 24 weken”. Ze stelden dat, vergeleken met volwassenen, kinderen minder ernstige HCV, minder vaatziekten en minder medische en psychiatrische problemen lijken te hebben, met meer stabiele sociale standvastigheid. Met deze factoren kan rekening gehouden worden voor de stabiliteit in de levenskwaliteit, en voor minder problematische gedragsproblemen/emotionele problemen.
Op basis van hun bevindingen concludeerden de onderzoekers: “Eerder hebben we gemeld dat de scores voor de behandeling van dit pediatrisch HCV cohort vergelijkbaar waren met die van gezonde kinderen, en nu hebben we het bewijs geleverd dat dit grotendeels ongewijzigd blijft na 48 weken behandeling met Peginterferon en Ribavirine (of placebo), en gedurende 2 jaar na het stopzetten van de therapie”.
“De weinige kinderen, die klinisch significante veranderingen ervaarden in hun levenskwaliteit en in hun gedrag en emotioneel functioneren, keerden bijna allemaal terug naar hun gezonde uitgangsniveaus aan het einde van de behandeling, of tegen de follow-up beoordeling na 6 maand”, gingen ze verder.
“Als eerste gerandomiseerd, pediatrisch onderzoek naar de levenskwaliteit, het psychisch functioneren en de cognitieve gevolgen van zowel Peginterferon alleen als met Ribavirine, hebben deze bevindingen belangrijke klinische implicatiesâ€.
TELAPREVIR (INCIVEK) GOEDGEKEURD VOOR HEPATITIS C.
Originele titel: Telaprevir (Incivek) Approved for Hepatitis C
Bron: www.hivandhepatitis.com, 24 mei 2011
Op 23 mei heeft de Amerikaanse FDA de HCV proteaseremmer van Vertex goedgekeurd: Telaprevir (merknaam Incivek). Dit is het tweede direct werkend hepatitis C medicijn dat deze maand gelanceerd wordt.
De komst van direct werkende antivirale middelen, die zich richten op verschillende stappen van de levenscyclus van het hepatitis C virus (HCV), zal een revolutie veroorzaken binnen de hepatitis C behandeling. De huidige standaardtherapie – gepegyleerde Interferon plus Ribavirine – werkt door het stimuleren van de immuunreactie in plaats van het virus direct aan te vallen.
Eind april werden zowel Telaprevir als Boceprevir (van Merck) unaniem aanbevolen voor goedkeuring door het Antiviral Drugs Advisory Committee van de Food and Drug Administration. Telaprevir werd goedgekeurd voor gebruik bij volwassen patiënten met chronische hepatitis C van genotype 1 en met gecompenseerde leverziekte. De indicatie omvat zowel behandelingsnaïeve individuen als eerdere niet-responders of personen met een terugval. Het geneesmiddel werd nog niet goedgekeurd voor HIV positieve mensen, hoewel uit recent gerapporteerde gegevens blijkt dat het medicijn ook de respons verbetert bij HIV/HCV geco-infecteerde patiënten.
De orale standaarddosis is 750 mg, 3 maal daags in te nemen met voedsel. Telaprevir moet de eerste 12 weken ingenomen worden in combinatie met gepegyleerde Interferon (Pegasys of PegIntron) plus Ribavirine. Daarna moet de patiënt stoppen met Telaprevir, terwijl gepegyleerde Interferon/Ribavirine voortgezet wordt. De meeste mensen die een goede eerste reactie vertonen op de drievoudige combinatie, kunnen stoppen met de behandeling in week 24, terwijl andere personen gepegyleerde Interferon/Ribavirine moeten blijven nemen tot en met week 48.
De centrale ADVANCE, ILLUMINATE en REALIZE studies toonden aan dat de toevoeging van Telaprevir hogere rata van aanhoudende virologische respons (SVR) produceerde dan een standaardtherapie alleen. Mensen die SVR bereiken – wat algemeen beschouwd wordt als een genezing – verminderen hun risico op het ontwikkelen van levercirrose en hepato-cellulair carcinoom.
Bij behandelingsnaïeve patiënten met genotype 1 benaderden de SVR rata 80% met de driedubbele therapie met Telaprevir, vergeleken met minder dan 50% na een standaardtherapie alleen. Bovendien waren de meeste patiënten in staat om hun behandeling te verkorten van 48 weken tot 24 weken.
In de REALIZE studie varieerde de kans op SVR voor non-responders met genotype 1 van 86% voor patiënten met een eerdere terugval (versus 22% met een tweede kuur van standaardtherapie alleen) tot 32% voor eerdere nul-responders, die geen significante vermindering ervaarden van HCV virale lading met een voorgaande therapie.
Telaprevir werd over het algemeen goed verdragen in de studies tot nu toe. Maar ongeveer de helft van de patiënten ontwikkelde huiduitslag of jeuk, met inbegrip van een klein aantal met ernstige huidreacties, zoals het Stevens-Johnson-syndroom (ontsteking van huid en slijmvliezen). De toevoeging van Telaprevir aan de standaardtherapie verhoogt ook het risico op het ontwikkelen van bloedarmoede.
“Met de goedkeuring van Incivek, zijn er nu twee belangrijke nieuwe opties voor de behandeling van hepatitis C, die een grotere kans op genezing bieden voor sommige patiënten met deze ernstige aandoening”, zei Edward Cox, MD, MPH, directeur van het Office of Antimicrobial Products in het Center for Drug Evaluation and Research van de FDA.
“De beschikbaarheid van nieuwe therapieën, die positieve reacties aanzienlijk doen toenemen, terwijl ze de totale duur van de behandeling potentieel verminderen, is een belangrijke stap voorwaarts in de strijd tegen chronische hepatitis C infecties”.
Vertex zal naar verwachting Telaprevir beginnen leveren tegen het einde van de maand. Het bedrijf heeft financiële bijstand voorzien en een ondersteunend patiëntenprogramma om mensen met beperkte middelen te helpen om toegang te krijgen tot Telaprevir.
“Hepatitis C kan leiden tot leverfalen of kanker, en tot de noodzaak van een transplantatie. Gedurende de afgelopen tien jaar, was het beste wat we patiënten konden bieden een jaar van moeizame behandelingen, die resulteerden in een virale genezing voor minder dan de helft van hen”, zei Ira Jacobson, MD, van het Weill Cornell Medical College, en hoofdonderzoeker van de Fase III studie, in een persbericht dat uitgegeven werd door Vertex.
“Met Incivek bereikte 79 procent van de behandelingsnaïeve patiënten een virale genezing”.
FDA KEURT NIEUWE HCV TEST VAN ABBOTT GOED.
Originele titel: FDA OKs New Abbott HCV Test
Bron: www.hivandhepatitis.com, 24 mei 2011
Abbott kondigde vorige week aan dat de FDA een nieuwe PCR bloedtest goedgekeurd heeft voor het hepatitis C virus (HCV), met een 12 IU/ml limiet van detectie en kwantificatie.
Hieronder een bewerkte passage uit een recent persbericht van Abbott, dat de nieuwe test beschrijft.
Abbott (NYSE: ABT) kondigde vandaag (18 mei 2011) aan dat het toestemming gekregen heeft van de Amerikaanse Food and Drug Administration om zijn ‘Real Time PCR (polymerase chain reaction) test’ op de markt te brengen, voor het meten van de virale lading van hepatitis C (HCV), de belangrijkste oorzaak van leverkanker in de Verenigde Staten.
De Abbott RealTime HCV test, ontwikkeld voor gebruik op het Abbott m2000-systeem, is bedoeld voor gebruik als hulpmiddel voor de monitoring van patiënten die geïnfecteerd zijn met HCV en die een antivirale therapie volgen. De test meet de HCV-RNA waarden bij de uitgangssituatie en tijdens de behandeling, en de test kan ook gebruikt worden om een aanhoudende of een niet aanhoudende virologische respons te voorspellen op een HCV therapie. De resultaten van de RealTime HCV test moeten geïnterpreteerd worden binnen de context van alle relevante klinische resultaten en laboratoriumbevindingen. De Abbott RealTime HCV test is niet geschikt voor het screenen van bloed, plasma, serum of donorweefsel voor HCV, of kan ook niet gebruikt worden als diagnostische test, die de aanwezigheid van een HCV infectie kan bevestigen.
“Met de toevoeging van deze HCV test aan zijn automatisch m2000-systeem, is Abbott de enige leverancier van moleculaire diagnostiek in de VS, die testen aanbiedt voor de virale lading van HIV, HBV en HCV, en een combinatietest voor chlamydia en gonorroe op één enkel moleculair platform”, zegt Joseph Jacobs, MD, medisch directeur van Abbott Molecular.
“Dit maakt het voor laboratoria mogelijk om testen voor seksueel overdraagbare en besmettelijke ziekten te consolideren, om de werkstroom en de productiviteit te verbeteren. Eén enkele fabrikant van deze testen geeft de artsen ook een soort zekerheid van samenhang en kwaliteit bij de monitoring van hun patiënten”.
De Abbott RealTime HCV test biedt een nauwkeurige meting (kwantificering) van HCV in menselijk plasma of serum. Het is een zeer gevoelige test voor de virale lading van HCV, en het is de enige test waarvoor de detectiegrens (laagste niveau van het virus dat een positief resultaat genereert) en de kwantificatiegrens (laagste exacte meting van de virale lading) hetzelfde zijn: 12 IU/ml. Dit niveau van gevoeligheid maakt het voor clinici mogelijk om zeer lage waarden te meten van het HCV virus, en om het succes te peilen van een antivirale behandeling op de uitroeiing van de infectie.
“Monitoring van de HCV-RNA waarden is belangrijk voor de behandeling van de ziekte met antivirale medicijnen, zoals Interferon en Ribavirine”, zei Paul Martin, MD, gastro-enteroloog en hepatitis onderzoeker bij het Schiff Liver Institute en het Center for Liver Disease in Miami, en tevens klinisch onderzoeker en consultant van Abbott.
“Metingen van de virale lading helpen artsen bepalen of ze moeten beginnen met een antivirale therapie, ze beïnvloeden beslissingen over de dosering en de behandelduur, en ze identificeren resistente stammen”.
“De Abbott RealTime HCV test detecteert en meet de zes meest voorkomende HCV genotypes, door zich te richten op een essentieel, zeer goed geconserveerd deel van het virale genoom”, zei Stafford O’Kelly, hoofd van het moleculair diagnostiekbedrijf van Abbott.
“Het is een zeer gevoelige moleculaire test, en de test biedt een volledige dekking voor alle HCV genotypes, zoals aangetoond in onze intercollegiaal getoetste publicaties”.
Een studie, die gepubliceerd werd in de editie van juni 2009 van het Journal of Clinical Microbiology (Chevaliez, Bouvier-Alias en Pawlotski), concludeerde: “Het Abbott m2000 RealTime PCR systeem voor de kwantificering van HCV-RNA is gevoelig, specifiek en nauwkeurig. De resultaten zijn reproduceerbaar, en het brede, dynamische kwantificeringsbereik van het platform is goed geschikt voor de monitoring van HCV-RNA in klinische settings”.
In aanvulling op haar in-vitro diagnostische HCV producten, heeft Abbott momenteel vier experimentele farmaceutische verbindingen voor de behandeling van HCV in Fase II klinische studies: een proteaseremmer, twee polymeraseremmers en een NS5A remmer.
CAFEÃNE EN LEVERZIEKTEN BIJ MENSEN MET HEPATITIS C.
Originele titel: Caffeine and Liver Disease in People with Hepatitis C
Bron: www.hivandhepatitis.com, 30 mei 2011
De regelmatige consumptie van grotere hoeveelheden cafeïne heeft een behoorlijk gunstig effect op een leverontsteking, maar niet op fibrose, volgens biopsieresultaten van mensen met chronische hepatitis C.
De medische literatuur bevat een toenemend aantal studies die suggereren dat de consumptie van cafeïne de leverbeschadiging kan verminderen bij mensen met een chronische leverziekte. Verschillende studies hebben aangetoond dat de cafeïneconsumptie geassocieerd wordt met de verbetering van een aantal factoren bij mensen die een verhoogd risico lopen op een progressieve leverziekte: men stelde een verbetering vast van de alanine aminotransferase spiegels (ALT), van fibrose, van cirrose, en van andere klinische resultaten, inclusief hepato-cellulair carcinoom en overlijden.
Zoals beschreven in de editie van juni 2011 van het Journal of Hepatology, zijn Charlotte Costentin en haar collega’s in Frankrijk op zoek gegaan naar de associatie tussen de opname van cafeïne en histologische leverbeschadigingen, aan de hand van biopsies bij mensen met een onbehandelde, chronische hepatitis C virusinfectie.
De onderzoekers hebben 238 patiënten met chronische hepatitis C ingeschreven in de ‘Groupe Hospitalier Henri Mondor-Albert Chenevier’, tussen 2004 en 2006. Alle deelnemers waren behandelingsnaïef en hadden eerder een leverbiopsie ondergaan, of ze wilden een leverbiopsie ondergaan. Criteria voor uitsluiting waren onder meer co-infecties met het hepatitis B virus of met HIV.
De deelnemers varieerden in leeftijd van 34 tot 56 jaar, 65% was mannelijk en 35% was vrouwelijk. Intraveneus drugsgebruik was de belangrijkste overdrachtsroute van de HCV infectie. 62% had HCV genotype 1, 17% had genotype 3.
De deelnemers vulden een vragenlijst in over hun gebruik van cafeïne (koffie, thee met cafeïne en cafeïnehoudende frisdranken), en van alcohol, tabak en cannabis, in de loop van de laatste zes maand. Er werden ook vragen gesteld over de hoeveelheid en de frequentie van hun dagelijks cafeïneverbruik in de afgelopen 6 maand. Samen met de leverbiopsie en de vragenlijst werden ook de serum ALT spiegels en de nuchtere bloedglucose gemeten.
Bij de analyse van de biopsieresultaten van de deelnemers, gebruikten de onderzoekers het ‘Metavir’ scoringssysteem, om de fibrosegraad en de histologische activiteitsgraad (of leverontsteking) te bepalen. Het ‘Metavir’ systeem geeft twee gestandaardiseerde cijfers aan: één cijfer geeft de fibrosegraad aan, terwijl het andere cijfer de ontstekingsgraad aangeeft. Fibrose wordt beoordeeld op een schaal van F0 tot F4, de histologische activiteit wordt aangegeven op een schaal van A0 tot A3:
Fibrosegraad:
• F0 = afwezigheid van fibrose
• F1 = milde fibrose
• F2 = matige fibrose
• F3 = gevorderde fibrose
• F4 = cirrose
Graad van histologische activiteit:
• A0 = geen ontsteking
• A1 = lichte ontsteking
• A2 = matige ontsteking
• A3 = ernstige ontsteking
De deelnemers werden ingedeeld in 4 groepen, volgens hun dagelijkse verbruik van cafeïne:
• Groep 1 = < 225 mg/dag (minder dan 1,5 kopje/dag)
• Groep 2 = 225 tot 407 mg/dag (meer dan 1,5 kopje, maar minder dan 3 kopjes/dag)
• Groep 3 = 408 tot 678 mg/dag (minstens 3 kopjes, maar minder dan vijf kopjes/dag)
• Groep 4 = > 678 mg/dag (minstens 5 kopjes/dag)
De studie vergeleek de cafeïneconsumptie en de correlatie met de graad van histologische activiteit, de graad van fibrose en de serum ALT spiegels van alle deelnemers.
Resultaten.
• De histologische activiteitscores > A2 daalden geleidelijk volgens toenemende hoeveelheden van cafeïneverbruik:
• Onder de deelnemers in groep 1 (minder dan 1,5 kopje/dag), had 78% een Metavir activiteitscore van A2 of hoger.
• Van de deelnemers in groep 4 (minstens 5 kopjes/dag), had 48% een ontstekingscore van A2 of hoger.
• 10 deelnemers hadden een Metavir activiteitscore van A3, wat te weinig is om conclusies te trekken, en de A4 scores, indien ze van toepassing waren, werden niet gerapporteerd.
• Andere factoren die gerelateerd waren met een score > A2:
• leeftijd > 40 jaar
• BMI > 25
• matige of duidelijke steatose (leververvetting)
• fibrose > F2
• verhoogde ALT niveaus
• Er werden geen significante relaties waargenomen tussen de ontstekingscore en
• geslacht
• overdrachtroute van HCV
• hyperglykemie (te hoge glucoseconcentratie in het bloed)
• diabetes
• gebruik van alcohol, tabak en cannabis
• HCV genotype
• Een Metavir activiteitscore > A2 was gerelateerd aan
• een fibrosestadium van F2 tot F4
• matige tot ernstige steatose
• verhoogde ALT niveaus
• Fibrose > F2 was significant gecorreleerd met
• mannen
• leeftijd > 40 jaar
• alcoholmisbruik
• roken (meer dan 15 sigaretten/dag)
• dagelijks cannabisgebruik
• HCV genotype 3
• BMI > 25
• matige tot ernstige steatose
• verhoogde ALT niveaus
• Er was echter geen verband tussen de ernst van fibrose en de cafeïneconsumptie.
• Ook was er geen verband tussen de cafeïneconsumptie en de ALT niveaus.
• Het gebruik van tabak was niet onafhankelijk geassocieerd met de Metavir activiteitsniveaus, maar de proportie van zware rokers steeg met toenemend cafeïneverbruik.
De onderzoekers noteerden twee mogelijke beperkingen van hun studie. Ze schreven: “De sociaal-economische status, of de levenskwaliteit, en de comorbiditeiten, die aanzienlijk geassocieerd kunnen worden met het koffieverbruik, werden niet onderzocht in ons cohort”.
De afwezigheid van deze informatie beperkt de reikwijdte van het onderzoek, omdat andere factoren, die samenhangen met het verbruik van cafeïne, een verklaring kunnen geven aan de studieresultaten. Bovendien was er een lage prevalentie van alcoholgebruik onder de studiedeelnemers, waaraan de zwakke invloed te wijten kan zijn van de alcoholconsumptie op de necro-inflammatie.
“Onze studie heeft een omgekeerde relatie ontdekt tussen de cafeïneconsumptie en de Metavir activiteitsgraad bij patiënten met chronische hepatitis C, wat suggereert dat de opname van cafeïne letsels ten gevolge van necro-inflammatie kan verlagen door een nog onbekend mechanisme”, schreven de auteurs.
“Gezien de sterke relatie tussen de activiteitsgraad en de progressie van fibrose, ondersteunen deze resultaten de hypothese dat de opname van cafeïne ook de progressie van leverfibrose kan verminderen”, concludeerden ze. “Er zijn aanvullende studies nodig om te beoordelen of onze bevindingen ook gelden voor andere inflammatoire, chronische leverziekten”.
De onderzoekers hebben ingezien dat hepatitis C beïnvloed wordt door vele co-factoren en co-morbiditeiten, die de progressie van de ziekte en de resultaten op lange termijn beïnvloeden. Maar ze geven geen enkele klinische aanbeveling over cafeïneconsumptie en leverziekten. Deze studie draagt echter wel bij aan het toenemend bewijs dat cafeïneconsumptie niet schadelijk lijkt te zijn voor mensen met een leverziekte, en dat cafeïne in feite gunstig kan zijn.
PSI-7977 + BMS-790052 STUDIE VOOR HEPATITIS C.
Originele titel: PSI-7977 + BMS-790052 Trial for Hepatitis C
Bron: www.hivandhepatitis.com, 3 juni 2011
Pharmasset kondigde de start aan van een Fase II a studie van een volledig orale antivirale behandeling met de HCV polymeraseremmer PSI-7977 plus de NS5A replicatie complex remmer BMS-790052.
Met de komst van direct werkende antivirale middelen, die zich richten op verschillende stappen van de levenscyclus van het hepatitis C virus (HCV), verwacht men een revolutie voor de behandeling van chronische hepatitis C. De eerste twee geneesmiddelen die goedgekeurd werden door de Amerikaanse Food and Drug Administration – de HCV proteaseremmers Boceprevir (Victrelis) en Telaprevir (Incivek) – zijn geïndiceerd voor gebruik in combinatie met de huidige standaardtherapie, die bestaat uit gepegyleerde Interferon plus Ribavirine. Maar hepatitis C patiënten en hun artsen kijken allemaal reikhalzend uit naar volledig orale behandelingen, zonder geïnjecteerde Interferon en de moeilijke bijwerkingen ervan.
Pharmasset Inc. kondigde vorige week aan dat het een groot aantal regimes van 24 weken zal testen met PSI-7977 plus BMS-790052 van Bristol-Myers Squibb. Zoals gemeld tijdens de bijeenkomst van de EASL in april 2011, werkte PSI-7977 goed, zowel met de standaardtherapie als in een volledig orale behandeling samen met PSI-938. Een combinatie van BMS-790052 plus BMS-650032 produceerde een hoge respons bij eerdere non-responders. De nieuwe Fase II a studie zal behandelingsnaïeve patiënten inschrijven met zowel het moeilijk te behandelen HCV genotype 1 als genotypes 2 of 3. Sommige deelnemers zullen een inleidende behandeling krijgen van één week met een monotherapie van PSI-7977 vooraleer BMS-790052 toegevoegd wordt. Andere studie-armen zullen op hetzelfde moment beginnen met de twee experimentele geneesmiddelen, met of zonder Ribavirine.
Hieronder vindt u een bewerkt fragment uit een recent persbericht van Pharmasset, dat de studie beschrijft.
Volledig orale combinatiestudie met PSI-7977 voor HCV genotype 1, 2 en 3 wordt ingeleid. Pharmasset Inc. (Nasdaq: VRUS) kondigde vandaag (26 mei 2011) de inleiding aan van een Fase II a studie, om de combinatie te onderzoeken van PSI-7977, een ‘nucleotide polymerase remmer’ van Pharmasset, en BMS-790052, een ‘NS5A replicatie complex remmer’ van Bristol-Myers Squibb Company (NYSE: BMY), voor de behandeling van chronische hepatitis C (HCV). Deze studie is het resultaat van een klinische samenwerkingsovereenkomst tussen Pharmasset en Bristol-Myers Squibb, die aangekondigd werd in januari 2011. “We zijn blij dat we de initiatie van deze belangrijke combinatiestudie kunnen aankondigen”, aldus William Symonds, Senior Vice President van de afdeling ‘Klinische Farmacologie en Translationele Medicijnen’ van Pharmasset. “Recente gegevens uit de combinatiestudie van Bristol-Myers Squibb toonden aan dat personen met HCV genezen kunnen worden zonder traditionele Interferon en Ribavirine, maar alleen indien er twee krachtige DAA’s gebruikt worden, en indien resistentie tegen de geneesmiddelen vermeden wordt. We zijn van mening dat de ‘nucleotide analogen’ van Pharmasset een krachtige antivirale werking aangetoond hebben, en een hoge weerstandsbarrière, waardoor ze dus de potentie hebben om de toekomstige ruggengraat te worden van een Interferon-vrije behandeling”.
Over de studie.
Deze Fase II a studie schrijft ongeveer 84 patiënten in met chronische HCV van genotypes 1, 2 of 3, die niet eerder behandeld werden. Het primaire eindpunt van de studie is een aanhoudende virologische respons (SVR). De proef zal uitgevoerd worden in de VS. De studiedeelnemers worden gerandomiseerd gekozen voor één van de volgende armen:
• Voor patiënten met genotype 1: 400 mg PSI-7977 eenmaal per dag (QD) gedurende 7 dagen, vervolgens toevoeging van 60 mg BMS-790052 QD gedurende nog eens 23 weken.
• Voor personen met genotypes 2 of 3: 400 mg PSI-7977 QD gedurende 7 dagen, vervolgens toevoeging van 60 mg BMS-790052 QD gedurende nog eens 23 weken.
• Voor patiënten met genotype 1: 400 mg PSI-7977 QD + 60 mg BMS-790052 QD gedurende 24 weken.
• Voor patiënten met genotypes 2 of 3: 400 mg PSI-7977 QD + 60 mg BMS-790052 QD gedurende 24 weken.
• Voor patiënten met genotype 1: 400 mg PSI-7977 QD + 60 mg BMS-790052 QD + Ribavirine gedurende 24 weken.
• Voor patiënten met genotypes 2 of 3: 400 mg PSI-7977 QD + 60 mg BMS-790052 QD + Ribavirine gedurende 24 weken.
Aanvullende details zijn te vinden op www.clinicaltrials.gov
Top
HCV MEDICIJN SETROBUVIR KRIJGT AMERIKAANS PATENT.
Originele titel: HCV Drug Setrobuvir Gets U.S. Patent
Bron: www.hepatitis-central.com, 6 juni 2011
Naast de toekenning van de FDA van de status van voorkeursbehandeling, kreeg Setrobuvir ook een Amerikaans patent. Momenteel bevindt Setrobuvir zich in een Fase II b studie. Gegevens over de werkzaamheid van het medicijn tegen hepatitis C worden verwacht in de tweede helft van 2011.
Het Amerikaanse ‘Patent and Trademark Office’ heeft Patent No 7.939.524 toegekend aan ‘Setrobuvir’ van Anadys Pharmaceuticals (ANA598), een direct werkend antiviraal middel (DAA) dat ontwikkeld wordt voor chronische hepatitis C virusinfecties (HCV). Het patent erkent de intellectuele eigendomsrechten van het bedrijf op de samenstelling van de materie en op de methoden voor het gebruik van Setrobuvir en verwante verbindingen. Setrobuvir, dat de status van voorkeursbehandeling gekregen heeft van de Amerikaanse Food and Drug Administration, is een HCV-RNA polymeraseremmer die behoort tot een chemische klasse die aangeduid wordt als ‘niet-nucleosiden’.
Het geneesmiddel heeft een goed gekarakteriseerde veiligheidsdatabase, waarin tot nu toe meer dan 150 personen het medicijn toegediend kregen. In de lopende Fase II b studie wordt Setrobuvir getest in combinatie met Pegasys en Copegus, zowel bij behandelingsnaïeve patiëntengroepen als bij patiënten die eerder faalden na een behandelingskuur met Interferon en Ribavirine. Het primaire eindpunt van de studie is een aanhoudende virologische respons 24 weken nadat de patiënten de behandeling voltooiden, bekend als SVR24. Anadys verwacht na 12 weken (in het derde kwartaal van 2011) gegevens over de antivirale respons van alle patiënten, waaronder ook het tijdstip van 8 weken dat gebruikt wordt voor de bepaling van de responsgeleide therapie bij behandelingsnaïeve patiënten. Gegevens over de antivirale respons tijdens week 24 worden verwacht in het vierde kwartaal van 2011.
HOMEOPATHIE VOOR HET BEHEER VAN HEPATITIS C.
Originele titel: Homeopathy for Managing Hepatitis C
Bron: www.hepatitis-central.com, 7 juni 2011
Velen geloven dat de homeopathische geneeskunde, die in Europa veel meer toegepast wordt dan in de Verenigde Staten, een effectieve manier is om chronische hepatitis C te beheren.
Mensen met chronische hepatitis C erkennen dat hun virale leverinfectie hardnekkig is en dat ze niet gemakkelijk geëlimineerd kan worden. Vooral bij 50 procent van de patiënten, die naar schatting niet reageren op de behandeling van hepatitis C, is er veel vraag naar alternatieven om te helpen bij het beheer van deze ziekte. Ook al is het een controversiële aanpak, toch beweren voorstanders dat homeopathische middelen een ideale oplossing vormen voor het beheer van hepatitis C, aangezien ze veilige therapeutische mogelijkheden bieden om de virale lading te verminderen en om de symptomen van leverziekten te verzachten.
Het klinkt veelbelovend, maar de wetenschappelijke literatuur over het effect van homeopathie op hepatitis C is schaars. De erkenning en de regulering van homeopathie worden in de VS grotendeels over het hoofd gezien, wat bijdraagt tot de verwarring over homeopathische middelen. Deze omissie maakt van het vinden van een goed geïnformeerde, competente homeopathische arts een uitdaging in de Verenigde Staten. Aan de andere kant kunnen degenen die een ervaren beoefenaar van de homeopathie vinden, toch nog wat waardevolle hulp krijgen bij het beheer van hun chronische hepatitis C.
Over homeopathie.
Homeopathie, ongeveer 200 jaar geleden ontwikkeld door Dr. Samuel Hahnemann, is een compleet, niet toxisch medisch systeem. Door het gebruik van sterk verdunde pathogenen, of van potentieel giftige stoffen zoals geneesmiddelen, wordt er een reactie uitgelokt van het immuunsysteem of van een ander orgaan, om zo de onderliggende oorzaken van een ziekte te behandelen.
Er bestaat controverse over het gebied van de homeopathie. Dit komt grotendeels omdat een aantal van de belangrijkste begrippen niet overeenstemmen met onze huidige kennis van de wetenschap, in het bijzonder van de scheikunde en van de natuurkunde. De belangrijkste theorie achter homeopathie is gebaseerd op ‘similia’, ook wel bekend als ‘als genezen als’. Deze wet van gelijken dateert uit de tijd van Hippocrates, maar er zijn ook hedendaagse toepassingen – zoals vaccinaties. Veel vaccins omvatten immers het geven van een kleine dosis van het micro-organisme dat een bepaalde ziekte veroorzaakt. Hierdoor stimuleren vaccinaties een immuunrespons tegen dat bepaald micro-organisme, waardoor de persoon die het vaccin toegediend krijgt beschermd is tegen die ziekte.
Daarnaast werkt homeopathie ook volgens een principe van verdunningen, ook wel bekend als de ‘wet van de minimale dosis’. Het principe van verdunningen stelt: hoe lager de dosis van de medicatie, hoe groter de effectiviteit. De meeste homeopathische middelen zijn zo verdund dat er geen moleculen van de genezende stof overblijven, maar in de homeopathie gelooft men dat de stof toch zijn stempel of ‘essentie’ achtergelaten heeft, waardoor de genezing gestimuleerd wordt.
Homeopathische middelen zijn afgeleid van natuurlijke stoffen die afkomstig zijn van planten, mineralen of dieren. Veel voorkomende remedies zijn rode ui, arnica (bergkruid) en brandnetel.
Wie beoefent de homeopathische geneeskunde?
Homeopaten behandelen mensen op basis van hun genetische en persoonlijke anamnese, van hun lichaamstype en van hun huidige fysieke, emotionele en mentale symptomen. De behandelingen worden aangepast aan elk individu, dus is het niet ongewoon dat verschillende mensen met dezelfde aandoening verschillende behandelingen krijgen.
Hoewel homeopathische praktijken populair zijn in Europa, zijn er momenteel geen uniforme normen voor de professionele licentie van homeopaat in de Verenigde Staten. In plaats daarvan varieert de licentie van vergunningen voor homeopaten van staat tot staat. Meestal heeft een homeopaat een licentie voor een medisch beroep, zoals conventionele geneeskundige, osteopaat of natuurgeneeskundige. Er is echter nog veel variabiliteit:
• Een licentie als homeopathisch arts is alleen beschikbaar voor artsen en osteopaten in Arizona, Connecticut en Nevada.
• Arizona en Nevada geven ook een licentie aan homeopathische assistenten, die medische diensten mogen verrichten onder toezicht van een homeopathisch arts.
• Sommige staten nemen homeopathie expliciet op in het kader van de praktijk van een chiropractor, een natuurgeneeskundige, een fysiotherapeut, een tandheelkundige, een verpleegkundige en een diergeneeskundige.
• Hoewel niet erkend door het Amerikaanse Ministerie van Onderwijs, kan de nationale certificatie verkregen worden via organisaties, zoals de Raad voor Homeopathische Certificatie, de Amerikaanse Raad van Homeotherapeuten en de Homeopathische Academie van Natuurartsen.
Een bevoegde homeopaat kan in de Verenigde Staten het best gevonden worden door netwerken en mond-tot-mond reclame. Gelukkig betekent het veilige en niet toxische karakter van homeopathische middelen dat er vrijwel geen gevaar is als men ze neemt, tenminste bij juist gebruik ervan.
Homeopathie voor hepatitis C.
De homeopathische geneeskunde kan misschien niet het populairste alternatieve medisch systeem zijn, maar toch zijn er wel veel voorstanders. Speciaal voor chronische hepatitis C patiënten die niet reageerden op een antivirale therapie, bieden homeopathische middelen een potentiële ‘jackpot’ voor het verlagen van de virale belasting en voor het verlichten van de symptomen van leverziekten.
Deskundigen zijn het erover eens dat het gebruik van homeopathie voor hepatitis C het best werkt wanneer het geadviseerd wordt door een getrainde professional. Sommige remedies die gebruikt kunnen worden voor hepatitis C omvatten:
• Aconitum
• Belladonna
• Chelidonium
• Lycopodium
• Mercurius
• Nux vomica
• China officinalis
Omdat de dosering en de combinatie van homeopathische middelen sterk afhankelijk zijn van elk individu afzonderlijk, wordt het ‘zelf experimenteren’ met deze stoffen niet geadviseerd. Na overleg met een gerenommeerde homeopaat, gaan de remedies typisch gepaard met cruciale aanbevelingen voor de levensstijl.
Indien de wet van ‘similia’ en het principe van verdunningen u interesseert en indien u een gerenommeerde homeopaat raadpleegt, kan homeopathie de sleutel zijn waarnaar u op zoek bent voor het beheren van uw hepatitis C.
BI201335 TOONT POTENTIËLE ACTIVITEIT TEGEN HCV.
Originele titel: BI201335 Shows Potent Activity against HCV
Bron: www.hivandhepatitis.com, 11 juni 2011
De HCV proteaseremmer BI201335, plus gepegyleerde Interferon/Ribavirine, werd goed verdragen, en het toonde een goede activiteit bij behandelingsnaïeve en bij behandelingservaren patiënten met chronische hepatitis C van genotype 1.
De komst van direct werkende antivirale middelen, die werkzaam zijn tegen verschillende stappen van de levenscyclus van het hepatitis C virus (HCV), zal de therapie drastisch veranderen, met name voor moeilijk te behandelen patiënten. De huidige geneesmiddelen moeten echter nog steeds gebruikt worden in combinatie met gepegyleerde Interferon-alfa (Pegasys of PegIntron) plus Ribavirine.
De eerste twee HCV proteaseremmers – Boceprevir (Victrelis) en Telaprevir (Incivek) – werden goedgekeurd in mei 2011. Agenten van een volgende generatie bewegen zich op dit moment door de ontwikkelingspijplijn.
Zoals beschreven in de uitgave van juni 2011 van het Journal of Hepatology, evalueerde Michael Manns, samen met zijn collega’s van de Hannover Medical School, de veiligheid en de werkzaamheid van het kandidaat-geneesmiddel van Boehringer-Ingelheim, BI201335, in een dosis escalerende studie bij behandelingsnaïeve en behandelingservaren studiedeelnemers.
34 niet eerder behandelde chronische hepatitis C patiënten met genotype 1 werden willekeurig toegewezen om eenmaal per dag BI201335 te ontvangen, in doses van 20 mg tot 240 mg, of een placebo, gedurende 14 dagen, gevolgd door gepegyleerde Interferon/Ribavirine tot dag 28.
Daarnaast kregen 19 reeds behandelde personen eenmaal daags 48 mg tot 240 mg BI201335, in combinatie met gepegyleerde Interferon/Ribavirine, gedurende 28 dagen.
Resultaten.
• De behandelingsnaïeve patiënten ervaarden een goede daling van de virale lading met alle doses:
• 3,0 log maximale mediane vermindering in de groep van 20 mg
• 3,6 log reductie in de groep van 48 mg
• 3,7 log daling in de groep van 120 mg
• 4,2 log reductie in de groep van 240 mg
• De meeste mensen die de monotherapie volgden, ervaarden een doorbraak van de HCV virale lading (minstens 1 log hoger dan de nadir of het laagste niveau).
• Een virale doorbraak werd geassocieerd met NS3/4A mutaties, waaronder R155K en D168V, wat confereerde met resistentie tegen BI201335 in vitro.
• De toevoeging van gepegyleerde Interferon/Ribavirine, in de periode van dag 15 tot dag 28, leidde tot een continue reductie van de HCV virale lading bij de meeste patiënten.
• Bij de behandelingservaren deelnemers produceerde de behandeling met BI201335 plus gepegyleerde Interferon/Ribavirine een niet detecteerbare virale lading (<25 IU/ml) op dag 28 bij de meerderheid van de patiënten:
• 50% (3 van de 6) in de groep van 48 mg
• 57% (4 van de 7) in de groep van 120 mg
• 83% (5 van de 6) in de groep van 240 mg
• 16% van de eerder behandelde patiënten ervaarde een virale doorbraak tijdens de drievoudige combinatiebehandeling.
• Eerdere recidieve patiënten hadden op dag 28 een snelle virologische respons (RVR) bereikt, wat qua percentage vergelijkbaar was met de behandelingsnaïeve individuen.
• Eerdere partiële responders en nul-responders hadden hetzelfde percentage van respons en doorbraak in alle dosisgroepen.
• BI201335 werd over het algemeen goed verdragen, zowel in de behandelingsnaïeve groepen als bij de reeds eerder behandelde patiënten.
• Het merendeel van de bijwerkingen was mild tot matig, niet afhankelijk van de dosis en niet gerelateerd met BI201335.
• 4 patiënten ervaarden een milde huiduitslag of lichtgevoeligheid.
• Een milde verhoging van ongeconjugeerde bilirubine was de enige dosisafhankelijke laboratoriumafwijking.
• Er werd geen hemolyse gemeld (vernietiging van bloedcellen die leidt tot bloedarmoede) en er waren ook geen levergerelateerde ‘punten tot bezorgdheid’.
“BI201335, gecombineerd met gepegyleerde Interferon/Ribavirine, werd goed verdragen en veroorzaakte een sterke antivirale respons”, concludeerden de auteurs van de studie. “Deze resultaten ondersteunen de verdere ontwikkeling van BI201335 voor HCV patiënten met genotype 1″. “BI201335 veroorzaakte een snelle, dosisafhankelijke afname van plasma HCV-RNA van meer dan 2 log bij alle patiënten”, werkten ze uit in de discussie. “Binnen 2 tot 3 dagen na de eerste toediening was er reeds een maximale daling van de virale lading ten opzichte van de uitgangssituatie”. “De omvang van de daling van de virale lading was vergelijkbaar met die van andere, zeer krachtige proteaseremmers in ontwikkeling”, voegden ze eraan toe, “maar in deze studie werd dit resultaat wel bereikt met één dosering per dag, in vergelijking met 3 dagelijkse doseringen van Boceprevir of Telaprevirâ€.
Het hoge tempo van de snelle virale doorbraak tijdens de monotherapiefase onderstreept echter het belang van de combinatietherapie met gepegyleerde Interferon/Ribavirine, of met volledig orale behandelingen, met andere direct werkende middelen, die de HCV polymerase of andere virale doelen remmen. De onderzoekers merkten op dat deze varianten ook gezien werden bij andere HCV proteaseremmers, inclusief Boceprevir, Telaprevir, RG7227 (a.k.a. ITMN-191) en TMC-435. “Daarom leiden ze waarschijnlijk tot kruisresistentie, en uiteindelijk tot een virologische doorbraak, in het geval van een combinatietherapie of van een sequentiële behandeling met verschillende verbindingen van deze klasse”.
Onderzoekers rapporteerden gegevens uit latere, grotere studies, van BI201335 plus gepegyleerde Interferon/Ribavirine, bij behandelingsnaïeve en behandelingservaren deelnemers (SILENC-1 en SILENC-2), tijdens het Internationale Lever Congres van de Europese Vereniging voor de Studie van de Lever (EASL 2011) dit voorjaar in Berlijn.
GEHUMANISEERDE MUIZEN ZULLEN HCV BEHANDELINGSPOGINGEN VERBETEREN.
Originele titel: Humanized Mouse Will Improve HCV Treatment Efforts
Bron: www.hepatitis-central.com, 13 juni 2011
Onderzoekers hebben een gehumaniseerde muis gecreëerd met een volledig functionerend immuunsysteem, waardoor het makkelijker zal worden om toekomstige hepatitis C medicijnen te testen en om dit uitdagende virus te bestuderen.
Eerste genetisch gehumaniseerd muismodel voor Hepatitis C ontwikkeld.
Wetenschappers van de Rockefeller Universiteit en het Scripps Research Institute hebben het eerste gehumaniseerd muismodel voor hepatitis C gecreëerd. Dit zal het voor de onderzoekers mogelijk maken om molecules te testen die de toegang tot cellen blokkeren voor het hepatitis C virus, evenals potentiële kandidaat-vaccins.
Hoewel het hepatitis C virus chimpansees en mensen kan infecteren, waren wetenschappers nog niet in staat om de voortgang van de levenscyclus van het virus of zijn mogelijke behandelingen te bestuderen bij kleine diermodellen. Het nieuwe muismodel is het eerste exemplaar dat ontwikkeld kon worden met een volledig functionerend immuunsysteem. “Ons genetisch gehumaniseerd muismodel voor hepatitis C zal ons toelaten om dieper inzicht te krijgen in de biologie van deze belangrijke ziekteverwekkerâ€, zegt senior auteur Alexander Ploss, assistent professor aan de Rockefeller Universiteit. “Dit robuuste kleine diermodel heeft ook het potentieel om een belangrijke rol te spelen bij het testen en het prioretiseren van kandidaat-medicijnen en kandidaat-vaccins. De resultaten van deze testen kunnen mogelijk duurdere preklinische en klinische studies leiden bij organismen van een hogere orde, inclusief de mensâ€, zei hij. Deze bevinding werd vermeld in het nummer van 9 juni 2011 van het tijdschrift Nature.
Top
NEUSBLOEDINGEN EN HEPATITIS C.
Originele titel: Nosebleeds and Hepatitis C
Bron: www.hepatitis-central.com, 16 juni 2011
Iedereen krijgt een occasionele bloedneus, maar mensen met hepatitis C kunnen er niet alleen meer vatbaar voor worden – ze moeten zich ook bewust zijn van de mogelijkheden voor het verspreiden van hun besmettelijk hepatitis C virus.
Gezien de kans op het doorgeven van het hepatitis C virus, kan het blootstellen van anderen aan geïnfecteerd bloed een bron van grote ongerustheid zijn voor personen met deze besmettelijke ziekte. Voor degenen die niet deelnemen aan activiteiten met een hoog risico – zoals het delen van intraveneuze drugsapparatuur – kan er zich soms toch een blootstelling aan besmet bloed voordoen. Bij een neusbloeding bestaat de mogelijkheid dat iedereen in de nabije omgeving blootgesteld wordt aan besmet bloed. Patiënten met geavanceerde hepatitis C lijken gevoeliger te zijn voor neusbloedingen, wat de zaken nog compliceert. De kennis over de manier waarop neusbloedingen voorkomen kunnen worden, en hoe ze gestopt kunnen worden van zodra ze beginnen, kan mensen die het hepatitis C virus hebben veel minder zorgelijk maken.
Epistaxis, beter bekend als een bloedneus, kan eng zijn. Neusbloedingen gebeuren om verschillende redenen, zoals:
• het wonen op grote hoogten of hoog gelegen gebieden bezoeken
• een koud en droog klimaat
• de blootstelling aan rook
• geraakt worden op de neus
• hard niezen of de neus snuiten
• een hoge bloeddruk
• een abnormale structuur in de neus (zoals een nasale poliep)
• stoornissen in de bloedplaatjes
Bij één of meer van deze oorzaken treden neusbloedingen vaker op dan normaal.
Ongeveer 90 procent van de neusbloedingen ontstaat op een plaats binnen in de neus, dat het gebied van Kasselbach genoemd wordt, en dat gelegen is op het voorste en het onderste deel van het middelste neusbot. Dit gebied is gevoelig voor neusbloedingen om verschillende redenen:
• Vier slagaders kruisen hier.
• Het snuiten van de neus verhoogt de hoeveelheid bloed in dit gebied.
• Dit gebied wordt uitgerekt door over de neus te wrijven of het wordt gekrabd met een vinger of een doekje bij jeuk aan de neus.
• Dit gebied is de droogste plaats in de neus, omdat de lucht van buiten de neus op deze plaats binnenkomt en het water daar uit het weefsel verwijdert.
De slijmige voering in het gebied van Kasselbach kan zo gemakkelijker barsten of open scheuren, wat resulteert in een bloedneus.
Personen met geavanceerde hepatitis C zijn vooral gevoelig voor frequente en ernstige neusbloedingen vanwege de leverschade die ze opgelopen kunnen hebben. Eén van de vele verantwoordelijkheden van de lever is het produceren van factoren die nodig zijn voor de bloedstolling. Omdat een lever met verminderde functies minder goed in staat is om deze bloedstollingsfactoren te produceren, hebben deze patiënten meer kans om een bloedneus te krijgen en kan het langer duren voor het bloeden stopt.
Men kan niet altijd een bloedneus voorkomen, maar de volgende stappen kunnen neusbloedingen wel helpen verminderen:
• Open de mond om te niezen zodat de lucht kan ontsnappen via de mond in plaats van langs de neus.
• Gebruik een luchtbevochtiger en smeer vaseline of olie met vitamine E op de binnenkant van de neus om het gebied van Kasselbach vochtig te houden.
• Vermijd neuspulken, het optillen van zware voorwerpen en spanningen tijdens de stoelgang.
• Werk samen met een arts om een hoge bloeddruk onder controle te houden.
Als de neus bloedt, is het stoppen van de bloedstroom een prioriteit, niet alleen om te voorkomen dat anderen blootgesteld worden aan het bloed, maar ook om een verlaging van de bloeddruk te voorkomen. Het eerste wat men moet beseffen tijdens een neusbloeding is dat men niet bang moet zijn. Vervolgens:
• Gaan zitten en naar voren leunen met de mond open. In deze positie kan men het bloed uitspuwen in plaats van het in te slikken – wat kan leiden tot misselijkheid en braken.
• Het zachte deel van de neus samenknijpen tussen duim en wijsvinger gedurende ten minste vijf minuten. Herhaal zo nodig tot het bloeden stopt.
• Leg verbrokkeld ijs of een soortgelijk ‘coldpack’ op de neus en de wangen.
• Frequente neusbloeders kunnen een poeder overwegen dat het bloeden vertraagt wanneer het met een speciaal doekje rechtstreeks aangebracht wordt op het neusgat.
• Zodra het bloeden stopt, niet aan de neus pulken of de neus snuiten, en inademen door de mond gedurende een korte tijd.
Omdat het bloed van iemand met hepatitis C het potentieel heeft om schadelijk te zijn voor anderen, helpen deze tips mensen met het virus om hun verantwoordelijkheid te nemen bij een neusbloeding:
• verzeker omstaanders dat men op de eigen neus kan drukken
• als er iemand is om te helpen, vraag dan om de benodigdheden te brengen (ijs, doekjes, washandje) – en een zak om de bevuilde overblijfselen weg te gooien
• was de handen grondig na een neusbloeding en reinig alle bloedresten met een oplossing met bleekwater of was ze in warm water en bleekmiddel
Ondanks het feit dat ze veel voorkomen, zijn neusbloedingen nooit welkom. Voor mensen met hepatitis C, is de kans op een bloedneus niet alleen groter dan normaal, maar een neusbloeding verhoogt ook de bezorgdheid om anderen bloot te stellen aan het virus. Door stappen te ondernemen om frequente neusbloedingen te voorkomen, om neusbloedingen te stoppen van zodra ze beginnen en om verantwoordelijkheid te nemen over de besmettelijkheid van hepatitis C, kunnen personen met het virus minder bang zijn voor een occasionele bloedneus.
DOODSOORZAKEN BIJ MENSEN MET HEPATITIS B EN C.
Originele titel: Causes of Death Among People with Hepatitis B and C
Bron: www.hivandhepatitis.com, 18 juni 2011
Het aantal sterfgevallen ten gevolge van de meeste levergerelateerde oorzaken daalde bij mensen met hepatitis B, en mensen met hepatitis C liepen minder kans om te overlijden als gevolg van drugsgerelateerde oorzaken, maar de mortaliteit te wijten aan hepato-cellulair carcinoom bleef stabiel, volgens een grote Australische studie. Co-infecties met HIV verhoogden het aantal sterfgevallen aanzienlijk.
Na verloop van tijd kunnen chronische hepatitis B (HBV) en hepatitis C (HCV) virusinfecties evolueren naar gevorderde leverziekten, met inbegrip van levensbedreigend leverfalen en hepato-cellulair carcinoom (HCC), een vorm van leverkanker. Deze virussen worden vaak doorgegeven via gedeeld injectiemateriaal voor drugs, en mensen met hepatitis B en C lopen daarom ook een verhoogd risico om te overlijden ten gevolge van drugsgerelateerde oorzaken, zoals een overdosis.
In een retrospectief onderzoek, dat beschreven werd in het Journal of Hepatology van 11 mei 2011, analyseerden Scott Walter en zijn collega’s de specifieke doodsoorzaken in een cohort van mensen met hepatitis B of C, om de toonaangevende doodsoorzaken te onderzoeken en om buitensporige risicogebieden te identificeren.
De auteurs van de studie bekeken medische dossiers van mensen met hepatitis B of C in New South Wales, Australië, tussen 1992 en 2006. New South Wales is de meest bevolkte staat van Australië, met bijna een derde van de totale bevolking.
Met behulp van gegevens uit de Notifiable Diseases Database (database van meldingsplichtige ziekten), stelden de onderzoekers de meest toonaangevende doodsoorzaken vast onder mensen met een HBV mono-infectie, een HCV mono-infectie, een HBV/HCV co-infectie, een HIV/HBV co-infectie, een HIV/HCV co-infectie en een HIV/HBV/HCV drievoudige infectie. De Australische wet verplicht immers de melding van HIV, HBV en HCV diagnoses, waardoor men een nauwkeurige beoordeling kan geven op basis van de populatie die met deze ziekten moet leven.
Een eerdere studie die op deze populatie gebaseerd was, stelde een grote toename van de overlijdens vast bij mensen met hepatitis B, en een alarmerende toename van de sterfgevallen bij mensen met hepatitis C. Het hoge HCV gerelateerde sterftecijfer werd grotendeels toegeschreven aan sterfgevallen als gevolg van drugsgerelateerde oorzaken, die zelfs veel hoger lagen dan de sterfgevallen veroorzaakt door een leverziekte. In de huidige studie breidden de onderzoekers hun eerdere werk uit, om de recente trends in HBV en HCV sterfgevallen te onderzoeken, evenals de invloed van co-infecties.
De studie onderzocht de medische dossiers van 128.726 patiënten:
• 82.034 mensen (63,7%) met een HCV mono-infectie
• 42.480 mensen (33%) met een HBV mono-infectie
• 3.285 mensen (2,6%) met een HBV/HCV co-infectie
• 269 mensen (0,2%) met een HIV/HBV co-infectie
• 620 mensen (0,5%) met een HIV/HCV co-infectie
• 38 mensen (< 0,1%) met een HIV/HBV/HCV drievoudige infectie
Het cohort bestond verder uit 60 procent mannen en 40% vrouwen. 90% van de mensen met HIV was mannelijk en ook 72% van de geco-infecteerden met HBV/HCV was mannelijk. Alle patiënten werden gediagnosticeerd met virale hepatitis tussen 1994 en 2002. Als een individu stierf binnen 6 maand na de diagnose, dan werd hij of zij uitgesloten van de analyse (1.367 personen).
Resultaten.
• In totaal stierven 6.201 mensen tussen 1992 en 2006, met wijd uiteenlopende sterftecijfers binnen de verschillende groepen:
• HCV mono-infectie: 6%
• HBV mono-infectie: 3%
• HBV/HCV co-infectie: 7%
• HIV/HBV co-infectie: 23%
• HIV/HCV co-infectie: 15%
• De belangrijkste doodsoorzaak in de HBV mono-geïnfecteerde groep was een gezwel (tumor), meestal HCC, gevolgd door longkanker en lymfoïde kanker.
• De rata van kanker lagen aanzienlijk hoger bij mensen met een HBV mono-infectie dan bij personen met een HCV mono-infectie.
• Mensen met HBV hadden aanzienlijk meer kans op HCC dan personen met HCV.
• In tegenstelling was de belangrijkste doodsoorzaak in de HCV mono-geïnfecteerde groep niet specifiek lever-gerelateerd: 72% van de sterfgevallen was het gevolg van een overdosis of van zelfmoord.
• De rata van alle oorzaken van mortaliteit lagen aanzienlijk hoger in de HCV mono-geïnfecteerde groep dan in de HBV mono-geïnfecteerde groep.
• Rekening houdend met leeftijd en geslacht, hadden mensen met een HCV mono-infectie een 2,5 maal hoger sterftecijfer in vergelijking met de totale bevolking van New South Wales.
• In 2002 was het aantal drugsgerelateerde sterfgevallen onder mensen met HCV echter ongeveer de helft van wat gezien werd vóór 2000, en deze rata bleven sindsdien laag en stabiel.
• Tussen 2002 en 2006 waren de drugsgerelateerde sterfgevallen van mensen met HCV aanzienlijk lager dan het cijfer dat gerapporteerd werd tijdens de periode van 1997 tot 2001.
• Voor vrouwen met HBV of HCV lagen de risico’s op overlijden ten gevolge van drugsgerelateerde oorzaken, en vooral van leverziekten, aanzienlijk hoger dan voor mannen.
• De percentages van levergerelateerde sterfgevallen verhoogden met de leeftijd, zowel in de mono-geïnfecteerde groep van HBV als in de HCV mono-geïnfecteerde groep.
• Bij de mensen met een HBV/HCV co-infectie lagen de rata van alle doodsoorzaken aanzienlijk hoger dan bij de mensen met een HBV of een HCV mono-infectie.
• In vergelijking met de totale bevolking van New South Wales lag het sterftecijfer voor mensen met een co-infectie (HBV/HCV, HIV/HBV of HIV/HCV) 4 tot 24 maal hoger.
• Ook mensen met een HIV co-infectie liepen een aanzienlijk hoger risico op overlijden in vergelijking met andere besmette groepen:
• Personen met een HIV/HBV co-infectie kenden een sterftecijfer dat 10 keer hoger lag dan bij de mensen met een HBV mono-infectie.
• Mensen met een HIV/HCV co-infectie liepen ten minste 3 keer meer kans om te sterven dan hun tegenhangers met een HCV mono-infectie.
• De meeste sterfgevallen onder HIV/HBV en HIV/HCV geco-infecteerde mensen waren gerelateerd aan HIV (respectievelijk 70% en 61%).
• Personen met een driedubbele HIV/HBV/HCV infectie hadden verreweg het hoogste overlijdenspercentage ten gevolge van allerlei oorzaken.
Bij de bespreking van hun analyse beschreven de onderzoekers het aanbod en de zuiverheid van de opiaten die bijgedragen hebben tot drugsgerelateerde overlijdens, en specifiek het tekort aan en de hogere prijs van heroïne eind 2000 en begin 2001. De daling van de aanvoer van heroïne en de hoge prijs werden gecrediteerd met minder drugsgerelateerde overlijdens in die periode. De onderzoekers merkten echter op:
“Onze studie vond dat de rata van drugsgerelateerde overlijdens laag gebleven zijn van 2002 tot en met 2006 i.p.v. terug te keren naar de niveaus van de periode voor 2001″.
“Interventies met een breder bereik, zoals de NSPs (= needle and syringe exchange programs) (programma’s voor uitwisseling van naalden en spuiten) en de campagnes voor schadevermindering via die NSPs, kunnen ook bijgedragen hebben tot het behoud van de verbeterde drugsgerelateerde sterfte sinds 2001 bij degenen die ook geïnfecteerd zijn met HCV”, gingen ze verder.
Bovendien schreven ze:
“De gematigde daling van het sterftecijfer ten gevolge van andere leverziekten dan HCC bij mensen met een HBV mono-infectie, en de daling van de leeftijdsspecifieke rata van levergerelateerde sterfgevallen in jongere cohorten, suggereren dat de verbeterde antivirale HBV therapieën het risico op overlijden ten gevolge van gedecompenseerde cirrose verminderd hebben”.
De auteurs suggereerden dat de beschikbaarheid van antivirale middelen voor de behandeling van hepatitis B ook bijgedragen kan hebben tot de vermindering van hepato-cellulair carcinoom, hoewel dit feit geen statistische betekenis bereikte:
“De studie identificeerde een positieve trend in niet-HCC levergerelateerde sterfgevallen bij degenen die besmet zijn met HBV, wat consistent is met de verbeteringen van de HBV behandelingen en met de opname”.
Helaas kreeg gepegyleerde Interferon slechts een licentie in Australië in 2006, dus de meeste mensen met hepatitis C werden ofwel niet behandeld, ofwel kregen ze driemaal per week conventionele Interferon plus Ribavirine. Het gebrek aan de meest recente behandelingen – die nu direct werkende antivirale middelen omvatten, evenals gepegyleerde Interferon/Ribavirine – kan bijgedragen hebben tot de hoge rata van overlijdens onder de patiënten met HCV.
VERTEX PATENTEERT HCV PROTEASEREMMERS VAN ALIOS.
Originele titel: Vertex Licenses Alios HCV Protease Inhibitors
Bron: www.hivandhepatitis.com, 18 juni 2011
Vertex Pharmaceuticals en Alios BioPharma zijn overeengekomen om samen te werken voor de ontwikkeling van 2 nieuwe nucleotide analoge HCV NS5B polymeraseremmers. Deze kandidaat-medicijnen bevinden zich momenteel in het preklinische stadium.
Hieronder volgt een bewerkt fragment uit een recent persbericht van Vertex met een beschrijving van de licentie-overeenkomst.
Vertex Pharmaceuticals Incorporated (Nasdaq: VRTX) en Alios BioPharma Inc. kondigden vandaag een exclusieve, wereldwijde licentie-overeenkomst aan, die twee verschillende nucleotide analogen zal toevoegen aan de hepatitis C portfolio van Vertex. De componenten, die door Alios ontdekt werden en die ALS-2200 en ALS-2158 genoemd werden, hebben tijdens ‘in vitro’ studies aangetoond dat ze krachtige remmers zijn van de polymerase van het hepatitis C virus (HCV), een essentieel enzyme voor de replicatie van het virus. De toevoeging van deze componenten biedt Vertex meerdere mogelijkheden om nieuwe, potentiële, en volledig orale combinatieregimes te ontwikkelen voor chronische hepatitis C. Vertex verwacht dat ALS-2200 en ALS-2158 later dit jaar in klinische ontwikkeling zullen gaan.
“We zijn verheugd dat we kunnen beginnen samenwerken met Vertex, want we zijn van mening dat de nucleotide analogen van Alios een belangrijke kans bieden om de patiëntenzorg voor hepatitis C te verbeteren”, zei Lawrence M. Blatt, PhD, oprichter en Chief Executive Officer van Alios BioPharma.
“Reeds gedurende meer dan een decennium is Vertex een leider in de ontwikkeling van nieuwe benaderingen voor de behandeling van hepatitis C, en samen hebben we de mogelijkheden om een volledig orale, Interferon-vrije combinatietherapie te creëren, die voor de patiënten de veiligheid, de werkzaamheid en het gemak van toediening zou kunnen verbeteren. We kijken uit naar de start van de klinische ontwikkeling later dit jaar”.
“De recente goedkeuring van Telaprevir was een mijlpaal in de hepatitis C zorg, en de aankondiging van vandaag onderstreept onze toewijding op lange termijn voor de verdere verbetering van de behandeling van deze ziekte met nieuwe combinaties van geneesmiddelen”, zei Peter Mueller, PhD, Chief Scientific Officer en Executive Vice President van de afdeling Global Research and Development bij Vertex.
“Alios heeft anti-HCV nucleotiden ontdekt die mogelijk toonaangevende agenten tegen hepatitis C kunnen zijn. Gebaseerd op indrukwekkende in-vitro gegevens, kijken we uit naar de evaluatie van ALS-2200 en ALS-2158 samen, én in combinatie met onze erkende en experimentele hepatitis C geneesmiddelen, met als doel de creatie van een zeer krachtig, volledig oraal regime in de komende jarenâ€.
Over ALS-2200 en ALS-2158.
ALS-2200 en ALS-2158, momenteel in preklinische ontwikkeling, zijn twee zeer krachtige nucleotide analogen, die in-vitro en in niet-klinische studies een hoge barrière weergegeven hebben voor geneesmiddelenresistentie, evenals de potentie om eenmaal per dag gedoseerd te worden. Beide verbindingen zijn ontworpen voor de remming van de replicatie van het hepatitis C virus, door in te spelen op de NS5B polymerase. Elke verbinding heeft een eigen, uniek actiemechanisme, dat de mogelijkheid ondersteunt om deze verbindingen samen te ontwikkelen, als een dubbel nucleotide regime, én ook als onderdeel van een combinatietherapie met andere goedgekeurde en experimentele Hep C geneesmiddelen van Vertex, met inbegrip van Telaprevir, een door de FDA goedgekeurde hepatitis C proteaseremmer, en van VX-222, een experimentele, niet-nucleoside hepatitis C polymeraseremmer. Gegevens uit in-vitro onderzoeken toonden aan dat ALS-2200 en ALS-2158 een synergetisch effect hadden wanneer ze samen gecombineerd werden, én ook samen met Telaprevir en VX-222. Bovendien vertoonden beide verbindingen in deze in-vitro studies een antivirale activiteit bij alle genotypes of vormen van het hepatitis C virus, met inbegrip van genotypes die vaker buiten de VS voorkomen. Pan-genotypische verbindingen voor hepatitis C kunnen gebruikt worden voor een breed scala van wereldwijde hepatitis C patiënten.
Als onderdeel van deze overeenkomst krijgt Vertex de wereldwijde rechten van beide componenten, wat het bedrijf in staat stelt om zijn ontwikkeling en zijn commercialisering in de komende jaren potentieel uit te breiden naar gebieden buiten Noord-Amerika. De overeenkomst bevat ook een onderzoeksprogramma, dat zich zal richten op de ontdekking van bijkomende nucleotide analogen die inwerken op de hepatitis C polymerase. Vertex zal de optie hebben om verbindingen te selecteren uit dit onderzoeksprogramma voor hun verdere ontwikkeling.
Toekomstige ontwikkelingsplannen.
Alios en Vertex willen starten met de klinische ontwikkeling van elke stof in het vierde kwartaal van 2011, wat naar verwachting ook studies zal inhouden over de verbindingen bij gezonde vrijwilligers, gevolgd door korte veiligheidsonderzoeken en virale kinetische studies bij mensen met hepatitis C. Het doel van de eerste klinische studies van deze verbindingen is het genereren van gegevens voor de initiatie van Fase II studies tegen het einde van 2012. Deze Fase II studies zullen waarschijnlijk meerdere combinatieregimes evalueren van ALS-2200, ALS-2158, Incivek en VX-222. Deze combinatiestudies zullen opgezet worden om nieuwe gegevens te genereren over de aanhoudende virologische respons (SVR of virale genezing). Aanvullende details over het klinische ontwikkelingsprogramma van ALS-2200 en ALS-2158 zullen later in 2011 verstrekt worden, bij de opening van de eerste klinische studie.
SITGES VERGADERING BESPREEKT EUROPESE TOEGANG TOT NIEUWE HEPATITIS C MEDICIJNEN.
Originele titel: Sitges Meeting Discusses European Access to New Hepatitis C Drugs
Bron: www.hivandhepatitis.com, 18 juni 2011
Gemeenschapsactivisten, onderzoekers en regelgevende en farmaceutische vertegenwoordigers zijn deze maand bijeengekomen in Sitges, Spanje, om de vroege en uitgebreide toegang te bespreken tot direct werkende antivirale middelen voor hepatitis C, vooral met het oog op moeilijk te behandelen patiënten, met inbegrip van personen met een HIV/HCV co-infectie en cirrose.
Hieronder vindt u de bewerkte tekst van een aankondiging van de deelnemende gemeenschapsorganisaties met een beschrijving van de vergadering en de resultaten ervan.
Meer dan 50 gemeenschapsactivisten, onderzoekers, clinici, farmaceutische vertegenwoordigers en vertegenwoordigers van regelgevende instanties ontmoetten elkaar tussen 3 en 5 juni in Sitges, Spanje, voor de bespreking van een vroege en uitgebreide toegang tot de nieuwe ‘direct werkende antivirale middelen’ (DAAs / direct-acting Antiviral drugs) voor mensen met hepatitis C.
De bijeenkomst werd georganiseerd door de Adviserende Raad van de Europese Gemeenschap (ECAB / European Community Advisory Board) van de Europese AIDS Behandelingsgroep (EATG / European AIDS Treatment Group / www.eatg.org). Ook andere maatschappelijke groeperingen uit het werkgebied van hepatitis C waren vertegenwoordigd: de Adviserende Raad van de Hepatitis Gemeenschap (HCAB / Hepatitis Community Advisory Board), de Europese Vereniging voor Leverpatiënten (ELPA / European Liver Patients Association) en de Wereld Hepatitis Alliantie (WHA / World Hepatitis Alliance). Verder waren nog aanwezig: Groupe Inter-Associatif “Traitements et Recherche Thérapeutique” (TRT-5), Collectif Hépatites Virales-CHV, Foro Español de Activistas en Tratamientos (FEAT) en Treatment Action Group (TAG).
Direct werkende antivirale middelen zullen een revolutie veroorzaken in de behandeling van chronische hepatitis C. Ze bieden hogere genezingsrata en mogelijk kortere therapieën. Veel mensen hebben echter geen toegang tot deze geneesmiddelen tot op het moment dat ze goedgekeurd zijn, ongeacht de urgentie van hun toestand. De eerste twee DAAs, Boceprevir en Telaprevir, werden onlangs goedgekeurd door de Amerikaanse Food and Drug Administration en ze wachten op de goedkeuring van het Europees Geneesmiddelenbureau, wat waarschijnlijk zal gebeuren tegen het einde van dit jaar. De beide medicijnen zijn geïndiceerd voor gebruik in combinatie met gepegyleerde Interferon plus Ribavirine (de huidige standaardzorg), maar volledig orale, Interferon-vrije regimes worden momenteel ook bestudeerd. Dit laatste aanbod geeft hoop voor mensen die geen Interferon tolereren of die het niet veilig kunnen gebruiken.
De deelnemers aan de vergadering benadrukten de noodzaak van een vroege toegang voor ‘moeilijk te behandelen’ patiënten, waaronder personen met medische complicaties, zoals een HIV/HCV co-infectie of levercirrose, mensen die een levertransplantatie ondergaan hebben of die momenteel op de wachtlijst staan, of personen in gemarginaliseerde groepen zoals drugsgebruikers. Ze benadrukten in het bijzonder de toegang tot Interferon-vrije regimes voor mensen die deze therapieën nodig hebben. De meest dringende nood ligt bij mensen met een gevorderde ziekte die geen andere behandelingsopties hebben en die niet kunnen wachten op de volledige goedkeuring van de nieuwe therapieën.
Leden van de Europese Gemeenschap hebben onderzoekers en farmaceutische bedrijven gevraagd om toegang te verlenen aan moeilijk te behandelen populaties, parallel met de klinische proeven van Fase III, en ze vroegen ook ondersteuning van regelgevende agentschappen. Ze willen een harmonisatie van de vroege toegangsregelingen en van de leveringssystemen, die momenteel sterk uiteenlopen tussen de Europese landen, en ze hebben opgeroepen tot duidelijkere en coherentere EU-regels. De bedrijven moeten de medicijnen kosteloos verstrekken tijdens de vroege toegang, ongeacht het feit dat sommige landen (bijvoorbeeld Frankrijk) op dit moment moeten betalen. Communautaire belanghebbenden moeten betrokken worden bij de besluitvorming op alle niveaus.
Het is essentieel om de farmaco-kinetiek, de veiligheid en de werkzaamheid te bestuderen bij een brede waaier van groepen die deze medicamenten werkelijk in de praktijk zullen gebruiken. Nieuwe DAAs moeten geëvalueerd worden voor medicijneninteracties met HIV anti-retrovirale agenten, met substitutietherapieën voor opiaten (methadon en buprenorfine), met afweeronderdrukkers, met antidepressiva en met andere medicijnen die veel gebruikt worden door mensen met hepatitis C.
Onderzoekers en bedrijven werden aangemaand om hun studiegegevens mee te delen van zodra ze beschikbaar zijn. De industrie werd ook gevraagd om leden van de gemeenschap te betrekken bij de ontwikkeling van een robuust geïnformeerd toestemmingsproces en bij gegevens- en veiligheidsraden om toe te zien op lopende proeven.
Momenteel is de EATG van plan om sommige regelgevende agentschappen te ontmoeten in Europa (Frankrijk, Spanje, Italië en anderen), om een mogelijke harmonisatie te bespreken van verordeningen en ontwikkelingen van de beste praktijken op gebied van vroege en uitgebreide toegang tot de programma’s. Verder zal de EATG ook de kwestie van de prijzen volgen op het niveau van het Europarlement.
BEHEER UW HEP C LEEFSTIJL: HERWIN UW ‘SEX APPEAL’!
Originele titel: Hepatitis C Lifestyle Management: Get Your Sexy Back
Bron: www.hepatitis-central.com, 24 juni 2011
Seksuele activiteit herbergt enorme voordelen voor patiënten die vechten tegen een chronische ziekte. Daarom kunnen deze zes tips u helpen om u weer ‘sexy’ te voelen, en ze brengen ook verbetering in de manier waarop uw lichaam omgaat met het hepatitis C virus.
Veel onderzoek heeft aangetoond dat regelmatige, aangename seks goed is voor uw gezondheid. Terwijl deze informatie goed klinkt, is ze nutteloos als u niet in een seksuele stemming bent. Verlies van libido (seksuele begeerte) is helaas een veel voorkomend probleem voor personen met het hepatitis C virus (HCV). Ook al zijn er verschillende gedocumenteerde fysieke en emotionele obstakels, die potentieel kunnen interfereren met het seksleven van iemand met chronische hepatitis C, toch ligt een sexy gevoel binnen het bereik van de meeste mensen. Zich identificeren als een seksueel wezen kan op zich een verbetering van de gezondheid bevorderen; en een consequent sexy gevoel gaat zelfs vaak samen met een aanzienlijke verbetering van iemands seksleven.
Van de miljoenen mensen die besmet zijn met HCV, hebben velen een verminderde interesse in seks. Vier van de meest waarschijnlijke redenen voor deze associatie omvatten:
• Depressie: Het is bekend dat een depressie schade kan toebrengen aan de seksuele drang, en klinische studies tonen aan dat depressies aanzienlijk meer voorkomen bij patiënten die besmet zijn met HCV, in vergelijking met de algemene bevolking.
• Vermoeidheid: Personen met uitgesproken vermoeidheid hebben weinig tot geen energie voor seks. Chronische vermoeidheid, het meest gerapporteerde symptoom van een hepatitis C infectie, beïnvloedt tussen 65 en 75 procent van de patiënten die gediagnosticeerd zijn met deze ziekte.
• Hormonen: De meeste vormen van chronische leverziekten (met inbegrip van hepatitis C) kunnen de hormoonniveaus wijzigen, waardoor een chemische basis gecreëerd wordt voor verlies van libido.
• Medicijnen: De medicijnen die gebruikt worden voor de behandeling van hepatitis C veroorzaken een verminderd libido, dat is bekend, maar de zin in seks keert echter meestal wel terug na de stopzetting van de behandeling.
De oorzaken voor de lage zin in seks die hierboven vermeld worden, lijken onoverkomelijk zonder de hulp van een arts. Terwijl een arts u kan helpen om sommige van deze belemmeringen te overwinnen, zijn seksuele gezondheidsdeskundigen van mening dat ook het feit dat u uw lichaam naar een goed gevoel kan sturen, en uw geest naar een sexy gevoel, een positief effect kan hebben op het libido.
Regelmatige, aangename seks wordt in verband gebracht met verschillende voordelen voor de gezondheid, voordelen die toegejuicht kunnen worden door iedereen die aan hepatitis C lijdt. Een paar van die voordelen omvatten:
• Verlichting van pijn en verbeterde stemming: Seksuele opwinding en orgasmen zijn bekend om hun verhoging van endorfines, hormonen die van nature door het lichaam geproduceerd worden, en die pijn helpen verzachten én een goed gevoel geven.
• Verbeterde immuniteit: Seks verhoogt de niveaus van immunoglobuline A (IgA), een celeiwit dat vecht tegen virale infecties. In Pennsylvania bleek uit een studie dat studenten, met seksuele activiteiten één of twee keer per week, 30 procent hogere niveaus van lgA hadden dan abstinente studenten.
De zes hieronder voorgestelde manieren kunnen uw ‘sex appeal’ terugbrengen, zonder raadpleging van een arts:
• Sport regelmatig: Omdat het bloed naar de juiste plaatsen moet vloeien, is uw seksuele opwinding gedeeltelijk afhankelijk van uw cardiovasculair systeem. Regelmatige ‘aerobic’ oefeningen voorzien in de ideale garantie voor uw cardiovasculaire gezondheid, aangezien ze het hart laten pompen en het bloed laten stromen, en ze bieden de mogelijkheid om uw energieniveaus te verbeteren.
• Blijf van de sigaretten: Van het roken van sigaretten is bekend dat het afbreuk doet aan het cardiovasculair systeem. Volgens Panayiotis M. Zavos, PhD, directeur van het Andrology Institute of America, en professor in de reproductieve fysiologie en andrologie aan de Universiteit van Kentucky in Lexington, heeft roken een direct, negatief effect op de seksualiteit van een man, op elk gebied.
• Sluit vrede met de onvolkomenheden van uw lichaam: Uit een enquête in Health Magazine bleek dat een negatief imago van het lichaam hét seksuele probleem nummer 1 is voor vrouwen. Volgens Patti Britton, PhD, een klinische seksuoloog, en auteur van ‘The Art of Sex Coaching’, worden mannen ook beïnvloed door problemen i.v.m. hun lichaamsbeeld. Opdat men zich sexy zou voelen, leert Dr. Britton het belang aan van het aanvaarden en het waarderen van de waarneembare onvolkomenheden van het lichaam.
• Communiceer met uw partner: Partners met een bevredigend seksleven spreken met elkaar, door hun verlangens te uiten, door te beschrijven wat hen een goed gevoel geeft, en door positieve feedback te geven over wat hun partner goed doet. Voorkom kritisch zijn, ongerust zijn of het bespreken van negatieve kwesties tijdens seks.
• Denk na over seks en leer er iets over: Respecteer uw hersenen als één van de belangrijkste geslachtsorganen. Als het gaat om seksuele fantasieën en verlangens, denk er dan met opzet vaak over na, schrijf ze op en deel ze met uw partner. Lees sexy boeken of richtlijnen om u nieuwe ideeën te geven over de verbetering of de variatie van uw seksuele repertoire.
• Bouw uw vertrouwen op: Om een ‘sexy’ gevoel te kunnen hebben, is zelfvertrouwen een must. Oefen uw manier van stappen om vertrouwen te portretteren, trakteer uzelf op een nieuw kapsel of op een nieuwe outfit waarin u zich vertrouwelijk voelt, en herinner uzelf voortdurend aan alle redenen waarom u sexy bent.
Terwijl seksueel disfunctioneren ten gevolge van HCV een lichamelijk probleem zou kunnen zijn, dat onder leiding van een arts verbeterd kan worden, is zich ‘sexy voelen’ voornamelijk een gemoedsgesteldheid. De cardiovasculaire gezondheid verbeteren, de vertrouwensniveaus stimuleren, praten over seks en uw hersenen ‘sexualiseren’, dit kan allemaal uw libido verbeteren – wat een waterval veroorzaakt van gebeurtenissen waarvan volwassenen met chronische hepatitis C kunnen profiteren.
NANOGEL KAN LEIDEN TOT NIEUW HEP C VACCIN.
Originele titel: Nanogel Could Lead to Novel Hep C Vaccine
Bron: www.hepatitis-central.com, 8 juli 2011
Strevend naar het maken van een preventief vaccin tegen hepatitis C, zal een Europees project zich richten op ‘nanogels’.
HCVAX is een Europees samenwerkingsproject, dat een vaccin tegen hepatitis C wil ontwikkelen op basis van ‘nanotechnologie’. Het Duitse Helmholtz Centrum voor Infectieonderzoek (Helmholtz-Zentrum für Infektionsforschung, HZI) in Braunschweig, met zijn afdeling “Vaccintechnologie en Toegepaste Microbiologie”, is nu een onderdeel van het transnationale consortium, met onderzoekers uit Duitsland, Frankrijk en Zwitserland.
Meer dan 170 miljoen mensen zijn wereldwijd besmet met het hepatitis C virus (HCV). Ook in Europa is deze vorm van hepatitis een groot probleem, waardoor drie procent van de bevolking getroffen wordt. Het virus wordt overgedragen tijdens operaties, zoals transplantaties, of door het hergebruik van spuiten voor druggebruik. Antivirale behandelingen zijn erg duur, ze hebben ernstige bijwerkingen en ze zijn alleen effectief voor sommige patiënten. De patiënten dragen de besmetting voor de rest van hun leven mee, met de dreiging dat de ziekte zich later kan ontwikkelen tot levercirrose en kanker. De meest effectieve manier voor de bestrijding van hepatitis C zou een vaccin tegen het virus zijn – maar tot op heden bestaat er nog geen doeltreffend vaccin.
“We zullen een volledig nieuwe aanpak volgen voor de ontwikkeling van een HCV vaccin”, zegt Prof. Carlos A. Guzmán, hoofd van de afdeling Vaccintechnologie van het HZI.
Met de hulp van innovatieve, bio-compatibele nanogels, wordt een deel van de genetische informatie van het virus in het lichaam gebracht door zogenaamde ‘RNA replicaties’. De synthetische nanogels hebben een diameter van slechts enkele nanometers, en ze zijn samengesteld uit een matrix van bio-polymeer. Immuuncellen zullen de nanogels met de genetische informatie opnemen, en ze zullen onschadelijke componenten van HCV produceren. De immuuncel zal vervolgens reageren op deze vreemde structuren, en ze zal geheugencellen genereren. Hierdoor zou de inenting succesvol zijn, en van dan af zou men beschermd worden tegen een infectie met pathogeen HCV.
Met behulp van nieuwe medicijnversterkers, zogenaamde ‘hulpstoffen’, zal de immuunrespons efficiënter en doelgerichter zijn.
“Het HZI heeft een jarenlange expertise op dit gebied. We zullen deze kennis opnemen in het project voor de ontwikkeling van een doeltreffend vaccin”, zegt Guzmán.
“We willen vooral die hulpstoffen identificeren, die het meest in aanmerking komen om gebruikt te worden in een nanogel-samenstelling. Het gerichte vervoer naar bepaalde defensiecellen zal een optimale immuunrespons waarborgen”.
Om bijwerkingen uit te sluiten, moeten potentiële vaccin-kandidaten getest worden in verschillende systemen. Veelbelovende structuren zullen dan geselecteerd worden voor verdere klinische ontwikkeling.
Het consortium bestaat uit twee bedrijven, drie academische instellingen en een kliniek. Ze combineren hun expertise op het gebied van nanotechnologie, biochemie, immunologie, vaccinontwikkeling en klinisch onderzoek.
“We verwachten dat deze nieuwe vaccinatiestrategieën later uitgebreid kunnen worden naar de klinische behandeling van andere ziekten”, zegt Guzmán.
Het ‘EuroNanoMed Joint Transnational Initiative’ van de Europese Unie heeft de financiering verleend voor de komende drie jaar. Het Duitse Ministerie voor Onderzoek en Onderwijs financiert het project in Duitsland.
Partners: Federal Department of Economic Affairs (Eidgenössisches Volkswirtschaftsdepartement), Mittelhäusern, Zwitserland (coördinator), Medipol SA, Lausanne, Zwitserland, Institut Pasteur, Parijs, Frankrijk, Helmholtz Centre for Infection Research (Helmholtz-Zentrum für Infektionsforschung GmbH), Braunschweig, Duitsland, EDI GmbH, Reutlingen, Duitsland, Hôpital Cochin, Parijs, Frankrijk.
TWEE FARMACEUTISCHE BEDRIJVEN VERENIGEN ZICH VOOR VOLLEDIG ORAAL HCV REGIME.
Originele titel: Two Drug Companies Unite for All-Oral Hep C Regimen
Bron: www.hepatitis-central.com, 8 juli 2011
Gefocust op een volledig orale behandeling, werken Pharmasset en Tibotec samen voor de vereenvoudiging en de verbetering van de behandeling van hepatitis C.
Pharmasset (NASDAQ:VRUS) rapporteerde woensdag dat het een samenwerkingsovereenkomst ondertekende met het farmaceutisch bedrijf Tibotec, een eenheid van Johnson & Johnson (NYSE:JNJ), voor het uitvoeren van klinische proeven om een volledig orale behandeling te ontwikkelen voor hepatitis C.
De studie, die gepland is om later dit jaar te beginnen, zal het potentieel beoordelen van het medicijn PSI-7977 van Pharmasset, in combinatie met TMC435 van Tibotec, om 12 weken na de behandeling een ‘aanhoudende virologische respons’ te bereiken, bij patiënten die besmet zijn met hepatitis C.
Pharmasset, gevestigd in Princeton (New Jersey), zei dat de studie ook de veiligheid en de effecten zal beoordelen na 12 weken en na 24 weken van de gecombineerde behandeling. Sommige patiënten zullen naast PSI-7977 en TMC435 ook Ribavirine nemen.
De voorwaarden van de gezamenlijke overeenkomst werden niet genoemd in de verklaring.
“We zijn enthousiast over het feit dat we kunnen samenwerken met Tibotec voor de vereenvoudiging en de verbetering van de behandeling van hepatitis”, zei Bill Symonds, Senior Vicepresident van Pharmasset.
Eerder dit jaar kondigde Pharmasset haar samenwerking aan met Bristol-Myers Squibb (NYSE:BMY), om het medicijn van dat bedrijf te testen samen met haar eigen PSI-7977 voor de behandeling van het chronische hepatitis C virus.
Pharmasset zei dat PSI-7977 niet alleen bestudeerd wordt in combinatie met de kandidaten van Tibotec en Bristol-Myers Squibb, maar dat het ook geëvalueerd wordt met PSI-938, haar eigen nucleotide.
Hepatitis C is een besmettelijke ziekte die de lever aantast, en die veroorzaakt wordt door het Hep C virus (HCV). Een chronische infectie kan leiden tot verschillende complicaties, zoals littekens op de lever en leverkanker.
Top
HCV PROTEASEREMMER ACH-1625 START FASE II STUDIE.
Originele titel: ACH-1625 HCV Protease Inhibitor Starts Phase 2 Trial
Bron: www.hivandhepatitis.com, 9 juli 2011
Achillion Pharmaceuticals heeft onlangs aangekondigd dat de eerste patiënten begonnen zijn aan hun behandeling in een Fase II klinische proef met de experimentele HCV proteaseremmer ACH-1625 plus gepegyleerde Interferon en Ribavirine.
Hieronder volgt een bewerkt fragment uit een persbericht van Achillion, met een beschrijving van de studie.
Achillion Pharmaceuticals Inc. (Nasdaq: ACHN) kondigde vandaag (22 juni 2011) aan dat het bedrijf gestart is met de dosering van patiënten, in segment 2 van hun Fase II klinische proef met ACH-1625, voor de behandeling van het hepatitis C virus (HCV) van genotype 1, voor behandelingsnaïeve patiënten die met HCV geïnfecteerd zijn. ACH-1625, ontdekt en ontwikkeld door Achillion, is een krachtige, kleine-molecule remmer van de HCV protease, een enzyme dat noodzakelijk is voor de virale replicatie.
De klinische proef is gevorderd naar het tweede segment van een Fase II a, gerandomiseerde, dubbelblinde studie, voor de evaluatie van de veiligheid, de verdraagbaarheid en de antivirale activiteit van orale ACH-1625, in combinatie met de standaardzorg (SOC) die bestaat uit gepegyleerde Interferon alfa-2a en Ribavirine. De patiënten zullen willekeurig aangeduid worden om dagelijkse doses van 200 mg, 400 mg of 800 mg ACH-1625 te ontvangen, in combinatie met SOC, gedurende 12 weken. Daarna zullen de patiënten verdergaan met nog eens 12 weken gepegyleerde Interferon alfa-2a en Ribavirine. Ze zullen in aanmerking komen om hun behandeling te stoppen na week 24, als ze een uitgebreide snelle virologische respons (eRVR) bereikt hebben in week 12. Patiënten die geen eRVR bereiken, zullen SOC blijven innemen tot week 48.
De studie zal plaatsvinden in de Verenigde Staten en in Europa, en ze is ontworpen om ongeveer 60 HCV patiënten in te schrijven. De studieresultaten i.v.m. de volledige vroege virologische respons (cEVR) worden verwacht in het vierde kwartaal van 2011.
“De inleiding van het tweede segment van deze Fase II klinische proef, laat ons toe om voort te bouwen op de robuuste RVR resultaten die we met ACH-1625 reeds waargenomen hebben, en om de veiligheids- en de werkzaamheidsdatabase verder te vergroten, door van de gelegenheid gebruik te maken om meerdere doses van ACH-1625 te bestuderen”, zei Elizabeth A. Olek, DO, Vice President en Chief Medical Officer van Achillion.
“We verwachten dat de resultaten ons een belangrijk inzicht zullen geven in de activiteitscriteria van onze eenmaal dagelijks te gebruiken proteaseremmer, en we kijken ook uit naar de melding van de cEVR resultaten tegen het einde van dit jaar”.
“Dit volgende studiesegment met ACH-1625 is ook weer een andere belangrijke mijlpaal die bereikt wordt voor deze potentiële, eersteklas proteaseremmer, én voor de bredere HCV pijplijn van Achillion”, zei Michael D. Kishbauch, President en Chief Executive Officer van Achillion.
“Er moet ook aan herinnerd worden dat we, zeer onlangs, het begin van Fase I aangekondigd hebben van de hoog potentiële, pan-genotypische proteaseremmer ACH-2684 van Achillion. Met de aanstaande start van Fase I van onze eerste NS5A remmer, ACH-2928, blijft Achillion klaar om in de komende paar kwartalen een aantal klinische mijlpalen af te leveren, waarvan we geloven dat ze ons algemeen standpunt binnen de belangrijke en veelbelovende HCV markt aanzienlijk zullen verbeteren”.
GENVARIATIE GEKOPPELD AAN LEVERKANKER BIJ HEPATITIS C PATIËNTEN.
Originele titel: Gene Variation Linked to Liver Cancer in Hepatitis C Patients
Bron: www.hivandhepatitis.com, 9 juli 2011
Een genoom-brede associatiestudie, die keek naar meer dan 460.000 enkele nucleotidewijzigingen, heeft gevonden dat een variatie, in het DEPDC5-gen op chromosoom 22, geassocieerd is met een verhoogd risico op leverkanker bij mensen met hepatitis C.
Na jaren of decennia kan een chronische infectie met het hepatitis C virus (HCV) leiden tot ernstige leveraandoeningen, waaronder gevorderde cirrose en hepato-cellulair carcinoom (HCC), een vorm van primaire leverkanker.
In een studie, die beschreven werd in de online-editie van 3 juli 2011 van Nature Genetics, analyseerde Daiki Miki, samen met zijn collega’s van het RIKEN Instituut in Hiroshima, 467.538 enkele nucleotide polymorphismen of ‘SNP’s’ (variaties op één locatie van een gen), bij 212 Japanse chronische hepatitis C patiënten met HCC, en bij 765 personen zonder leverkanker. De onderzoekers identificeerden een intronisch SNP – rs1012068 – op de DEPDC5-locus van chromosoom 22, dat geassocieerd werd met verhoogde HCC risico’s. Vervolgens bevestigden ze deze associatie bij een populatie die bestond uit 710 mensen met HCC en 1.625 zonder, waarbij ze een uiterst belangrijke correlatie vonden.
“Onze bevindingen suggereren dat veel voorkomende varianten op de DEPDC5-locus van invloed zijn op de gevoeligheid voor HCC bij Japanse personen met een chronische HCV infectie”, besloten de auteurs van de studie. “Het begrip van de mechanismen die HCC veroorzaken, werd hierdoor verder uitgediept, en de ontdekking van de SNP op de DEPDC5-locus biedt ook een waardevolle doelstelling voor nieuwe therapietechnieken, wat een veelbelovende vooruitgang is in de lopende strijd om de overwinning van één van ‘s werelds meest dodelijke kankersâ€, volgens een persbericht dat uitgegeven werd door het RIKEN Instituut.
HEPATITIS A IMMUUNRESPONS HEEFT GEVOLGEN VOOR HEPATITIS C.
Originele titel: Hepatitis A Immune Response Has Implications for Hepatitis C
Bron: www.hivandhepatitis.com, 9 juli 2011
Het hepatitis A virus lijkt het immuunsysteem beter te kunnen ontwijken dan het hepatitis C virus, hoewel het slechts een korte-termijn ziekte veroorzaakt. De verschillen leren kennen tussen de virale dynamiek en de immuunrespons van HAV en HCV, kan nuttige informatie verstrekken voor de behandelingen.
Het hepatitis A virus (HAV) is een ‘picornavirus’, dat alleen een acute infectie veroorzaakt, omdat het immuunsysteem het virus kan elimineren zonder behandeling. Het hepatitis C virus (HCV) daarentegen is een ‘flavivirus’, dat vaak chronische infecties veroorzaakt. De belangrijkste gelijkenis tussen deze twee virussen is het feit dat ze zich beide op de lever richten.
Zoals beschreven in de uitgave van 5 juli 2011 van ‘Proceedings of the National Academy of Sciences USA’, vergeleek Robert Lanford van het Texas Biomedical Research Institute, samen met zijn collega’s, de virale activiteit en de immuunrespons van HAV en HCV bij chimpansees.
Hieronder volgt een bewerkt fragment uit een persbericht, dat uitgegeven werd door de Southwest Foundation for Biomedical Research, met een beschrijving van de studie en haar bevindingen.
Een verrassende bevinding, in een studie die hepatitis C virusinfecties (HCV) en hepatitis A virusinfecties (HAV) vergeleek bij chimpansees, werpt een nieuw licht op de aard van de immuunrespons van het lichaam op deze virussen. De studie werd uitgevoerd door een team van wetenschappers van het Texas Biomedical Research Institute.
Begrijpen op welke manier hepatitis C chronisch wordt, is zeer belangrijk: zo’n 200 miljoen mensen wereldwijd en 3,2 miljoen mensen in de VS zijn chronisch geïnfecteerd met HCV, en ze lopen het risico op progressies naar cirrose en leverkanker. Leverziekten die geassocieerd zijn met hepatitis C, zijn de meest voorkomende indicaties voor levertransplantaties, terwijl leverkanker ten gevolge van een HCV infectie momenteel de snelst toenemende doodsoorzaak van kanker is in de VS.
“Het is opmerkelijk dat we vonden dat HAV meer bedreven was in het omzeilen van de aangeboren immuunrespons dan HCV, het virus dat uiteindelijk chronische infecties veroorzaakt”, zei Robert E. Lanford, PhD, een viroloog van Texas Biomed. Uit de nieuwe bevindingen blijkt dat HAV het heimelijkste virus is wat betreft de omzeiling van de aangeboren immuunrespons, ondanks het ontbreken van persistente infecties.
Hepatitis C infecties worden gekenmerkt door het falen van het immuunsysteem bij de bestrijding en de eliminatie van het virus. “We vermoeden dat deze faling van het immuunsysteem ook kenmerken deelt met andere persistente virussen, zoals HIV en het hepatitis B virus”, zei Lanford. Door twee soortgelijke virussen (die de lever infecteren) te vergelijken, waarvan één (HAV) altijd uitgeschakeld wordt door het immuunsysteem, en waarvan het andere (HCV) vaak de immuunrespons ontwijkt, hoopte het team het mysterie te ontrafelen van de manier waarop HCV levenslange, persistente infecties veroorzaakt.
Het onderzoeksteam bestond uit wetenschappers van Biomed Texas in San Antonio, van de Universiteit van North Carolina (UNC) in Chapel Hill en van het Landelijk Kinderziekenhuis in Columbus, Ohio. De studie, die uitgevoerd werd bij chimpansees in het Southwest National Primate Research Center (SNPRC) van Texas Biomed, en die gefinancierd werd door de National Institutes of Health, werd vandaag (20 juni 2011) gepubliceerd in ‘Proceedings of the National Academy of Sciences USA’.
De nieuwe studie wijst op de essentiële noodzaak van meer informatie over de manier waarop het immuunsysteem reageert op HCV. Ze versterkt ook het belang van onderzoeken bij chimpansees. De chimpansee, het enige dierlijke model dat gevoelig is voor een HCV infectie, was van essentieel belang voor de peiling naar de moleculaire verschillen in genexpressies van de lever i.v.m. besmettingen door de twee virussen.
Onderzoek van het aangepaste immuunsysteem, door co-auteur Christopher M. Walker, PhD, van het Landelijk Kinderziekenhuis in Columbus, Ohio, vond dat de T-celreactie op HAV ook uniek was.
“We verwachtten dat de immuunrespons alle met HAV geïnfecteerde cellen zou doden in een kort tijdsbestek, en toch konden we het genoom van het virus detecteren in de lever gedurende maximaal één jaar, lang nadat de symptomen van de ziekte opgelost waren”, legde Lanford uit.
“Hepatitisvirussen zijn mee geëvolueerd met de mensen over een zeer lange periode van tijd, en ze zijn goed in het ontlopen van het immuunsysteem, maar niemand begrijpt hoe hepatitis C een chronische infectie wordt”, zei co-auteur Stanley M. Lemon, MD, van de UNC. “De verrassende en spannende resultaten van dit onderzoeksprogramma wijzen verder op de cruciale waarde van het chimpanseemodel in het onderzoek naar hepatitis”, zei John L. VandeBerg, PhD, Chief Scientific Officer van Texas Biomed en directeur van het SNPRC.
VS RICHT ZICH EINDELIJK OP VIRALE HEPATITIS.
Originele titel: Finally US Takes Aim at Viral Hepatitis
Bron: www.hepatitis-central.com, 11 juli 2011
In een onlangs vrijgegeven actieplan, werden er door het Amerikaanse ‘Ministerie van Volksgezondheid en Humane Diensten’ acht strategieën beschreven om de nationale virale hepatitisepidemie te bestrijden.
Bekend als de ‘stille epidemie’, wordt er een uitgesproken gebrek aan symptomen geassocieerd met de meeste soorten hepatitis. Een meerderheid van de Amerikanen is zich er hierdoor niet van bewust dat ze virale hepatitis hebben – en dat ze een gezondheidsrisico lopen. Na verscheidene verslagen, waarin de noodzaak van een publieke gezondheidscampagne over virale hepatitis aangegeven werd, heeft het Amerikaanse Ministerie van Volksgezondheid en Humane Diensten dit verzuim gelukkig erkend, en het heeft een plan geschetst voor de verbetering van de bewustwording, de preventie, de diagnose en de behandeling van virale hepatitis.
De ‘stille epidemie’.
Virale hepatitis kan vergeleken worden met een ondergegraven mijnenveld, vol levende explosieven die op elk moment tevoorschijn kunnen komen. Mensen weten misschien niet dat ze bestaan, maar mijnenvelden worden aangelegd om te ontploffen. Ondanks het feit dat de ziekte een belangrijke besmettelijke doodsoorzaak is, blijft virale hepatitis vrijwel onbekend bij
• het algemene publiek
• risicogroepen
• beleidsmakers
• sommige zorgverleners
De meeste van de naar schatting vier tot vijf miljoen Amerikanen die leven met enige vorm van virale hepatitis, weten helaas niet dat ze besmet zijn. Door deze onwetendheid lopen deze personen een schrikbarend hoog risico op het doorgeven van hun ziekte aan anderen en op de ontwikkeling van ernstige of zelfs dodelijke complicaties.
Enkele feiten die de omvang van dit probleem aantonen:
• Volgens het Amerikaanse Ministerie van Volksgezondheid en Humane Diensten, is tot 75 procent van degenen die besmet zijn met virale hepatitis zich niet bewust van de infectie.
• Meestal veroorzaakt door het hepatitis B of het hepatitis C virus, is virale hepatitis een belangrijke oorzaak van levercirrose en leverkanker in de Verenigde Staten.
• Virale hepatitis is de belangrijkste oorzaak van levertransplantaties in de Verenigde Staten.
• Zonder behandeling zal ongeveer 15 tot 40 procent van de patiënten met virale hepatitis in de komende 10 jaar ernstige leverziekten ontwikkelen, zoals cirrose of kanker.
• Een enquête uit 2007 bij ongeveer 200 primaire zorgverleners vond dat meer dan de helft van hen geen laboratoriummarkers van chronische hepatitis B kon identificeren.
Erkenning door beleidsmakers.
Het nieuwe initiatief, dat aangekondigd werd door het Amerikaanse Ministerie van Volksgezondheid, kwam waarschijnlijk in een stroomversnelling na een studiebevinding van het Instituut voor Geneeskunde uit 2010, over het feit dat hepatitis B en C niet algemeen erkend werden als ernstige problemen voor de volksgezondheid.
In deze studie van het Instituut voor Geneeskunde, hebben de onderzoekers geconstateerd dat er een grote behoefte was aan een verhoging van de bewustwording van virale hepatitis, aan een verbetering van het toezicht voor hepatitis B en hepatitis C, en aan een betere integratie van de manier waarop virale hepatitis aangepakt moet worden. Zoals voor de meeste eisen om onze levenskwaliteit te verbeteren, hebben al deze noden voldoende middelen nodig om tot bloei te komen.
In een verklaring van de Amerikaanse Centers for Disease Control (centra voor ziektecontrole), zei directeur Thomas R. Frieden:
“Veel te veel Amerikanen zijn niet op de hoogte van de ernstige gevolgen van virale hepatitis en van de verwoestende consequenties die kunnen voortvloeien uit het onbehandeld laten van de ziekte. Nu is het tijd voor actie”.
Zoals uiteengezet in het actieplan voor 2011 van het Amerikaanse Ministerie van Volksgezondheid en Humane Diensten voor de Preventie, Verzorging en Behandeling van Virale Hepatitis, werden de volgende doelstellingen vastgesteld:
• De verhoging van het percentage van het aantal patiënten dat geïnfecteerd is met hepatitis B, én dat zich bewust is van hun ziektestatus, van één derde naar twee derde tegen het jaar 2020.
• De verhoging van het percentage van het aantal patiënten dat geïnfecteerd is met hepatitis C, én dat zich bewust is van hun ziektestatus, van 45 procent naar 66 procent tegen het jaar 2020.
• De verlaging van het aantal nieuwe gevallen van hepatitis C, met 25 procent tegen het jaar 2020.
• De eliminatie van de transmissie van hepatitis B door moeders op hun zuigelingen, tegen het jaar 2020.
Acht strategieën.
Voor de vermindering van de lasten van virale hepatitis, werden er in het initiatief van het Amerikaanse Ministerie van Volksgezondheid en Humane Diensten acht strategieën geschetst:
• Waarborgen dat besmette personen eerder in de loop van de ziekte geïdentificeerd worden.
• Verbeteren van de infrastructuur voor de testen, om een vroegtijdige diagnose te verhogen.
• Verbeteren van het onderricht over screening, diagnostische tests en actuele behandelingen.
• Uitbreiden van het gebruik van gezondheidsinformatietechnologie, om ervoor te zorgen dat personen die besmet zijn tijdige verwijzingen krijgen en ondersteunende zorg ontvangen.
• Verstrekken van uitgebreid hepatitis onderricht en preventieprogramma’s voor het publiek.
• Opzetten van bewakingssystemen om de geschiktheid van de testen en de behandelingsprogramma’s te bepalen, en ervoor zorgen dat verschillen in zorgverstrekking verdwijnen.
• Na een blootstelling, hepatitis B profylaxis verstrekken aan alle pasgeborenen van geïnfecteerde moeders.
• Verwezenlijken van universele hepatitis A en B vaccinaties bij kwetsbare bevolkingsgroepen.
Mary K. Wakefield, RN, PhD, beheerder van de afdeling Gezondheidsmiddelen en Diensten, zegt:
“Dit actieplan is onze beste kans om deze ziekten te stoppen, door een betere toegang tot informatie en door kwaliteitszorg voor de mensen die een risico lopen en voor de patiënten die al besmet zijn”.
Een toewijzing van nationale middelen is essentieel om het ‘Virale Hepatitis Actieplan’ succesvol te maken. Het Amerikaanse Ministerie van Volksgezondheid en Humane Middelen rekent op beleidsgerelateerde ondersteuning, teweeggebracht door de ‘Affordable Care Act’ (betaalbare zorgwet). Om het even waar de financiering voor deze acht belangrijke strategieën gevonden wordt: dit initiatief is de meest ernstige en uitgebreide poging om de epidemie van virale hepatitis aan te pakken – de beste hoop voor het ontwapenen van de mijnenvelden die liggen te wachten op een ravage van de levers van miljoenen Amerikanen.
FACTOREN DIE HET RISICO VERHOGEN VAN EEN HEPATITIS C TERUGVAL.
Originele titel: Factors that Raise the Risk of Hepatitis C Relapse
Bron: www.hepatitis-central.com, 12 juli 2011
Nieuw onderzoek onthult meer factoren dan eerder erkend, die het risico van herval kunnen verhogen na een hepatitis C behandeling.
Eén van de redenen waarom we betere behandelingen voor hepatitis C hard nodig hebben, is het feit dat velen, die aanvankelijk op de behandeling reageerden, terug hervallen. Door te erkennen welke personen meer kans hebben op een hepatitis C herval, kunnen gezondheidswerkers mogelijk nuttige aanpassingen aanbrengen in hun behandelingsprotocol. Voor degenen die het meest vatbaar zijn voor een terugval, kan een dergelijke aanpassing hun kansen verbeteren om hepatitis C-vrij te blijven.
Over terugval van Hepatitis C.
Vaak gebruikt om een herhaling te beschrijven van een auto-immune ziekte, of van het terugkeren naar een stoornis van substantiemisbruik, kan de term ‘herval’ of ‘terugval’ verwarrend zijn. Technisch betekent herval: het feit van het terugvallen of terugglijden naar een voormalige staat, regressief of verslappend, na een gedeeltelijk ziekteherstel.
In de loop van een hepatitis C therapie zijn er verschillende momenten waarop iemands respons op de medicijnen gemeten wordt. Door op zoek te gaan naar RNA (genetisch materiaal) van het virus, bepaalt deze meting of de medicijnen hepatitis C kunnen vernietigen. Een groot percentage van de patiënten toont helaas alleen een initiële respons op de hepatitis C medicijnen, tot de virale deeltjes later weer de kop opsteken.
Een terugval van hepatitis C betekent niet noodzakelijkerwijs dat een persoon een aanhoudende virologische respons bereikte – het onvermogen om zes maand na de voltooiing van de behandeling hepatitis C-RNA te detecteren. In werkelijkheid is het aantal mensen, dat hervalt na het bereiken van een aanhoudende virologische respons, zeer laag. Over het algemeen wordt een terugval van hepatitis C waargenomen als de patiënten een eindbehandelingsrespons bereiken (een niet op te sporen niveau van hepatitis C-RNA op het einde van de therapie) en daarna komt het virus terug.
Het onderzoek dat identificeert wie gevoelig is voor herval.
Vanwege zijn potentieel ernstige bijwerkingen, is de volharding van een hepatitis C therapie nogal een prestatie. Dit geldt met name vooral voor patiënten met genotypes 1 en 4, aangezien ze een volledige behandeling van 48 weken moeten voltooien. Degenen die gelukkig genoeg zijn om een eindbehandelingsrespons te bereiken, moeten nog een andere hindernis overwinnen. Ongeveer 30 procent van de mensen die een eindbehandelingsrespons weten te bereiken, zal terugvallen. Voor deze mensen, die hun hepatitis C virus zien terugkomen, waren de factoren waardoor ze meer vatbaar werden voor een terugval relatief onbekend, tot Franse onderzoekers hun studie voorstelden.
Op de ‘Liver Meeting’ van de American Association for the Study of Liver Diseases (Amerikaanse vereniging voor de studie van leverziekten) in 2010 in Boston, werd een interessant onderzoek voorgesteld door Christiane Stern en haar collega’s van het Beaujon Hospital in Clichy, Frankrijk.
Het onderzoeksteam bepaalde welke variabelen iemand meer kans gaven op een terugval na het volgen van de standaardbehandeling voor hepatitis C, bestaande uit gepegyleerde Interferon en Ribavirine.
De onderzoekers volgden 249 eerder onbehandelde chronische hepatitis C patiënten, die gepegyleerde Interferon alfa-2a (Pegasys) of gepegyleerde Interferon alfa-2b (PegIntron) kregen, plus aan het gewicht aangepaste Ribavirine. Volgens de normen werden de patiënten met genotypes 2 of 3 gedurende 24 weken behandeld, terwijl de patiënten met genotypes 1 of 4 gedurende 48 weken behandeld werden. Er werden verschillende factoren gevonden die een rol spelen in de hogere percentages van herval bij de deelnemers die een eindbehandelingsrespons bereikten. De factoren die het risico op herval leken te verhogen, omvatten:
• Besmet zijn met hepatitis C genotype 1.
• Een aanzienlijke hoeveelheid leversteatose (leververvetting) hebben.
• Een verminderde dosis gepegyleerde Interferon nemen.
• Zwaarlijvig zijn.
• In de menopauze zijn.
Verscheidene van deze factoren zijn geen verrassing voor de hepatitis C gemeenschap:
• genotype 1 is notoir koppig
• meer steatose belemmert de behandeling
• verlagingen van de dosis Interferon leidden al herhaaldelijk tot verlaagde slagingspercentages van de behandeling
Het feit dat obesitas en de menopauze ook bijdragen aan de terugval van hepatitis C, geeft artsen echter nieuwe informatie.
Of men nu de behandeltijd verlengt, de medicijndosering verhoogt, of een andere medicatie toevoegt aan de hepatitis C therapie, alleen wijzigingen in de antivirale behandeling voor personen in de menopauze of voor zwaarlijvige mensen zal deze meer kwetsbare patiënten helpen om een terugval te vermijden.
Top
EEN TRIO VAN NIEUWE HEPATITIS C MEDICIJNEN WORDT GETEST.
Originele titel: A Trio of New Hepatitis C Drugs Being Tested
Bron: www.hepatitis-central.com, 13 juli 2011
In de hoop de hepatitis C behandeling te vereenvoudigen en te verbeteren, test ‘Achillion’ verschillende gepatenteerde verbindingen – waaronder de recente start van een Fase I studie voor de beoordeling van ACH-2684.
Achillion Pharmaceuticals Inc., gericht op de ontwikkeling van behandelingen voor besmettelijke ziekten, kondigde vandaag (12 juli 2011) aan dat het begonnen is met de dosering in een Fase I klinische studie van ACH-2684, voor de behandeling van chronische hepatitis C virusinfecties (HCV).
De studie is een gerandomiseerde, dubbelblinde, placebo-gecontroleerde proef, ontworpen voor het bepalen van de veiligheid, de verdraagbaarheid, het farmaco-kinetisch profiel en de antivirale activiteit van ACH-2684, en bestaat uit maximaal 78 gezonde vrijwilligers en maximaal 40 met HCV besmette patiënten.
“Deze eerste menselijke klinische proef zal bevorderlijk zijn voor de vaststelling van het veiligheidsprofiel van ACH-2684 bij de mens”, vermeldde Elizabeth A. Olek, D.O., Vicepresident en Chief Medical Officer van Achillion, in het persbericht. “De studie zal Achillion ook voorzien van belangrijke inleidende werkzaamheidsgegevens tegen HCV genotypes 1 en 3, en de test zal ons helpen om doses te selecteren voor verdere klinische ontwikkeling”.
De studie bestaat uit drie segmenten, voor de beoordeling van
• één enkele oplopende orale dosis bij gezonde vrijwilligers
• meerdere oplopende doses gedurende 1 dag bij gezonde vrijwilligers
• drie dagen van orale oplopende herhalingsdoses bij patiënten met HCV van genotype 1 of van genotype 3
“Wij zijn zeer enthousiast om ACH-2684 mee te nemen naar de kliniek, en ook over de verdere vordering naar, wat wij hopen, een unieke pan-genotypische, eenmaal dagelijks te nemen proteaseremmerâ€, zei Michael D. Kishbauch, Voorzitter en CEO van Achillion.
In aanvulling op het nieuws van vandaag, bereidt het bedrijf de inleiding voor van een segment van 12 weken voor haar Fase II studie over ACH-1625, de belangrijkste proteaseremmer van het vennootschap, evenals een Fase I proef met ACH-2928, haar NS5A-remmer.
“We geloven dat we tegen het einde van dit jaar zullen klaarstaan om een trio te leveren van belangrijke HCV klinische mijlpalen, namelijk EVR resultaten na 12 weken over ACH-1625, en menselijke proof-of-concept gegevens over zowel ACH-2684 als ACH-2928. Dit zijn allemaal belangrijke componenten van onze ultieme strategie om een leider te worden op het gebied van de ontwikkeling van HCV combinatietherapieën, die onze protease- en NS5A-remmers inhouden”, heeft Kishbauch gezegd.
TMC435 VOOR HCV KRIJGT VERSNELDE PROCEDURE IN STUDIE MET PSI-7977.
Originele titel: TMC435 for HCV Gets Fast Tracked, Studied with PSI-7977
Bron: www.hivandhepatitis.com, 13 juli 2011
De HCV-NS3/4A-proteaseremmer ‘TMC435’ kreeg onlangs van de FDA de status van versnelde procedure voor een snellere goedkeuring; het zal bestudeerd worden in een volledig oraal regime met de HCV-polymeraseremmer ‘PSI-7977’.
Veel mensen met chronische hepatitis C zijn enthousiast over de volledig orale regimes, die een grotere kans op genezing zullen bieden, zonder de moeilijke bijwerkingen van Interferon.
Hieronder vindt u een bewerkt fragment uit een persbericht, uitgegeven door Medivir, dat TMC435 ontwikkelt in samenwerking met Tibotec. Medivir: “TMC435 kreeg de status van versnelde procedure van de FDA voor HCV genotype 1 en TMC435 zal bestudeerd worden in combinatie met PSI-7977 van Pharmassetâ€.
Medivir heeft vandaag (6 juli 2011) aangekondigd dat haar experimentele proteaseremmer TMC435 de status van ‘versnelde procedure’ gekregen heeft van de Amerikaanse Food and Drug Administration (FDA), voor de behandeling van chronische hepatitis C (CHC) van genotype 1. Dit is gebaseerd op het potentieel van TMC435 om onvervulde medische behoeften beter aan te pakken i.v.m. de behandeling van CHC, in vergelijking met de momenteel goedgekeurde therapieën.
TMC435 kan het volgende bieden:
• Hoge rata van aanhoudende virologische respons (SVR) voor patiënten die besmet zijn met HCV van genotype 1, met inbegrip van moeilijk te behandelen subgroepen.
• Een behandeling van korte duur.
• Een gunstig algemeen veiligheids- en verdraagbaarheidsprofiel.
• Een handig doseringsregime eenmaal per dag (q.d.).
Bovendien heeft Medivir ook het voornemen bevestigd om te beginnen met een proof-of-concept, orale, Interferon-vrije, Fase II studie, die de combinatie zal onderzoeken van TMC435, een eenmaal dagelijks te nemen NS3/4A-proteaseremmer (PI) voor de behandeling van chronische infecties met het hepatitis C virus (HCV) van genotype 1, en PSI-7977 van Pharmasset, een eenmaal dagelijks te nemen nucleotide-NS5B-polymeraseremmer.
De Fase II studie, die beheerd wordt door Tibotec Pharmaceuticals, zal de werkzaamheid en de veiligheid onderzoeken van 150 mg TMC435 q.d. gedurende 12 weken of 24 weken, in combinatie met 400 mg PSI-7977 q.d., met of zonder Ribavirine, bij eerdere nul-responders op een therapie van Peginterferon/Ribavirine.
Het primaire eindpunt van de studie is een aanhoudende virologische respons na 12 weken (SVR12).
Bertil Samuelsson, CSO van Medivir zei: “We zijn verheugd dat we van de FDA een versnelde procedure gekregen hebben voor TMC435. Dit toont aan dat TMC435, met zijn hoge veiligheidsprofiel, zijn werkzaamheid, zijn korte behandelingsduur en zijn gemakkelijke, eenmaal dagelijkse dosering, verondersteld wordt het potentieel te hebben om meer voordelen te bieden dan de huidige behandelingen. We geloven dat TMC435 de potentie heeft om een hoeksteen te worden van toekomstige, direct werkende, antivirale combinaties als HCV therapie. We zijn dus erg blij met de klinische samenwerkingsovereenkomst met Tibotec, die Pharmasset vandaag (6 juli 2011) aankondigde, en met de komende start van een combinatiestudie van TMC435 en de eenmaal dagelijks te nemen NS5B-nucleotideremmer PSI-7977 van Pharmasset. Dit is één van de verschillende, lopende combinatieproeven met TMC435, en we wachten op hét moment om door te gaan met de ontwikkeling van TMC435″.
Een versnelde procedure is een proces dat ontworpen werd om de ontwikkeling te vergemakkelijken, en om de beoordeling te bespoedigen, van geneesmiddelen die ernstige ziekten behandelen en die tegemoetkomen aan onvervulde medische behoeften. Het doel is om belangrijke nieuwe medicijnen sneller bij de patiënten te brengen.
Versnelde procedures worden toegekend voor een breed scala van ernstige ziekten. ‘Een onvervulde medische noodzaak invullen’ wordt gedefinieerd als: “Het verstrekken van een therapie waar er nog geen bestaat, of het aanbieden van een therapie die potentieel superieur kan zijn tegenover de bestaande therapieënâ€.
Als er reeds therapieën bestaan, moet een medicijn dat een versnelde procedure krijgt, verschillende voordelen kunnen aantonen ten opzichte van de beschikbare behandelingen, zoals:
• Een superieure doeltreffendheid weergegeven.
• Ernstige bijwerkingen van een beschikbare behandeling vermijden.
• De diagnose verbeteren van een ernstige ziekte, waarbij men door een vroegtijdige diagnose een verbeterd resultaat bekomt.
• Een klinisch significante toxiciteit verminderen van een geaccepteerde behandeling.
Een medicijn dat de status van versnelde procedure krijgt, komt in aanmerking voor enkele van de volgende handelingen, of voor allemaal:
• Meer regelmatige bijeenkomsten met de FDA, om de ontwikkelingsplannen van het medicijn te bespreken, en om te zorgen voor de verzameling van de geschikte gegevens die nodig zijn ter ondersteuning van de goedkeuring van het medicament.
• Meer frequente schriftelijke correspondentie van de FDA over dergelijke zaken, om te gebruiken als ontwerp van de voorgestelde klinische proeven.
• In aanmerking komen voor een ‘versnelde goedkeuring’, dat wil zeggen: de goedkeuring van een effect op een surrogaat of plaatsvervangend eindpunt, dat redelijkerwijs de klinische voordelen kan voorspellen.
• Een voortdurende beoordeling krijgen, wat betekent dat een farmaceutisch bedrijf afgewerkte secties van zijn nieuwe medicijntoepassing (NDA) kan indienen voor beoordeling door de FDA, in plaats van te moeten wachten totdat elke sectie van de toepassing voltooid is, voordat de volledige toepassing geëvalueerd wordt. Een NDA-beoordeling begint meestal niet vooraleer het farmaceutisch bedrijf de volledige aanvraag ingediend heeft bij de FDA.
• Geschillenbeslechting als het farmaceutisch bedrijf niet tevreden is over het besluit van de FDA om geen status van ‘versnelde goedkeuring’ te verlenen.
Bovendien kunnen de meeste medicijnen, die in aanmerking komen voor de toewijzing van een versnelde procedure, waarschijnlijk ook voorrang krijgen voor hun evaluatie.
Van zodra een medicijn een versnelde procedure toegewezen krijgt, wordt een vroege en een frequente communicatie tussen de FDA en het farmaceutisch bedrijf aangemoedigd, gedurende het volledige proces van de ontwikkelings- en beoordelingsstadia. De frequentie van de communicatie verzekert dat vragen en problemen snel opgelost worden, wat vaak leidt tot een snellere goedkeuring van de medicijnen en een snellere toegang tot de medicamenten voor de patiënten.
Over TMC435.
TMC435, een experimentele CHC-proteaseremmer, momenteel in Fase III klinische ontwikkeling, is een zeer krachtige, selectieve, veilige, eenmaal dagelijks in te nemen (q.d.) medicijn, dat gezamenlijk ontwikkeld wordt met Tibotec Pharmaceuticals, om chronische hepatitis C virusinfecties te behandelen.
TMC435 wordt ontwikkeld in combinatie met PegIFN/RBV, en in combinatie met een direct werkend antiviraal middel (DAA), zonder Peginterferon, en met of zonder Ribavirine (RBV).
In juni 2011 werd de combinatiestudie ingeleid van TMC435 met TMC647055, een niet-nucleoside NS5B-polymeraseremmer, ontwikkeld door Tibotec Pharmaceuticals.
Begin 2011 is Tibotec gestart met drie wereldwijde, reactiegeleide, klinische Fase III studies:
• TMC435-C208 of QUEST-1 met ongeveer 375 behandelingsnaïeve patiënten
• TMC435-C216 of QUEST-2 eveneens met ongeveer 375 behandelingsnaïeve patiënten
• TMC435-C3007 of PROMISE met ongeveer 375 patiënten die recidiveerden na een eerdere behandeling die op Interferon gebaseerd was
Er lopen ook Fase III programma’s met TMC435 in Japan.
Parallel met de recente start van de wereldwijde Fase III studies, bevindt TMC435 zich momenteel in een follow-up fase, in drie Fase II b klinische proeven (TMC435-C205, TMC435-C206 en TMC435-C215), met behandelingsnaïeve patiënten van G1, en met G1 patiënten die faalden na een eerdere IFN-gebaseerde behandeling. Meer veiligheids- en werkzaamheidsgegevens van de Fase II b studies zullen later in 2011 voorgesteld worden op wetenschappelijke bijeenkomsten.
HEPATITIS C VERHOOGT HET STERFTECIJFER, ONGEACHT DE OORZAAK, EN SVR VERMINDERT DE MORTALITEIT.
Originele titel: Hepatitis C Ups All-Cause Death Rate, SVR Reduces Mortality
Bron: www.hivandhepatitis.com, 19 juli 2011
Zoals beschreven in de editie van 15 juli 2011 van ‘Clinical Infectious Diseases’, hebben onderzoekers van de Universiteit van Maryland en van de Duke University alle oorzaken geëvalueerd, levergerelateerde en niet-levergerelateerde, van de mortaliteit bij mensen met HCV, in een grote algemene Amerikaanse bevolkingsstudie.
De analyse omvatte 9.378 mensen, die deelnamen aan de Third National Health and Nutrition Examination Survey (NHANES III), een nationale, representatieve, prospectieve cohortstudie van volwassenen van 17 tot 59 jaar. De onderzoekers maakten gebruik van gegevens uit de NHANES Linked Mortality File (sterftebestand gekoppeld aan de enquête). Ze keken vooral naar mensen wiens HCV-status opgevolgd werd van 1988 tot 1994, met daarop volgend overlijden tot en met het jaar 2006.
Resultaten.
• Een totaal van 614 sterfgevallen werd opgenomen, over een mediane follow-up periode van ongeveer 15 jaar.
• Bij de 203 mensen met chronische hepatitis C, waren er 44 overlijdens, waarvan er 9 toegeschreven werden aan levergerelateerde oorzaken.
• De resterende 35 sterfgevallen waren te wijten aan HIV, diabetes, hartziekten, kanker en andere oorzaken.
• Na aanpassingen voor andere risicofactoren, hadden mensen met een chronische HCV infectie een mortaliteitspercentage, ongeacht de oorzaak, dat 2,4 keer hoger lag.
• Mensen met HCV hadden een 26,5 keer hoger overlijdenspercentage ten gevolge van levergerelateerde oorzaken.
• Voor niet-levergerelateerde oorzaken, bleef het sterftecijfer 1,79 maal hoger onder mensen met HCV, maar dit gegeven bereikte geen statistische betekenis.
• Door de steekproefpopulatie te extrapoleren (beschouwen buiten de oorspronkelijke relatie), schatten de onderzoekers dat er jaarlijks bij de 2,46 miljoen Amerikaanse volwassenen met chronische hepatitis C ongeveer 31.163 sterfgevallen waren als gevolg van alle oorzaken, en 9.569 levergerelateerde sterfgevallen.
• Ongeveer 57,8% van alle sterfgevallen en 96,2% van de levergerelateerde sterfgevallen in deze groep waren te wijten aan HCV.
“De mortaliteit bij chronische HCV, ongeacht de oorzaak, is meer dan het dubbele dan die bij HCV-negatieve personen”, besloten de onderzoekers. “Dit suggereert dat mensen met een chronische HCV infectie een hoger risico lopen op overlijden, zelfs na rekening te houden met levergerelateerde morbiditeiten, en ze moeten nauwlettend gecontroleerd wordenâ€. “Dit moet het belang versterken van preventieve maatregelen, van een vroege diagnose en van een verbeterde toegang tot de zorgverstrekking, vooral voor personen die het risico lopen om de ziekte op te lopen, en voor patiënten die al besmet zijn, zelfs als ze nog geen leverziekte vertonen”, zei hoofdauteur Samer El-Kamary in een persbericht dat uitgegeven werd door de ‘Infectious Diseases Society of America’. “Terwijl een hepatitis C infectie op zichzelf geen doodsoorzaak zou kunnen zijn, kunnen patiënten met de ziekte een hoger risico lopen om te sterven ten gevolge van ander gedrag met een hoog risico, dat ook de infectie veroorzaakt kan hebben”, vervolgde hij. “Bovendien is het mogelijk dat andere co-morbiditeiten, zoals diabetes of hart- en vaatziekten, erger kunnen worden als er een onderliggende hepatitis C infectie aanwezig is”. “Gezien de lage kosten van hepatitis C testen, zou het misschien wenselijk zijn om ruimere, vroege screenings van patiënten te overwegen als er enige verdenking van besmetting bestaat, zodat ze zo spoedig mogelijk doorverwezen kunnen worden voor behandeling”, werd door El-Kamary aanbevolen.
Als het lijden aan hepatitis C het risico op overlijden vergroot, kan een succesvolle behandeling de mortaliteit verminderen, zoals El-Kamary suggereert. In een studie, die gerapporteerd werd in de editie van juni 2011 van ‘Clinical Gastroenterology and Hepatology’, keken Lisa Backus en haar collega’s naar de impact van een aanhoudende virologische respons, of een genezing, op de mortaliteit, ongeacht de oorzaak. De studie omvatte alle patiënten van het ‘U.S. Department of Veterans Affairs (VA) Facilities’, die besmet waren met HCV genotype 1 (n = 12.166), genotype 2 (n = 2.904), of genotype 3 (n = 1.794), die tussen januari 2001 en juni 2007 begonnen waren met een behandeling van gepegyleerde Interferon plus Ribavirine, en die beschikbare testresultaten hadden van HCV-RNA na hun behandeling, voor de beoordeling van SVR (een aanhoudende, niet detecteerbare virale lading, 6 maand na de voltooiing van de therapie). Mensen met een co-infectie van HIV of met leverkanker werden uitgesloten. Andere co-morbiditeiten kwamen echter algemeen voor. De onderzoekers maakten gebruik van sterftecijfers van de VA en ook van niet-VA bronnen die beschikbaar waren in de loop van 2009.
Resultaten.
• De SVR rata waren 35%, 72% en 62% voor patiënten met respectievelijk HCV genotypes 1, 2 en 3.
• Tijdens een mediane follow-up periode van ongeveer 4 jaar, overleden 1.119 patiënten van genotype 1, 220 van genotype 2 en 196 van genotype 3.
• In een genotypenspecifieke multivariante analyse, met controles van demografische factoren, co-morbiditeiten en laboratorium- en behandelingskenmerken, werd SVR aanzienlijk geassocieerd met een verminderd overlijdensrisico voor elk genotype:
• genotype 1: risicoratio van 0,70
• genotype 2: risicoratio van 0,64
• genotype 3: risicoratio van 0,51
Op basis van deze bevindingen, concludeerden de auteurs van de studie: “SVR verlaagde de mortaliteit bij patiënten die besmet waren met HCV genotypes 1, 2 of 3, die behandeld werden met de gangbare medische praktijk en die aanzienlijke co-morbiditeiten vertoondenâ€. “Deze bevindingen breiden de eerdere opmerkingen uit, over het feit dat SVR het levergerelateerde sterftecijfer verminderde, en ze tonen een vermindering van de overlijdens, ongeacht de oorzaken, voor elk van de 3 veel voorkomende genotypes”, werkten ze uit in hun discussie. “Bovendien steunen deze bevindingen het belangrijke en klinisch significante voordeel van een antivirale behandeling van HCV, ongeacht het HCV genotype, de leeftijd van de patiënt en de co-morbiditeitenâ€.
BOCEPREVIR RESPONS EN RESISTENTIE VERSCHILT VOLGENS HCV GENOTYPE 1 SUBTYPE.
Originele titel: Boceprevir Response and Resistance Differs According to HCV Genotype 1 Subtype
Bron: www.hivandhepatitis.com, 26 juli 2011
Mensen met HCV van genotype 1b reageren beter op Boceprevir dan personen met genotype 1a, en ze lopen minder kans op het ontwikkelen van geneesmiddelenresistentie, volgens studiebevindingen die vorige week in Rome gerapporteerd werden op de 6de Conferentie van de ‘International AIDS Society’ (IAS) over ‘Pathogenese, Behandeling en Preventie van HIV’.
De komst van direct werkende antivirale middelen heeft geleid tot een paradigmaverschuiving in de behandeling van chronische hepatitis C. De eerste twee medicijnen uit de pijplijn – de HCV proteaseremmers Boceprevir en Telaprevir – moeten gebruikt worden samen met de standaardtherapie van gepegyleerde Interferon plus Ribavirine, maar volledig orale combinaties zijn momenteel in onderzoek. Net zoals bij de behandeling van HIV, kan het gebruik van deze nieuwe agenten, in suboptimale regimes, leiden tot weerstand.
Boceprevir verbeterde de aanhoudende virologische respons (SVR), of m.a.w. de genezingspercentages, wanneer het ingenomen werd met gepegyleerde Interferon/Ribavirine, in de cruciale Fase III SPRINT-2-studie en RESPOND-2-studie. De SPRINT-2-studie omvatte 1.097 eerder onbehandelde patiënten met HCV genotype 1, en in de RESPOND-2-studie werden 403 mensen opgenomen die niet reageerden of die recidiveerden na een eerdere behandelingspoging met de standaardtherapie.
Het is algemeen bekend dat HCV genotype 1 het moeilijkst te behandelen is, maar deze studies openbaarden ook verschillen tussen de subtypes binnen dit genotype. Genotype 1a is overheersend in Noord-Europa en Noord-Amerika, terwijl genotype 1b meer voorkomt in Zuid-Europa en Oost-Europa en in Japan.
Daria Hazuda (foto (Photo: Liz Highleyman)), en haar collega’s van Merck, vergeleken de frequenties van varianten of mutaties, die geassocieerd werden met weerstand tegen Boceprevir, bij mensen met HCV genotype 1a en 1b, in de SPRINT-2-studie en de RESPOND-2-studie.
Deze onderzoeken, die vooral uitgevoerd werden in West-Europa en in de Verenigde Staten, omvatten patiënten met een mono-infectie van HCV, met gecompenseerde leverziekten. Personen met een co-infectie van HIV of van hepatitis B werden uitgesloten. In beide studies was de meerderheid van de patiënten mannelijk. In de SPRINT-2-studie was 14% van de deelnemers van Afrikaanse afkomst, een groep die slecht reageert op een therapie die gebaseerd is op Interferon.
In beide proeven kregen de deelnemers een inleidende behandelingskuur (van vier weken) met gepegyleerde Interferon plus Ribavirine, voordat ofwel Boceprevir, ofwel een placebo toegevoegd werd. Sommige deelnemers volgden de behandeling gedurende de standaardperiode van 48 weken. Maar voor andere personen werd een respons-geleide therapie gebruikt, gebaseerd op een vroege daling van de virale lading van HCV.
Het team van Hazuda verzamelde plasmamonsters bij de uitgangssituatie, en ze namen ook nieuwe monsters ongeveer op het moment dat er zich een virologische faling zou kunnen voordoen, wanneer de patiënten geen aanhoudende virologische respons bereikten. De NS3/4a-regio van het HCV-genoom werd opgevolgd en er werden belangrijke varianten geïdentificeerd die geassocieerd waren met resistentie.
Resultaten.
• Bij de deelnemers van de SPRINT-2-studie, lagen de percentages van SVR lichtjes, maar wel consequent, hoger voor mensen met HCV genotype 1b:
• in de groep met de drievoudige therapie van 48 weken: 73% voor genotype 1b, versus 62% voor 1a
• in de groep met de standaardtherapie alleen: respectievelijk 41% versus 35%
• Een vergelijkbaar patroon werd waargenomen in de RESPOND-2-studie wat betreft de percentages van SVR:
• met de drievoudige therapie: 71% voor genotype 1b, versus 64% voor 1a
• met gepegyleerde Interferon/Ribavirine alleen : respectievelijk 18% versus 24%
• Varianten die geassocieerd werden met resistentie, kwamen meer voor bij mensen met genotype 1a:
• In de SPRINT-2-studie had 19% van alle patiënten met genotype 1a weerstandsmutaties, in vergelijking met 10% van de mensen met genotype 1b.
• In de RESPOND-2-studie waren de overeenkomstige rata respectievelijk 16% versus 11%.
• Alleen rekening houdend met de mensen die geen SVR bereikten in de SPRINT-2-studie, ontwikkelde 58% van de patiënten met genotype 1a weerstandsmutaties, versus 48% van de patiënten met genotype 1b.
• In de RESPOND-2-studie waren de overeenkomstige rata respectievelijk 48% versus 41%.
• V36M en R155K, varianten die geassocieerd werden met resistentie, werden vaker ontdekt bij mensen met HCV genotype 1a.
• Maar T54A/S, A156S en V170A waren overheersend bij patiënten met genotype 1b.
• De patiënten met een zwakke respons tijdens de inleidende fase met Interferon (<1 log daling van HCV-RNA in week 4), liepen meer kans op de ontwikkeling van weerstandsmutaties dan de patiënten met een goede vroege respons (respectievelijk 69% versus 31%).
Hazuda legde uit dat, voor bepaalde posities in het genoom, er slechts één enkele mutatie nodig is om HCV genotype 1a resistent te laten worden tegen Boceprevir, terwijl er twee mutaties nodig zijn voor genotype 1b, een feit dat een ‘biologische rationale’ is voor de verschillen in respons.
PSI-7977 PLUS STANDAARDTHERAPIE GENEEST 100% VAN DE HEP C PATIËNTEN MET GENOTYPES 2 EN 3.
Originele titel: PSI-7977 plus Standard Therapy Cures 100% of Genotype 2-3 Hepatitis C Patients
Bron: www.hivandhepatitis.com, 26 juli 2011
PSI-7977, de experimentele polymeraseremmer voor het hepatitis C virus (HCV) van Pharmasset, gecombineerd met gepegyleerde Interferon/Ribavirine, heeft in een Fase II b studie 100% van de mensen met HCV van genotypes 2 en 3 genezen. Later dit jaar worden de resultaten verwacht over de aanhoudende virologische respons bij de moeilijk te behandelen patiënten van genotype 1 uit de Fase II b PROTON-studie.
Hieronder vindt u een bewerkt fragment uit een persbericht, dat uitgegeven werd door Pharmasset, met een beschrijving van de studie en haar bevindingen.
Pharmasset kondigt definitieve SVR gegevens aan van studie met PSI-7977 bij personen die geïnfecteerd zijn met Hepatitis C van genotypes 2 of 3.
• 24 op 24 patiënten met HCV van genotypes 2 of 3 bereiken SVR na 12 weken behandeling met 400 mg PSI-7977 QD en gepegyleerde Interferon plus Ribavirine.
• Resultaten van SVR12 van de PROTON-studie bij mensen met HCV van genotype 1 worden verwacht in de tweede helft van 2011.
Pharmasset Inc. (Nasdaq: VRUS) kondigde vandaag (20 juli 2011) de eindresultaten aan van de aanhoudende virologische respons (SVR) in haar Fase II b studie met PSI-7977, eenmaal daags gedoseerd in combinatie met Peginterferon alfa-2a en Ribavirine (Peg-IFN/RBV), bij patiënten met hepatitis C virusinfecties (HCV) van genotypes 2 of 3, die nog niet eerder behandeld werden. Vierentwintig van de vierentwintig personen (100%) die de behandeling voltooiden, bereikten SVR, gedefinieerd als HCV-RNA onder de detectielimiet (< 15 IU/ml) 24 weken na de voltooiing van de behandeling. Geen enkele patiënt vertoonde een doorbraak tijdens de behandeling of een herval na de behandeling.
Vijfentwintig behandelingsnaïeve personen met HCV genotypes 2 of 3 werden ingeschreven in een studie-arm met open-label. Ze kregen gedurende 12 weken 400 mg PSI-7977 QD [eenmaal per dag] samen met Peg-IFN/RBV, zonder Peg-IFN/RBV follow-up. Tijdens de vergadering van de Europese Vereniging voor de Studie van de Lever (EASL) in april 2011, stelde Dr. J. Lalezari al tussentijdse resultaten voor van deze studie-arm, die aantoonden dat 24 van de 24 personen SVR12 bereikt hadden, gedefinieerd als HCV-RNA onder de detectielimiet (< 15 IU/ml) 12 weken na de voltooiing van de behandeling. De combinatie was over het algemeen veilig en werd goed verdragen, met slechts één patiënt die de behandeling stopte na dag 1 en die niet opgevolgd kon worden. Over het geheel toonde PSI-7977 met Peg-IFN/RBV meer dan 12 weken na de behandeling een krachtige virale onderdrukking aan bij patiënten met HCV van genotypes 2 of 3.
10 MILJOEN INJECTERENDE DRUGGEBRUIKERS KUNNEN HEPATITIS B OF C HEBBEN.
Originele titel: 10 Million Injection Drug Users May Have Hepatitis B or C
Bron: www.hivandhepatitis.com, 29 juli 2011
Ongeveer 10 miljoen injecterende druggebruikers (Injection Drug Users/IDU) kunnen wereldwijd besmet zijn met het hepatitis C-virus (HCV), en meer dan 1 miljoen zou aan hepatitis B kunnen lijden, volgens een meta-analyse van gegevens uit meer dan 70 landen, gepubliceerd in de (vooraf online geplaatste) editie van 28 juli 2011 van het tijdschrift ‘The Lancet’.
Het delen van naalden en van andere apparatuur voor het injecteren van drugs, is een belangrijke risicofactor voor de overdracht van virale hepatitis en van HIV, maar een gedetailleerde raming van de omvang van het probleem is niet beschikbaar.
Daarom wilde Paul Nelson, samen met zijn collega’s van het ‘National Drug and Alcohol Research Centre’ van de Universiteit van New South Wales in Sydney, Australië, een studie opzetten voor de inschatting van de nationale, de regionale en de mondiale prevalentie en van de populatie-omvang van IDU met hepatitis B en C.
De onderzoekers doorzochten systematisch intercollegiaal getoetste databases (Medline, Embase en PsycINFO), ‘grijze literatuur’ (verslagen van agentschappen van de overheid, de industrie, enz.), samenvattingen van conferenties en online-bronnen, over het hepatitis B-virus (HBV) en het hepatitis C-virus (HCV) bij IDU.
Van de 4.386 intercollegiaal getoetste bronnen en de 1.019 grijze literatuurbronnen, herbekeken ze er 1.125 volledig.
Ze verzamelden informatie over:
• de status van het HCV-antilichaam (anti-HCV), dat een infectie met HCV aangeeft, wat doorgaans resulteert in een chronische infectie
• de status van het HBV-kernantilichaam (anti-HBc), waarmee een vaccinatie aangegeven wordt of een eerdere HBV-infectie – die doorgaans resulteert in een spontane klaring
• de status van het HBV-oppervlakte-antigen (HBsAg), waarmee een huidige infectie aangegeven wordt
Vervolgens berekenden ze de prevalentieschattingen, en ze combineerden deze met de omvang van de IDU-populatie (voornamelijk afgeleid van de ‘Reference Group of the United Nations on HIV and Injecting Drug Use’), voor de berekening van het geraamde aantal injecterende druggebruikers met HBV of HCV.
Resultaten.
Hepatitis B:
• De onderzoekers identificeerden in aanmerking komende verslagen over de status van anti-HBc in 43 landen en over de status van HBsAg in 59 landen, die respectievelijk 65% en 73% van alle IDU vertegenwoordigden.
• De prevalentiepercentages van anti-HBc liepen sterk uiteen, van 4,2% in Slovenië tot 85,0% in Mexico.
• De HBsAg-status, of de huidige infectie, varieerde zowel tussen de verschillende landen als binnen de landen zelf (bijvoorbeeld 3,5% tot 20,0% in de VS, en 3,7% tot 30.9% in Iran.
• De prevalentieschattingen suggereerden dat 5 tot 10% van de IDU in 21 landen, en meer dan 10% in 10 landen, HBsAg-positief is.
• Over het geheel genomen, zouden 6,4 miljoen injecterende druggebruikers anti-HBc-positief kunnen zijn (bereik van 2,3 tot 9,7 miljoen), en 1,2 miljoen zou HBsAg-positief – of momenteel besmet – kunnen zijn (variërend van 0,3 tot 2,7 miljoen).
• De grootste populaties kwamen voor in Oost-Azië en in Zuidoost-Azië (0,3 miljoen) – waar HBV endemisch is en waar velen vermoedelijk besmet werden als kind – en in Oost-Europa (eveneens 0,3 miljoen).
Hepatitis C:
• De onderzoekers lokaliseerden in aanmerking komende verslagen over de prevalentie van anti-HCV bij IDU in 77 landen, die 82% van alle IDU vertegenwoordigden.
• De prevalentie van positieve anti-HCV varieerde sterk tussen de landen, van 9,8% tot 97,4%.
• De prevalentieschattingen suggereerden dat 60 tot 80% van de injecterende druggebruikers in 25 landen HCV hadden, en meer dan 80% in 12 landen.
• Over het algemeen zouden ongeveer 10,0 miljoen IDU wereldwijd anti-HCV-positief kunnen zijn (bereik van 6,0 tot 15,2 miljoen).
• De grootste populaties van HCV-positieve IDU werden aangetroffen in China (1,6 miljoen; 67,0%), in de VS (1,5 miljoen; 73,4%) en in Rusland (1,3 miljoen; 72,5%).
• Het aantal injecterende druggebruikers waarvan gedacht wordt dat ze HCV hebben, is ongeveer 3,5 keer groter dan de 2,8 miljoen die naar schatting leven met HIV (variërend van 0,8 tot 6,2 miljoen).
“Er zijn meer injecterende druggebruikers met anti-HCV dan met HIV-infecties, en virale hepatitis vormt een belangrijke uitdaging voor de volksgezondheid”, concludeerden de auteurs van de studie. Ze verklaarden in hun discussie dat de gerapporteerde omvangschatting van de IDU-populatie het aantal huidige of recente injecterende druggebruikers weerspiegelt, en niet alle mensen die ooit dergelijke drugs gebruikt hebben, zodat het totale aantal gevallen van hepatitis B of C, die toe te schrijven zijn aan injecterend druggebruik, nog hoger zou kunnen zijn. “De inspanningen voor het voorkomen, het behandelen en het verminderen van schade ten gevolge van leverziekten bij IDU zijn essentieel – vooral in situaties waarin HIV met succes voorkomen of behandeld werd – omdat de grote aantallen injecterende druggebruikers die besmet zijn met HCV, en met een belangrijke morbiditeit als gevolg van deze infectie, betekenen dat de gezondheidskosten en de economische kosten van HCV, doorgegeven door injecterend druggebruik, wellicht zo hoog zijn als (of hoger dan) die van HIV”, schreven ze. “Bewijzen over het effect van naald- en spuitprogramma’s ter preventie van HCV-infecties zijn schaars, maar vooral de risicovermindering is belangrijk, met name tijdens de beginperiode van het injecteren, wanneer de incidentie van HCV het hoogst is”, gingen ze verder. “De potentiële rol van een HCV-behandeling bij de preventie van HCV-transmissies in de IDU-populaties rechtvaardigt nog verder onderzoek, maar de hoge kosten en de bijwerkingen van de behandelingen blijven belemmeringenâ€.
Wat hepatitis B betreft, hebben Nelson en zijn collega’s opgemerkt: “Vanwege het hoge percentage van chronische HCV-infecties bij injecterende druggebruikers, zal een HBV-infectie zich hoogstwaarschijnlijk voordoen in een co-infectie van HBV en HCV, wat gekoppeld is aan een snellere progressie van de leverziekten en de daarmee gepaard gaande mortaliteit”. “De vaccinatie tegen HBV moet voorrang krijgen bij alle injecterende druggebruikers die vatbaar zijn voor de ziekte, met name degenen die al besmet zijn met HCV”, schreven ze. “Men kan een aanzienlijke vermindering van HBV-infecties verwachten bij IDU, in landen met universele vaccinatieprogramma’s voor kinderen, van zodra deze personen de leeftijd bereiken waarop het oplopen van HBV door injecterend druggebruik het meest voorkomt”.
“Correctionele faciliteiten bieden de ideale gelegenheid tot vaccinatie, behandeling en vermindering van de overdracht van virale hepatitis, bij een populatie met hoge percentages van injecterend druggebruik, HBV en HCV, en van wie velen zich terug in de gemeenschap zullen begeven”.
INJECTERENDE DRUGGEBRUIKERS EN HUN THERAPIETROUW VOOR HEPATITIS C.
Originele titel: Injection Drug Users and Adherence to Hepatitis C Treatment
Bron: www.hivandhepatitis.com, 29 juli 2011
De naleving van de hepatitis C-behandeling was hoog, ongeacht het injecterend druggebruik, vond een recente Australische studie. De ineffectiviteit van Interferon werd voornamelijk veroorzaakt door een vroege stopzetting van de therapie, en niet door het overslaan van doses.
Een hepatitis C-behandeling is het meest effectief voor mensen die onlangs besmet werden met het hepatitis C-virus (HCV). De rata van aanhoudende virologische respons (SVR) liggen hoog: 88% bij onlangs besmette personen die gedurende 12 tot 24 weken behandeld werden met een monotherapie van gepegyleerde Interferon, en 74% bij HIV-positieve mensen die onlangs geco-infecteerd werden met HCV en die behandeld werden met gepegyleerde Interferon plus Ribavirine.
De ‘Australian Trial in Acute Hepatitis C’ (ATAHC) (Australische studie over acute hepatitis C) heeft gevonden dat de rata van SVR hoger lagen bij deelnemers met een mono-infectie van HCV die hun therapie nageleefd hadden, dan bij degenen die geen goede naleving bereikt hadden (respectievelijk 63% versus 29%). De studie vond ook dat de percentages van SVR vergelijkbaar waren tussen deelnemers die wel en die geen drugs injecteerden tijdens de behandeling (59% versus 53%), en de rata waren niet gerelateerd aan de frequentie van de injecties.
Veel zorgverstrekkers zijn terughoudend om herstellende of huidige injecterende druggebruikers (IDU) te behandelen, ondanks gegevens waaruit blijkt dat de behandelingsrespons onder IDU vergelijkbaar is met de respons onder niet-IDU. Hoewel men erg bezorgd is over het feit dat injecterende druggebruikers de behandeling mogelijk niet kunnen volhouden, is er weinig bekend over de therapietrouw voor hepatitis C bij deze populaties.
In een studie, die beschreven werd in de editie van juli 2011 van het tijdschrift ‘Journal of Hepatology’, hebben Jason Grebely en zijn collega’s de therapietrouw gemeten, op verschillende tijdstippen tijdens een acute hepatitis C-behandeling, om beter te begrijpen welke rol therapietrouw speelt in het behandelingssucces, hoe therapietrouw mensen met een recent opgelopen HCV-infectie beïnvloedt, en welke de verschillen of de overeenkomsten zijn van therapietrouw bij IDU en niet-IDU.
Alle deelnemers werden gerekruteerd tussen juni 2004 en november 2007, uit een netwerk van ziekenhuizen in Australië. Deelnemers kwamen in aanmerking voor de studie als ze hun eerste antilichaamtest voor anti-HCV ondergaan hadden in de afgelopen 6 maand, en als ze:
• een acute klinische HCV-infectie hadden, gedefinieerd als symptomatische seroconversie-ziekte, gekarakteriseerd door ALT-niveaus die hoger lagen dan 10 keer de normale bovengrens, gedurende ten minste 1 jaar voor hun eerste antilichaamtest
• een asymptomatische HCV-infectie met seroconversie hadden, gedefinieerd als het vertonen van een negatieve antilichaamtest voor anti-HCV gedurende 2 jaar voor het positieve resultaat
Van de 109 deelnemers, hadden 74 personen (68%) een mono-infectie van HCV, en 35 patiënten (32%) waren geco-infecteerd met HCV/HIV.
De gemiddelde leeftijd was 35 jaar en 79 patiënten (74%) waren mannelijk.
55% van de deelnemers had HCV van genotype 1, terwijl de resterende 45% genotypes 2 of 3 of ontbrekende resultaten hadden.
Zwaar alcoholgebruik noch actief druggebruik waren uitsluitingscriteria, en 82 deelnemers (75%) hadden een geschiedenis van huidig of eerder injecterend druggebruik.
De deelnemers met een mono-infectie van HCV, werden gedurende 24 weken wekelijks behandeld met een monotherapie van gepegyleerde Interferon. Mensen met een co-infectie van HIV/HCV, werden ook gedurende 24 weken behandeld, maar met gepegyleerde Interferon plus Ribavirine (1.000 tot 1.200 mg voor personen met genotype 1, en 800 mg voor patiënten met genotypes 2 of 3).
De deelnemers werden gecontroleerd bij de uitgangssituatie, elke 2 weken tot het einde van week 8 van de behandeling, en vervolgens elke 4 weken. De deelnemers vulden elke 12 weken een vragenlijst in, met informatie over hun injecterend druggebruik, over hun sociaal functioneren en over hun psychologische parameters.
Hun trouw aan gepegyleerde Interferon werd gedefinieerd als het nemen van 80% van de geplande doses, gedurende 80% van de behandelingsperiode (80/80). Hun trouw aan Ribavirine werd niet gemeten omdat slechts 32% van de deelnemers geco-infecteerd was en Ribavirine voorgeschreven kreeg.
De behandelingsrespons was gebaseerd op de behandelingsintentie, met inbegrip dus van alle deelnemers, zelfs de personen die slechts één enkele injectie van gepegyleerde Interferon gekregen hadden.
Het primaire eindpunt was het aantal studiedeelnemers dat SVR bereikte, of niet detecteerbaar HCV-RNA na 48 weken (24 weken na het einde van behandeling).
Resultaten.
• Onder alle studiedeelnemers, bedroeg het percentage van de therapietrouw voor gepegyleerde Interferon (80/80) 82%.
• 15 deelnemers (14%) misten 1 of meer doses gepegyleerde Interferon, wat zich vertaalde naar een percentage van therapietrouw van 99%.
• Deelnemers die ooit drugs geïnjecteerd hadden, en degenen die dit nog nooit gedaan hadden, vertoonden een soortgelijke therapietrouw:
• therapietrouw voor gepegyleerde interferon 80/80: respectievelijk 81% versus 85%
• gemiddeld aantal behandelingsweken: 20% versus 21%
• proportie van degenen die 24 behandelingsweken voltooiden: 68% versus 74%
• aantal met 1 of meer gemiste doses gepegyleerde Interferon: 13% versus 15%
• Ook deelnemers die 30 dagen voor het begin van de HCV-behandeling geïnjecteerde drugs gebruikt hadden, en degenen die dit niet gedaan hadden, vertoonden een soortgelijke therapietrouw voor gepegyleerde Interferon 80/80, een even groot gemiddeld aantal behandelingsweken, eenzelfde proportie van degenen die 24 behandelingsweken voltooiden, en eenzelfde aantal met 1 of meer gemiste doses.
• Onder de deelnemers die drugs injecteerden terwijl ze in behandeling waren, was de therapietrouw voor gepegyleerde Interferon 80/80, het gemiddeld aantal behandelingsweken, de voltooiing van 24 behandelingsweken en 1 of meer ontbrekende doses, weer vergelijkbaar met degenen die geen drugs injecteerden tijdens de behandeling.
• In vergelijking met de 25% van de deelnemers die geen geschiedenis van injecterend druggebruik rapporteerden, waren de deelnemers met ervaring van injecterend druggebruik gemiddeld jonger, het waren meer waarschijnlijk vrouwen, ze hadden waarschijnlijk minder kans op hoger onderwijs, ze hadden waarschijnlijk minder kans op een stabiele huisvesting, en ze hadden waarschijnlijk minder kans op parttime of fulltime werk.
• Therapietrouw voor gepegyleerde Interferon 80/80 kwam meer voor onder mensen met particuliere accommodaties en bij mensen met een co-infectie van HIV, maar was minder waarschijnlijk voor mensen zonder verdergezet onderwijs na hun middelbare school.
• In de totale studiepopulatie, was onderwijs na de middelbare school de enige factor die gekoppeld werd aan de therapietrouw voor gepegyleerde Interferon 80/80.
• Onder de deelnemers die niet verloren gingen voor follow-up, was de therapietrouw voor gepegyleerde Interferon 80/80 en de voltooiing van de behandeling gelijk bij mensen met een depressie tijdens de behandeling, bij mensen die drugs injecteerden tijdens de 30 dagen voorafgaand aan het begin van de behandeling, bij personen met alcoholconsumptie tijdens de behandeling, en bij mensen met een maximum score voor sociaal functioneren tijdens de behandeling.
• Het gemiddeld aantal behandelingsweken was 20, als volgt uitgesplitst:
• 0 tot 4 weken: 10%
• 5 tot 19 weken: 14%
• 20 tot 23 weken: 6%
• alle 24 weken: 70%
• Redenen voor de stopzetting van de behandeling omvatten:
• door een arts geleide vroegtijdige beëindiging
• onwil van patiënten om de therapie verder te zetten
• virologische non-respons (6 deelnemers stopten in week 12 ten gevolge van een gebrek aan vroege virologische respons)
• verlies van follow-up
• bijwerkingen
• overlijden
• mensen die positief testten voor HCV-RNA tijdens de screening, maar negatief bij het begin van de behandeling (spontane klaring of testfout)
• Stopzettingen ten gevolge van bijwerkingen waren voornamelijk een gevolg van geestelijke gezondheidsproblemen – depressie, slapeloosheid, vermoeidheid en stemmingswisselingen.
• Van de 13 deelnemers die niet bereid waren om de behandeling voort te zetten, of die verloren gingen voor follow-up, hadden er 10 een voorgeschiedenis van injecterend druggebruik, maar slechts 3 van de 10 hadden geïnjecteerd tijdens de 30 dagen voor het begin van de behandeling.
• 11 deelnemers stopten met de behandeling voor de afronding van de eerste 4 weken:
• 4 personen waren niet bereid om de therapie te blijven volgen, of ze gingen verloren voor verdere follow-up
• 3 personen ervaarden bijwerkingen
• 1 persoon overleed
• 3 personen testten positief voor HCV-RNA bij de screening, maar negatief bij het begin van de behandeling
• Vergelijking tussen de groep met een mono-infectie van HCV en de groep met een co-infectie van HIV/HCV:
• geco-infecteerde deelnemers hadden een enigszins hoger percentage van therapietrouw voor gepegyleerde Interferon (91% versus 77%)
• ze hadden ook een groter gemiddeld aantal behandelingsweken (22% versus 20%), maar deze verschillen waren niet statistisch significant
• Het aantal mensen in elke groep dat ten minste 1 dosis gepegyleerde Interferon miste, was vergelijkbaar.
• De waarschijnlijkheid van het bereiken van SVR was aanzienlijk hoger bij deelnemers met therapietrouw voor gepegyleerde Interferon 80/80, in vergelijking met personen zonder therapietrouw.
• Er was echter geen verschil in SVR tussen mensen die doses misten terwijl ze in behandeling waren en personen die geen doses misten.
• Deelnemers die de volledige 24 behandelingsweken voltooiden, hadden aanzienlijk meer kans om SVR te bereiken (76%), dan degenen die de therapie staakten tussen 0 en 4 weken (9%), tussen 5 en19 weken (33%), of tussen 20 en 23 weken (43%).
“Deze studie toont een hoge therapietrouw voor gepegyleerde Interferon onder injecterende druggebruikers met HCV en HCV/HIV, die een behandeling kregen voor hun recente HCV-infectie”, schreven de onderzoekers.
“Deze gegevens suggereren dat recent injecterend druggebruik geen invloed heeft op de latere naleving van een HCV-therapie”.
Ze vervolgden: “De meerderheid van de suboptimale blootstellingen aan gepegyleerde Interferon in deze studie was toe te schrijven aan vroege stopzettingen van de behandeling, in tegenstelling tot gemiste doses tijdens de therapie”.
Injecterend druggebruik, recent of actueel, was geen onafhankelijke voorspeller van ontrouw aan de therapie, hoewel sociaaleconomische factoren, zoals gebrek aan onderwijs en stabiele huisvesting, wel onafhankelijke voorspellers waren van ontrouw aan de behandeling.
De auteurs noteerden enkele beperkingen van hun studie:
• De therapietrouw werd gemeten door evaluaties van verplegend personeel, wat eventueel de onderrapportage veroorzaakt kan hebben van gemiste doses en van de overschatting van de therapietrouw.
• Zelfrapportage, onderworpen aan zelfingenomenheid en aan de wens om de onderzoekers te behagen, is waarschijnlijk ook een reden voor de overschatting van de therapietrouw.
• De groep met een co-infectie van HIV/HCV kon niet volledig beoordeeld worden, omdat de groep te klein was (32% van de studiedeelnemers), en deze groep verschilde van de mono-geïnfecteerde groep in een breed scala van sociale en demografische gegevens.
• De over het algemeen kleine omvang van de studie.
“Deze studie doet de vraag rijzen of het ‘begrip’ van de redenen voor behandeling en van de bijwerkingen van de behandeling een rol speelt bij het maximaliseren van de therapietrouw, en ze suggereert dat er verdere aandacht gegeven moet worden aan informatie over de voorbehandeling en de voorbereiding van de behandeling”, schreven Grebely en zijn collega’s.
De onderzoekers concludeerden: “Deze gegevens suggereren dat de therapietrouw niet in gevaar komt onder IDU, wat de richtlijnen ondersteunt over het feit dat actieve IDU niet uitgesloten mogen worden van een HCV-therapie. De beslissing over de inleiding van de behandeling van HCV onder actieve IDU moet geval per geval genomen worden… Strategieën om de therapietrouw te versterken zijn belangrijk, vooral gezien de mogelijkheid van medicijnweerstand bij de opkomende, direct werkende antivirale middelenâ€.
NOG BETER HEP C-RESULTAAT MET VIERDUBBEL COMBO VAN VERTEX.
Originele titel: Even Better Hep C Outcome with Vertex’s Quad Combo
Bron: www.hepatitis-central.com, 2 augustus 2011
In een studie, ‘Zenith’ genaamd, vindt Vertex dat een combinatie van vier medicijnen in slechts 12 weken hepatitis C kan elimineren bij de helft van de deelnemers.
Hepatitis C-combo van 4 medicijnen van Vertex is beloftevol.
• Behandeling combineert VX-222, Telaprevir en 2 oudere medicijnen.
• De helft van de behandelde patiënten elimineert het virus in 12 weken.
• Vertex-aandelen vallen 0,6 procent (toevoeging van analistencommentaar, veiligheidsdetails, achtergrond, updates).
In een kleine middenfase-studie kregen hepatitis C-patiënten een combinatie van vier medicijnen, waaronder twee geneesmiddelen van ‘Vertex Pharmaceuticals’. Volgens de tussentijdse studieresultaten, was de helft van deze personen in staat om te stoppen met de behandeling na slechts 12 weken.
Dinsdag heeft Vertex voorlopige resultaten van deze proef vrijgegeven, die het experimenteel, oraal medicijn ‘VX-222’ van het bedrijf toevoegde aan haar onlangs goedgekeurde pil ‘Telaprevir’ en aan de traditionele standaardbehandelingen van gepegyleerde Interferon en Ribavirine.
Uit tussentijdse resultaten van de Zenith-studie bleek dat 50 procent van de patiënten (15 van 30), die de combinatie kregen van de vier medicijnen, waaronder 400 mg VX-222, in staat was om te stoppen met alle behandelingen na 12 weken, en dat 93 procent van deze patiënten 12 weken na het einde van de behandeling een niet-detecteerbaar virus had.
Patiënten met een respons die niet in aanmerking kwam om te stoppen met de behandeling na 12 weken, kregen de twee oudere medicijnen gedurende nog eens 12 weken. Deze 13 personen leken allemaal genezen te zijn na 24 behandelingsweken, zei Vertex.
“Het aantal patiënten is relatief klein in deze studie, en de resultaten zijn nog onvolledig, maar ze zijn bemoedigender dan we verwacht hadden”, zei Geoffrey Porges, analist bij Sanford Bernstein, in een onderzoeksnota. Porges waarschuwde echter: “Het is nog te vroeg om te verklaren dat VX-222 een levensvatbaar medicijn is, dat een significante waarde verdient in de huidige prijsvoorraad van Vertex. De verdraagbaarheid en de veiligheid zullen nog vastgesteld moeten worden in veel grotere proeven”.
“Wereldwijd zijn ongeveer 130 tot 170 miljoen mensen chronisch geïnfecteerd met het hepatitis C-virus, en elk jaar sterven er meer dan 350.000 patiënten aan hepatitis C-gerelateerde leverziektenâ€, volgens de ‘World Health Organization’.
Van Telaprevir wordt verwacht dat het medicijn een verkoop van miljarden dollar zal meebrengen en dat het een onderdeel zal worden van de nieuwe standaardzorg voor een ernstige leverziekte. Samen met Boceprevir, een soortgelijk nieuw medicijn van Merck & Co, verwacht men dat Telaprevir de behandeling van miljoenen patiënten zal transformeren, door de genezingspercentages aanzienlijk te verhogen, en door het behandelingsschema van 48 weken (nodig met de oudere medicijnen) voor veel patiënten met de helft te verminderen. Onderzoekers en verscheidene bedrijven hopen dat combinatietherapieën met zelfs nog nieuwere geneesmiddelen de behandelingsduur zullen blijven verkorten, aangezien Interferon vaak griepachtige symptomen veroorzaakt, waardoor de patiënten zich ellendig voelen.
Met een combinatie, waarin 100 mg VX-222 opgenomen wordt gedurende 12 weken, werd een aanhoudende virale respons bereikt door 82 procent van de patiënten, of negen personen op 11.
“De resultaten van deze studie zijn de eerste om de mogelijkheden te laten zien van een combinatie van meerdere, directe werkende antivirale geneesmiddelen, om mensen met hepatitis C te helpen bij het elimineren van het virus, met een behandeling van slechts 12 weken, of van niet meer dan 24 weken”, verklaarde Robert Kauffman, Chief Medical Officer van Vertex.
De patiënten in deze studie hadden hepatitis C van genotype 1, de meest voorkomende en meest moeilijk te behandelen vorm van de ziekte, en ze kregen niet eerder een behandeling.
VX-222 behoort tot een klasse van medicijnen, polymeraseremmers genoemd, en het werkt via een ander mechanisme dan Telaprevir, een proteaseremmer die rechtstreeks een enzyme blokkeert dat essentieel is voor de virale replicatie.
De meest voorkomende bijwerkingen van een regime met de vier medicijnen waren vermoeidheid, misselijkheid, diarree, bloedarmoede, jeuk en huiduitslag. Zes patiënten hebben hun behandeling stopgezet vanwege bijwerkingen.
Geoff Meacham, analist van JPMorgan, noemde het vroege veiligheidsprofiel ‘bemoedigend’, zonder gevallen van nierfalen of ernstige diarree.
REGIME MET 4 MEDICIJNEN KAN HEPATITIS C GENOTYPE 1 GENEZEN IN 12 WEKEN.
Originele titel: 4-Drug Regimen Can Cure Genotype 1 Hepatitis C in 12 Weeks
Bron: www.hivandhepatitis.com, 2 augustus 2011
Tussentijdse resultaten van de Fase II ZENITH-studie tonen aan dat eerder onbehandelde mensen met HCV genotype 1 een aanhoudende virologische respons kunnen bereiken in slechts 12 weken door gebruik te maken van een vierdubbel regime, bestaande uit Telaprevir, de experimentele HCV-polymeraseremmer VX-222, gepegyleerde Interferon en Ribavirine. Een nieuw toegevoegde arm zal Telaprevir, VX-222 en Ribavirine analyseren zonder Interferon.
Hieronder volgt een bewerkt fragment uit een persbericht van ‘Vertex Pharmaceuticals’ met een beschrijving van de studie en haar bevindingen.
Eerste gegevens tonen potentieel voor virale genezing van vele patiënten met een combinatieregime van 12 weken van meerdere direct werkende antivirale middelen.
‘Vertex Pharmaceuticals Incorporated’ (Nasdaq: VRTX) kondigde vandaag (26 juli 2011) tussentijdse resultaten aan van ‘ZENITH’, een lopende Fase II-studie ter beoordeling van de veiligheid, de verdraagbaarheid en de werkzaamheid van meerdere reactie-geleide behandelingsregimes, van12 tot 24 weken, met VX-222 (400 mg of 100 mg), haar belangrijkste experimentele polymeraseremmer, in combinatie met Telaprevir-tabletten, gepegyleerde Interferon en Ribavirine, bij mensen met chronische hepatitis C van genotype 1, die voor de eerste keer behandeld werden.
Het is een voorlopige analyse van de patiënten in de behandelingsarmen met de 4 medicijnen, en ze werd uitgevoerd nadat deze patiënten de hun toegewezen behandeling voltooiden. De resultaten toonden aan dat 50 procent van de studiedeelnemers (15/30) die VX-222 (400 mg) kregen, in combinatie met Telaprevir, gepegyleerde Interferon en Ribavirine, in aanmerking kwamen om alle behandelingen te stoppen in week 12. En 93 procent (14/15) van deze patiënten had een niet-detecteerbaar hepatitis C-virus 12 weken nadat de behandeling beëindigd werd (aanhoudende virologische respons 12, of SVR12). Patiënten uit de VX-222 (400 mg) behandelingsarm die niet in aanmerking kwamen om te stoppen met alle behandelingen in week 12, kregen gedurende 12 extra weken gepegyleerde Interferon en Ribavirine alleen, dus in totaal 24 behandelingsweken. Aan het einde van deze 24 weken kon het hepatitis C-virus niet getraceerd worden bij 100 procent (13/13) van deze patiënten.
In deze studie werden VX-222, Telaprevir en Ribavirine tweemaal dagelijks (BID) toegediend. Uit tussentijdse veiligheidsresultaten van de behandelingsarmen die de vier medicijnen gebruikten, is gebleken dat milde gastro-intestinale symptomen en milde vermoeidheid de meest gerapporteerde bijwerkingen waren. Er werden ook bijwerkingen waargenomen die in overeenstemming waren met het bekende veiligheidsprofiel van een combinatietherapie met Telaprevir.
“De resultaten van deze studie zijn de eerste die de mogelijkheden laten zien voor een combinatie van meerdere direct werkende antivirale geneesmiddelen, om mensen met hepatitis C te helpen om het virus te elimineren na een behandeling van slechts 12 weken, of na niet meer dan 24 weken”, zei Robert Kauffman, MD, PhD, Senior Vice President en Chief Medical Officer van Vertex.
“We kijken uit naar aanvullende gegevens uit deze studie, waaronder gegevens uit de lopende, volledig orale behandelingsarmen, die onze toekomstige ontwikkelingsplannen zullen leiden, met als doel de verdere verbetering van de behandeling”.
‘ZENITH’ is een lopende Fase II-studie, die aanvankelijk 106 mensen met chronische hepatitis C van genotype 1 ingeschreven heeft, en die begon met vier behandelingsarmen die ontworpen werden voor de evaluatie van meerdere reactie-geleide behandelingsregimes met VX-222, de belangrijkste experimentele polymeraseremmer van Vertex, in combinatie met Telaprevir, Pegasys (gepegyleerde Interferon alfa-2a) en Copegus (Ribavirine), drie geneesmiddelen die goedgekeurd werden voor de behandeling van hepatitis C. In deze studie werden VX-222, Telaprevir en Ribavirine tweemaal per dag toegediend.
Het primaire eindpunt van de studie is de veiligheid en de verdraagbaarheid. Het secundaire eindpunt is de antivirale activiteit tijdens de behandeling en het aantal mensen dat een aanhoudende virologische respons bereikt in elke behandelingsarm. Bijkomende resultaten van deze studie zullen op een aanstaande medische vergadering voorgelegd worden.
Arm A (n = 18) en arm B (n = 29) waren ontworpen voor de evaluatie van regimes met de volledig orale, dubbele medicijnencombinatie van VX-222 (400 mg of 100 mg) en Telaprevir (1.125 mg). Gegevens, die in maart reeds voorgesteld werden op het ‘Internationale Lever Congres 2011’ van de 46ste jaarlijkse bijeenkomst van de ‘Europese Vereniging voor de Studie van de Lever’ (EASL) in Berlijn, Duitsland, toonden een aanzienlijke initiële antivirale activiteit bij mensen die behandeld werden met VX-222 (400 mg) en Telaprevir. Maar deze behandelingsarmen werden stopgezet ten gevolge van een vooraf gedefinieerde stopregel, gerelateerd aan een virale doorbraak.
Arm C (n = 29) en arm D (n = 30) zijn nog aan de gang en ze zijn ontworpen voor de evaluatie van combinatieregimes met de vier medicijnen VX-222 (400 mg of 100 mg), Telaprevir (1.125 mg), gepegyleerde Interferon en Ribavirine.
De gegevens die vandaag aangekondigd werden, zijn afkomstig van de behandelingsarmen met de vier medicijnen (arm C en arm D). In deze twee armen werden de patiënten aangewezen om gedurende de eerste 12 weken van de behandeling de vier geneesmiddelen in te nemen. Mensen die niet detecteerbare niveaus van het hepatitis C-virus(HCV-RNA) in hun bloed hadden na week twee en na week acht van de behandeling, kwamen in aanmerking om te stoppen met alle behandelingen in week 12. De hoeveelheid van het hepatitis C-virus in het bloed werd in deze studie gemeten door de ‘Roche COBAS Taqman’ HCV-test (< 10 IU/ml).
Mensen die niet voldeden aan deze criteria, werden doorverwezen naar het ontvangen van 24 totale behandelingsweken: 12 weken het combinatieregime van de vier medicijnen, gevolgd door 12 weken gepegyleerde Interferon en Ribavirine alleen.
Deze tussentijdse analyse omvat resultaten van SVR12 bij de mensen die in aanmerking kwamen voor 12 behandelingsweken (en die de behandeling ook voltooiden), evenals eindbehandelingsresultaten bij de mensen die aangewezen waren voor 24 behandelingsweken (en die eveneens hun behandeling voltooiden).
Er werden twee extra behandelingstakken toegevoegd aan de studie (arm E en arm F), voor de evaluatie van een volledig oraal Interferon-vrij regime van de drie medicijnen VX-222 (400 mg), Telaprevir en Ribavirine. De inschrijvingen voor deze behandelingsarmen zullen waarschijnlijk afgerond worden tegen het einde van het derde kwartaal van 2011. Arm E zal mensen met chronische hepatitis C van genotype 1b evalueren, en arm F zal personen met chronische hepatitis C van genotype 1a beoordelen. Vertex verwacht de rapportgegevens uit de armen van de volledig orale behandelingen in de eerste helft van 2012.
Tussentijdse resultaten over veiligheid en verdraagbaarheid in de behandelingsarmen met de 4 medicijnen.
De meest voorkomende bijwerkingen die waargenomen werden in de behandelingsarmen met de vier medicijnen waren: vermoeidheid, misselijkheid, diarree, bloedarmoede, pruritus (jeuk) en huiduitslag. De meerderheid van deze bijwerkingen was mild of matig. Milde diarree kwam vaker voor in de behandelingsarm van VX-222 (400 mg). De meerderheid van de studiedeelnemers maakte geen gebruik van medicatie tegen diarree. Er waren ook geen stopzettingen ten gevolge van diarree.
Zes patiënten stopten met de behandeling wegens bijwerkingen: drie in de arm van 400 mg en drie in de arm van 100 mg. Twee mensen uit elke arm stopten met de behandeling vóór week 12, en één persoon in elke arm stopte tussen week 12 en week 24 toen alleen gepegyleerde Interferon en Ribavirine gegeven werd.
RACIALE VERSCHILLEN OM IN AANMERKING TE KOMEN VOOR EEN HEP C-BEHANDELING.
Originele titel: Racial Differences in Eligibility for Hepatitis C Treatment
Bron: www.hivandhepatitis.com, 2 augustus 2011
Zwarte hepatitis C-patiënten hadden aanzienlijk meer kans om beschouwd te worden als ‘niet in aanmerking komend voor een behandeling’, wat voornamelijk te wijten was aan neutropenie (tekort aan witte bloedlichaampjes) en ongecontroleerde medische aandoeningen, volgens een recente studie. Minder strikte neutrofiele criteria om in aanmerking te komen en meer effectieve zorg voor chronische ziekten zouden de toegang tot een HCV-behandeling voor zwarte mensen kunnen verhogen.
In de editie van juli 2011 van het tijdschrift ‘Hepatology’, beschreven Michael Melia en zijn collega’s een analyse van de behandeling van het hepatitis C-virus (HCV) onder zwarte patiënten, namens het ‘IDEAL’-studieteam (geïndividualiseerde doseringswerkzaamheid ter beoordeling van optimale therapie met gepegyleerde Interferon).
In de VS wordt de zwarte bevolking onevenredig besmet met HCV. Ongeveer 3% van de zwarte populatie leeft met HCV, in vergelijking met 1,5% van de niet-Spaanse blanken. De behandelingspercentages van hepatitis C voor zwarte mensen zijn relatief laag, zowel in de onderzoeksinstellingen als in de klinische praktijk. Blanken hebben bijvoorbeeld 64% meer kans dan zwarten op een HCV-behandeling in het ‘US Veterans Affairs Health System’ (gezondheidssysteem voor Amerikaanse veteranen).
Meerdere biomedische factoren dragen bij tot deze ongelijkheid. Vergeleken met blanken, hebben zwarte personen meer kans op moeilijk te behandelen HCV van genotype 1, en ze reageren minder goed op een therapie die gebaseerd is op Interferon. Sociaaleconomische factoren, zoals beperkte toegang tot medische zorg, ontoereikende ziektekostenverzekering en vooringenomenheid, kunnen ook bijdragen tot lage behandelingsrata.
Melia en zijn collega’s analyseerden gegevens uit de IDEAL-studie, om beter te begrijpen welke impact een bepaald ras heeft op het in aanmerking komen voor een HCV-behandeling. IDEAL screende meer dan 4.400 mensen, van 18 tot 70 jaar oud, van 118 academische en communautaire medische centra. De voorwaarden om opgenomen te worden in de studie waren: HCV genotype 1 hebben, geen eerdere hepatitis C-behandeling ondergaan hebben en aan een gecompenseerde leverziekte lijden. Het primaire eindpunt was een aanhoudende virologische respons (SVR) 24 weken na het beëindigen van de therapie.
Het aantal geïdentificeerde zwarte mensen in de studie (19%) was representatief voor de HCV-prevalentie onder de algemene populatie. Alle behandelingen en aanverwante zorgen werden kosteloos verstrekt aan de deelnemers, waardoor er geen belemmeringen waren voor de toegang ertoe. IDEAL bestond uit 3 armen, voor de vergelijking van 1.0 of 1.5 mcg/kg/week gepegyleerde Interferon alfa-2b (PegIntron) of gepegyleerde Interferon alfa-2a (Pegasys), gecombineerd met Ribavirine. Maar het doel van deze analyse was toch om de proportie te bepalen van wie per ras in aanmerking kwam voor een behandeling en om de redenen te bepalen voor het niet in aanmerking komen.
In totaal werden 4.469 mensen gescreend voor de studie – 21,5% zwarte mensen en 78,5% niet zwarte personen. Van diegenen die gescreend werden, kwamen er 3.083 (69%) in aanmerking en ze werden gerandomiseerd toegewezen aan 1 van de 3 behandelingsarmen. De resterende 1.386 mensen (31%) bleken niet in aanmerking te komen tijdens de screening.
Resultaten.
• Vergeleken met niet-zwarte patiënten, waren zwarte deelnemers gemiddeld ouder, zwaarder en ze hadden meer kans op HCV genotype 1b.
• Niet in aanmerking komen tijdens de screening kwam vaker voor onder zwarte personen (40% van de 962 gescreenden) in vergelijking met niet-zwarte patiënten (28,5% van de 3.507 gescreenden).
• Over het algemeen hadden zwarte patiënten 41% meer kans dan niet-zwarte patiënten om niet in aanmerking te komen tijdens de screening.
• Raciale verschillen werden ook waargenomen bij de deelgroep van de 1.038 patiënten die geacht werden om niet in aanmerking te komen voor een behandeling.
• Over het geheel genomen kwam 29,5% van de zwarte personen (284 van de 962 gescreenden) en 21,5% van de niet-zwarte personen (754 van de 3.507 gescreenden) niet in aanmerking.
• Zwarte patiënten kwamen 37% minder waarschijnlijk in aanmerking voor een HCV-behandeling in deze studie.
• Niet-zwarte personen hadden meer kans dan zwarte personen om te worden uitgesloten omwille van niet detecteerbaar HCV-RNA of infecties met genotype 2 of 3.
• Nadat de analyse beperkt werd tot de patiënten met genotype 1, hadden zwarte patiënten 65% minder kans dan niet-zwarte patiënten om in aanmerking te komen voor een HCV-behandeling.
• Vergeleken met niet-zwarte personen, hadden zwarte patiënten meer kans om niet in aanmerking te komen ten gevolge van abnormale hematologische bevindingen, van abnormale waarden van de bloedchemie, en/of van ongecontroleerde diabetes mellitus.
• Hematologische parameters, die zwarte personen meer beïnvloedden dan niet-zwarte personen, omvatten neutropenie (lage telling van witte bloedcellen) en bloedarmoede (lage telling van rode bloedcellen of hemoglobineniveaus), die beide mogelijke bijwerkingen zijn van een behandeling met gepegyleerde Interferon/Ribavirine.
• Abnormale bloedwaarden, waardoor zwarte patiënten meer kans hadden om uitgesloten te worden, waren verhoogde bloedglucose en verhoogde serum-creatinine-niveaus.
• Trombocytopenie (lage telling van bloedplaatjes) kwam echter meer voor onder niet-zwarte personen dan onder zwarte personen.
• Niet-zwarte patiënten hadden meer kans dan zwarte patiënten om uitgesloten te worden voor de studie omwille van recent drug- of alcoholmisbruik.
• Met betrekking tot cardiale ziekten of psychiatrische aandoeningen (met inbegrip van ‘matige-naar-ernstige’ depressie), werd er geen verschil gevonden tussen zwarte patiënten en niet-zwarte patiënten om in aanmerking te komen voor een behandeling.
De auteurs schreven: “…De populatie van de IDEAL-studie vertegenwoordigt een uniek staal van patiënten die een behandeling zochten voor HCV in de VS. Verder waren de criteria om in aanmerking te komen voor een HCV-behandeling in deze studie (na goedkeuring) gelijk aan de criteria die aanbevolen worden voor gebruik in de routine van de klinische praktijk”.
In dit verband gingen ze verder: “De bevindingen, dat bijna 25% van de patiënten die zich aanbieden in medische centra voor een behandeling van hepatitis C niet in aanmerking komen voor gepegyleerde Interferon/Ribavirine, en dat zwarte Amerikanen 65% meer kans hebben dan niet-zwarte Amerikanen om niet in aanmerking te komen voor een therapie, hebben belangrijke gevolgen voor de volksgezondheid”.
De auteurs suggereerden dat de klinische praktijk, en ook toekomstige studies, het in aanmerking komen voor een HCV-behandeling onder zwarte personen zou kunnen verhogen, door gebruik te maken van een minder conservatieve drempelwaarde voor het absolute neutrofiele aantal (ANC), waardoor de onnodige uitsluiting van zwarte patiënten geminimaliseerd zou kunnen worden.
“Bijvoorbeeld: als een ANC-drempel van > 1200/mmᵌ gebruikt zou worden in de huidige studie, zou 50% van de zwarte patiënten die uitgesloten werden omwille van neutropenie wel in aanmerking gekomen zijn”.
De auteurs concludeerden dat verbeteringen in de gezondheidszorg ook het in aanmerking komen voor de behandeling van HCV zou kunnen verhogen onder zwarte Amerikanen, vooral dan verbeteringen van de interventies om te helpen bij de controle van obesitas, diabetes, nierinsufficiëntie en daarmee gepaard gaande complicaties.
EXPERIMENTEEL HCV-VACCIN INDUCEERT BREED NEUTRALISERENDE ANTILICHAMEN BIJ MUIZEN EN APEN.
Originele titel: Experimental HCV Vaccine Induces Broadly Neutralizing Antibodies in Mice and Monkeys
Bron: www.hivandhepatitis.com, 6 augustus 2011
Franse onderzoekers hebben een verdere stap gezet naar het ongrijpbare doel van een vaccin tegen hepatitis C. Ze gebruikten virusachtige deeltjes, die een brede neutraliserende antilichaamrespons stimuleerden, die effectief was tegen meerdere genotypes van HCV, volgens een rapport in het nummer van 3 augustus 2011 van ‘Science Translational Medicine’.
Het hepatitis C-virus (HCV) muteert uitgebreid als het zich repliceert, waardoor een besmet persoon een breed scala van variante stammen krijgt. Deze diversiteit helpt het virus zich onttrekken aan het immuunsysteem, en maakt het moeilijk om een breed actief vaccin te creëren dat tegen meerdere varianten kan beschermen. Terwijl er reeds effectieve vaccins bestaan voor hepatitis A en B, lijkt hepatitis C sterker op HIV wat betreft de moeilijkheid van de taak. Pierre Garrone, en zijn collega’s van ‘Epixis S.A.’ in Lyon, ontwikkelde een experimenteel vaccin, gebaseerd op ‘gepseudotypeerde’ virusachtige deeltjes (VLP), die aangemaakt werden met het retrovirale ‘Gag-proteïne’.
Deze deeltjes lijken op virussen, maar aangezien ze geen viraal genetisch materiaal bevatten, kunnen ze zich niet repliceren, en hierdoor zijn ze dus niet besmettelijk. Het vaccin werd ontworpen voor de uitlokking van de productie van breed neutraliserende antilichamen, of ‘NAb’, die meerdere virale stammen kunnen herkennen.
Resultaten.
• VLP’s, gepseudotypeerd met het HCV-envelop-glycoproteïne E1 of E2, stimuleerden de productie van hoge titers anti-E1 of anti-E2 antilichamen.
• Het VLP-vaccin ontlokte ook de productie van neutraliserende antilichamen, zowel bij muizen als bij makaak-apen.
• Neutraliserende antilichamen, geproduceerd als reactie op HCV genotype 1a, konden ook 5 andere genotypes kruis-neutraliseren: 1b, 2a, 2b, 4 en 5.
Daarom concludeerden de auteurs van de studie: “Het beschreven VLP-platform, dat gepseudotypeerd kan worden met een uitgebreid scala van virus-envelop-glycoproteïnen, vertegenwoordigt een nieuwe aanpak van de virale vaccinontwikkeling”.
“In de context van een eerdere klinische proef, die recombinant gezuiverd HCV-eiwit E1/E2 als vaccin sub-eenheid gebruikte, en naast de extra bevindingen uit de VLP-strategie, kunnen deze resultaten leiden tot een nieuw HCV-vaccin, dat een neutraliserende antilichaamrespons induceert”, schreef Ranjit Ray van de Saint Louis University in een begeleidend redactioneel perspectief.
Top
