• HEPATITIS BESEF: 10 RISICO’S VOOR LEVERKANKER. 28 februari 2011
• HEPATITIS B EN C ONDERZOEK KRIJGT FONDSEN TOEGEWEZEN IN AZIË1 maart 2011
• NIERTOXICITEIT KOMT NIET VEEL VOOR BIJ MENSEN DIE TENOFOVIR NEMEN VOOR HEPATITIS B. 19 april 2011
• OVERSCHAKELING NAAR LAMIVUDINE NIET ZO EFFECTIEF ALS ENTECAVIR BLIJVEN NEMEN. 6 mei april 2011
• PERSONEN MET HEPATITIS B OF C HEBBEN HEPATITIS A IMMUNITEIT NODIG. 16 mei 2011
• LANGDURIGE ENTECAVIR VOOR TRAGE RESPONDERS. 3 juni 2011
• DOODSOORZAKEN BIJ MENSEN MET HEPATITIS B EN C. 18 juni 2011
• ZEVEN MANIEREN OM ACUTE HEPATITIS B SYMPTOMEN TE VERZACHTEN.27 juni 2011
• VS RICHT ZICH EINDELIJK OP VIRALE HEPATITIS. 11 juli 2011
• HBV ANTIVIRALE MIDDELEN, VIRALE DOORBRAAK EN MEDICIJNRESISTENTIE. 13 juli 2011
• ENTECAVIR VERSUS ADEFOVIR BIJ HEP B PATIËNTEN MET LEVERDECOMPENSATIE.. 26 juli 2011
• 10 MILJOEN INJECTERENDE DRUGGEBRUIKERS KUNNEN HEPATITIS B OF C HEBBEN. 29 juli 2011
• VROEGE DALING VAN HBEAG VOORSPELT RESPONS OP ENTECAVIR VOOR HEPATITIS B. 10 augustus 2011
• EFFECTIVITEIT VAN ENTECAVIR OP LANGE TERMIJN VOOR MENSEN MET HEPATITIS B. 17 augustus 2011
• HOGE VIRALE LADING VAN HBV VOORSPELT LEVERFIBROSE EN KANKER. 30 augustus 2011
• ENTECAVIR MINDER DOELTREFFEND VOOR PATIËNTEN MET MULTIRESISTENTE HEPATITIS B. 5 oktober 2011
• DUBBELE DOSIS HEPLISAV WERKT EVEN GOED ALS 3 DOSES STANDAARD HBV-VACCIN. 7 oktober 2011
• HET AUSTRALIË-ANTIGEN EN DE ROL VAN HET VROEGERE PHILADELPHIA GENERAL HOSPITAL IN HET VERMINDEREN VAN POST-TRANSFUSIE HEPATITIS EN ZIJN GEVOLGEN. 5 oktober 2011
• DUBBELE DOSIS HEPLISAV WERKT EVEN GOED ALS 3 DOSES STANDAARD HBV-VACCIN. 7 oktober 2011
• GILEAD EN GLOBEIMMUNE WERKEN SAMEN AAN THERAPEUTISCH HEPATITIS B-VACCIN. 29 oktober 2011
• AMERIKAANSE ADVISEURS BEVELEN HEP B-VACCIN AAN VOOR DIABETICI. 3 november 2011
• SNELLER EN VAKER LEVERKANKER-SCREENING NODIG VOOR SOMMIGE HEP B-PATIËNTEN. 5 november 2011
• LANG GEBRUIK VAN TENOFOVIR VOOR CHRONISCHE HEP B VERMINDERT LEVERONTSTEKING EN CIRROSE. 9 november 2011
HEPATITIS BESEF: 10 RISICO’S VOOR LEVERKANKER.
Originele titel: Hepatitis Awareness: 10 Liver Cancer Risks
Bron: www.hepatitis-central.com, 28 februari 2011
Om controleerbare aandoeningen te voorkomen, die de ontwikkeling van leverkanker bevorderen, is deze lijst met de meest voorkomende risico’s voor leverkanker nuttig voor mensen met chronische hepatitis.
Hepatitis B of C virusinfectie: Wereldwijd zijn virale leverinfecties de meest voorkomende oorzaken van leverkanker. De rata van hepatitis C infecties gaan in stijgende lijn in de Verenigde Staten, en dit is ook een factor die bijdraagt tot de stijgende rata van leverkanker.
- Alcohol: Leverschade is het meest bekende gevaar van overmatig alcoholgebruik. Cirrose is een veel voorkomende stap op de weg naar leverkanker.
- Obesitas: Een studie van 28 129 personen in Zweden toonde een drievoudige toename van de leverkankergevallen bij patiënten met obesitas. Overgewicht wordt ook geassocieerd met een hoger sterftecijfer ten gevolge van deze vorm van kanker. Stijgende rata van obesitas kunnen bijdragen tot de verhoging van de rata van leverkanker.
- Erfelijke hemo-chromatose: Dit is een vrij veel voorkomende genetische aandoening, gevonden bij maximaal één op 200 mensen van Noord-Europese afkomst. De ziekte is echter niet bekend bij de meesten van ons. Bij vrouwen ontwikkelen de symptomen zich gewoonlijk na de leeftijd van 50 jaar en ze kunnen verward worden met peri-menopauze veranderingen. Patiënten met hemo-chromatose hopen teveel ijzer op in hun lichaam, vooral in de lever. Dit interfereert met de normale leverfunctie. De symptomen variëren van mild tot levensbedreigend. De patiënten lopen een verhoogd risico voor zowel leverkanker als leverfalen. Deze aandoening kan diagnosticeerd worden via bloedonderzoek.
- Eetgewoonten: Rood vlees en een hoge opname van ijzer worden geassocieerd met een verhoogd risico op leverkanker, terwijl groenten en zuivelproducten geassocieerd worden met een lager risico. Koffie is sterk geassocieerd met een lager risico. Dit zou erop kunnen wijzen dat koffie een aantal beschermende voordelen heeft, maar het metabolisme van koffie wordt verminderd door cirrotische levers, dus kan het zijn dat mensen die al een verhoogd risico lopen op leverkanker, koffie onaangenaam vinden.
- Roken: Hoewel longkanker een meer vertrouwd risico van roken is, worden ook andere vormen van kanker, waaronder leverkanker, geassocieerd met tabaksproducten.
- Diabetes: Sommige studies beweren dat diabetes een risicofactor is, onafhankelijk van obesitas en voedingsfactoren, hoewel meer onderzoek nodig is om deze factor te kwantificeren.
- Orale anticonceptiva: Er zijn aanwijzingen dat het gebruik op lange termijn (meer dan vijf jaar) van orale anticonceptiva de kans op leverkanker kan vergroten. Meer onderzoek is nodig op dit gebied.
- Betel tabakspruim: Dit is de noot van de Areca catechu palm, die vaak gekauwd wordt in sommige delen van de wereld.
- Aflatoxine: Dit is een schimmelproduct dat voorkomt in voedingsmiddelen die geteeld zijn in warme, vochtige klimaten, of die opgeslagen zijn in warme, vochtige omstandigheden.
> Overzicht
HEPATITIS B EN C ONDERZOEK KRIJGT FONDSEN TOEGEWEZEN IN AZIË.
Originele titel: Hepatitis B and C Research Awarded Funds in Asia
Bron: www.firstscience.com, 1 maart 2011
Chinese en Indiase onderzoekers krijgen bijna $ 1 000 000 van de Bristol-Myers Squibb Foundation om de bewustwording, de preventie en de zorgverlening van hepatitis te verbeteren.
Bristol-Myers Squibb Foundation geeft bijna $ 1 000 000 aan HBV en HCV bewustwording, preventie en zorgverlening.
De Bristol-Myers Squibb Foundation heeft vier nieuwe subsidies toegekend, om de bewustwording, de preventie en de verzorging van hepatitis B (HBV) en hepatitis C (HCV) te helpen verbeteren in China en India. De subsidies bedragen in totaal bijna 1 miljoen USD, en ze brengen de inzet van de Stichting, om de bestaande verschillen in hepatitis gerelateerde gezondheidsproblemen in Azië te verminderen, tot 8 miljoen USD in de afgelopen drie jaar. De subsidieontvangers werden bekendgemaakt tijdens de conferentie van de ‘Asian Pacific Association for the Study of the Liver’ (APASL), in 2011 in Bangkok, Thailand, waar de leiders op gebied van de hepatologie zich verzamelden om wetenschappelijke vooruitgang en onderwijs te promoten in het Aziatisch gebied van de Stille Oceaan.
De missie van de Bristol-Myers Squibb Foundation is: “Helpen om de gezondheidsverschillen te verkleinen in gemeenschappen waar de behoeften het grootst zijn”. China en India hebben samen naar schatting 123 miljoen mensen die chronisch geïnfecteerd zijn met HBV, en 59 miljoen mensen zijn chronisch geïnfecteerd met HCV, goed voor bijna 50 procent van alle HBV en HCV infecties wereldwijd.
De werkzaamheden van de Stichting met betrekking tot hepatitis in Azië vallen onder het overkoepelend programma van ‘Delivering Hope ™: Awareness, Prevention and Care’. Tot op heden heeft ‘Delivering Hope’ 32 subsidies ondersteund uit het programma voor heel Azië, met name 14 subsidies op het vasteland van China, drie in Taiwan, 12 in India en drie in Japan.
“Onze vier nieuwe begunstigden weerspiegelen het beste gebruik van de middelen om hepatitis B en C gerelateerde verschillen terug te dringen in China en India. Ze mobiliseren, dienen en versterken de gezondheidszorgen van hun lokale gemeenschappen in de strijd tegen deze ziekten”, aldus John Damonti, voorzitter van de Bristol-Myers Squibb Foundation.
“We kijken uit naar een verbeterde bewustwording, preventie en zorgverstrekking van hepatitis in de gemeenschappen van deze landen, alsook naar de toepassing van onze belangrijkste lessen uit deze programma’s in andere landen”.
In overeenstemming met de toezegging van de Stichting tot het delen van geleerde lessen, zullen de begunstigden van de subsidies een uitgebreid eindverslag moeten voorbereiden bij de voltooiing van hun projecten. Deze verslagen zullen meegedeeld worden aan de HBV en HCV gemeenschap, om het geheel van kennis over preventie, zorgverlening en ondersteuning van hepatitis te verbeteren.
Chinese subsidieontvanger wil een publiek beleid voor HCV aanbevelen.
In China zijn ongeveer 40 miljoen mensen geïnfecteerd met HCV, waardoor de Chinese regering verklaard heeft dat de ziekte een dringend probleem is voor de volksgezondheid. Men schat dat de prevalentie van HCV zal blijven groeien, en ook de daarmee samenhangende comorbiditeit, zoals leveraandoeningen, levercirrose en kanker, is een groeiend gezondheidsprobleem.
De Chinese subsidiewinnaar, de ‘Wu Jieping Geneeskundige Stichting’, zal een operationele studie uitvoeren over de sociaal-economische last van HCV patiënten en hun families in China. De studie zal gericht zijn op de aanbeveling van een beleid dat de preventie en de toegang tot zorgverstrekking zal verbeteren. De subsidie zal ook een uitgebreid interventieprogramma financieren voor een cohort van HCV patiënten.
Subsidies in India verstrekken onderwijs en hepatitis vaccinatie voor een breed publiek.
India is één van de snelst groeiende economieën, maar ongeveer 25 tot 30 procent van de bevolking leeft onder de armoedegrens. In India zijn meer dan 30 miljoen mensen besmet met HBV en 19 miljoen personen zijn besmet met HCV.
De Stichting heeft drie subsidies toegekend aan organisaties die in India gevestigd zijn.
‘United Way Mumbai’ zal een uitgebreide HBV en HCV voorlichtingscampagne voeren, gericht op studenten en groepen met een hoog risico. De campagne zal promotie voeren voor HBV vaccinatie, voor HBV en HCV diagnostiek en voor een vroege verwijzing naar de zorgverlening.
De ‘Hepatitis Stichting van Tripura’ zal samenwerken met de regering van Tripura, om HBV vaccinaties te laten uitvoeren bij de geboorte, en om opleidingen over de ziekte te verstrekken aan professionals in de gezondheidszorg en aan maatschappelijke groeperingen van moeders en hun gezinnen.
Het initiatief van de ‘Health Oriented Programmes and Education’ (HOPE) (programma’s en opvoeding gericht op de gezondheid) is een publiek-private samenwerking, die voor HBV onderwijs zal zorgen bij schoolgaande kinderen in Uttar Pradesh, in de hoop dat deze informatie verspreid zal worden onder hun families en hun lokale gemeenschappen. De overheid van de deelstaat Uttar Pradesh heeft zijn goedkeuring gegeven aan het programma, en ze zal een actieve partner zijn voor de ontwikkeling ervan in de dichtstbevolkte staat van India.
> Overzicht
NIERTOXICITEIT KOMT NIET VEEL VOOR BIJ MENSEN DIE TENOFOVIR NEMEN VOOR HEPATITIS B.
Originele titel: Kidney Toxicity Uncommon among People Taking Tenofovir for Hepatitis B
Bron: www.hivandhepatitis.com, 19 april 2011
Mensen die Tenofovir nemen om chronische hepatitis B te behandelen, ervaren zelden nierverslechteringen en deze populatie lijkt niet voorbestemd tot botproblemen, hebben onderzoekers gemeld tijdens het Congres van EASL 2011.
Tenofovir (Viread, ook in de Truvada en Atripla coformuleringen) is zeer effectief voor de behandeling van zowel het hepatitis B virus (HBV) als HIV, maar het kan nierbeschadiging veroorzaken bij gevoelige personen.
Zoals vermeld in een poster op het Internationaal Lever Congres van de Europese Associatie voor de Studie van de lever (EASL) deze maand in Berlijn, hebben Franse onderzoekers de veranderingen vergeleken van de ‘glomerulaire filtratiesnelheid’ (GFR) – een laboratoriummeting van de nierfunctie – bij mono-geïnfecteerde HIV, bij mono-geïnfecteerde HBV, en bij HIV/HBV geco-infecteerde patiënten, die behandeld werden met Tenofovir.
Deze retrospectieve analyse omvatte 194 HIV positieve patiënten, die een eerstelijns anti-retrovirale therapie volgden. Er waren 50 mensen met hepatitis B alleen, en 85 personen met een HIV/HBV co-infectie. Alle deelnemers hadden gedurende meer dan 1 jaar Tenofovir gebruikt. Als groep hadden de geco-infecteerde patiënten Tenofovir aanzienlijk langer genomen dan de personen met HIV of HBV alleen (respectievelijk 3,9 jaar versus 2,4 jaar).
Meer dan 70% van de studiedeelnemers was mannelijk en ongeveer één derde was van Afrikaanse afkomst (een groep met een hoger risico op nierziekten). Mensen met HBV waren gemiddeld ouder, waren minder waarschijnlijk van Afrikaanse oorsprong, en hadden een lagere uitgangswaarde van GFR. Patiënten met gedecompenseerde cirrose, leverkanker, reeds bestaande nierinsufficiëntie, en ontvangers van levertransplantaties werden uitgesloten.
Resultaten
Op basis van deze bevindingen concludeerden de onderzoekers: “De GFR daling tijdens een Tenofovir therapie blijkt vooral geassocieerd te zijn met oudere leeftijd, niet-Afrikaanse afkomst, een hogere uitgangswaarde van GFR en een langere gebruiksduur van Tenofovir. Het effect van de uitgangswaarde en van HBV-DNA vraagt verder onderzoek”.
> Overzicht
OVERSCHAKELING NAAR LAMIVUDINE NIET ZO EFFECTIEF ALS ENTECAVIR BLIJVEN NEMEN.
Originele titel: Switch to Lamivudine Not as Effective as Staying on Entecavir
Bron: www.hivandhepatitis.com, 6 mei 2011
Hepatitis B patiënten, die overschakelen naar het goedkopere medicijn Lamivudine (Epivir-HBV), nadat ze een niet detecteerbare virale lading van HBV en normale ALT niveaus bereikt hebben met Entecavir (Baraclude), hebben meer kans om een virale terugval te ervaren.
Lamivudine was het eerste orale geneesmiddel dat goedgekeurd werd om een infectie met het chronische hepatitis B virus (HBV) te behandelen, en het heeft bewezen dat het effectief is voor het vertragen van de ziekteprogressie en voor het verminderen van het risico op leverdecompensatie en leverkanker.
Helaas resulteert het nemen van Lamivudine op lange termijn in een hoge mate van resistentie tegen het geneesmiddel – tot 76% na 8 jaar behandeling. In tegenstelling daarmee heeft het nieuwere medicijn Entecavir zeer lage weerstandsrata – slechts ongeveer 1% na 5 jaar monotherapie. Dit maakt Lamivudine minder ideaal als behandeling voor chronische hepatitis B.
Men erkent dat de vroege onderdrukking van HBV een positieve uitkomst voorspelt in de loop der tijd, met inbegrip van minder mutaties van geneesmiddelenresistentie. James Fung, en zijn collega’s van de Universiteit van Hong Kong, onderzochten de hypothese of mensen, die een aanhoudende niet detecteerbare virale lading van HBV bereikten met Entecavir, het even goed zouden blijven doen als ze overstapten naar Lamivudine, een zwakker, maar goedkoper geneesmiddel. De lagere kostprijs van Lamivudine – vooral in landen met een groot aantal mensen met hepatitis B – kan een primaire reden geweest zijn voor deze studie.
Zoals beschreven in het nummer van april 2011 van Hepatology, ontwierpen de onderzoekers een twee-armige studie, om te beoordelen of de overschakeling naar Lamivudine optimaal HBV zou blijven onderdrukken, nadat de patiënten gedurende 6 maand of meer Entecavir genomen hadden.
De ene helft van de studiedeelnemers bleef 0,5 mg/dag Entecavir nemen gedurende 96 weken, terwijl de andere helft (op een paar uitzonderingen na) de overstap maakte naar 100 mg/dag Lamivudine als monotherapie voor de volledige duur van de studie.
Er waren 50 deelnemers in de studie, voornamelijk mannen (72%). Ongeveer 20% was hepatitis B “e” antigen (HBeAg) positief. Alle personen waren behandeld met 0,5 mg/dag Entecavir, gedurende 6 tot 25 maand voorafgaand aan de studie. Iedereen had normale niveaus van ‘alanine aminotransferase’ (ALT) en niet detecteerbaar HBV-DNA (<60 kopieën/ml).
Er waren 6 deelnemers met gecompenseerde levercirrose bij het begin van de studie. Patiënten met verhoogde ALT niveaus of met een detecteerbare virale lading van HBV werden uitgesloten van het onderzoek. Andere uitsluitingscriteria waren: het bewijs van leverkanker of een geschiedenis van gedecompenseerde cirrose.
De deelnemers, die willekeurig toegewezen werden aan het nemen van Lamivudine, stapten terug over naar Entecavir voor de rest van de studietijd als ze het bewijs vertoonden van een virologische terugval van HBV. Als ze resistentie ontwikkelden tegen Lamivudine, werden ze behandeld met een combinatie van Lamivudine en Adefovir (Hepsera).
Resultaten:
- Na 96 weken hadden alle 25 deelnemers (100%) in de Entecavir arm nog steeds een niet detecteerbare virale lading van HBV.
- De deelnemers in de Lamivudine arm deden het niet zo goed: 6 van de 25 (24%) ervaarden een virale terugval van HBV.
- Er waren geen significante verschillen, in de periode van Entecavir of in de voorbehandeling, tussen de virale lading van patiënten met en zonder virologische terugval na de overstap naar Lamivudine.
- Er werd geen verhoging van ALT niveaus gezien, bij geen enkele deelnemer, in geen van beide onderzoekstakken, gedurende de volledige 96 weken.
- Bij de deelnemers die Lamivudine namen en die een terugval van HBV ervaarden, bereikten 3 personen terug een ondetecteerbare virale lading nadat ze opnieuw overschakelden naar Entecavir.
- Er waren geen nieuwe symptomen of ernstige bijwerkingen gedurende de 96 studieweken.
- Drie deelnemers (12%) in de Lamivudine arm ontwikkelden resistentie tegen Lamivudine, terwijl geen enkele deelnemer in de arm van Entecavir resistentiemutaties ontwikkelde.
De onderzoekers wezen op een aantal beperkingen van hun studie:
- De lengte van de behandeling met Entecavir was niet onder controle, aangezien de patiënten Entecavir namen gedurende minstens 6 maand – maar vaak veel langer – voor de studie.
- Het merendeel van de studiedeelnemers was HBeAg negatief, en de resultaten zouden kunnen afwijken als ze HBeAg positief geweest waren.
- Noch het genotype van hepatitis B, noch de rata van het bereiken van een niet detecteerbare virale lading van HBV werden bepaald, zodat hun effect op de virologische terugval niet beoordeeld kon worden.
Op basis van hun bevindingen concludeerden de onderzoekers: “Een eerdere optimale virale onderdrukking met Entecavir heeft geen aanmerkelijk voordeel verleent aan patiënten die overgestapt zijn naar Lamivudine”.
“In feite resulteerde de overschakeling van Entecavir naar Lamivudine in een percentage van virologisch herval van 24% en een weerstandspercentage van 12% na 96 weken [2 jaar]“, gingen ze verder.
> Overzicht
PERSONEN MET HEPATITIS B OF C HEBBEN HEPATITIS A IMMUNITEIT NODIG.
Originele titel: Those with Hepatitis B or C Need Hepatitis A Immunity
Bron: www.hepatitis-central.com, 16 mei 2011
Om te voorkomen dat hepatitis A een ernstig gevaar vormt voor mensen met een reeds bestaande chronische leverziekte, is immuniteit tegen hepatitis A, door eerdere ziekte of vaccinatie, een absolute noodzaak.
Personen die momenteel lijden aan chronische hepatitis B of C, worden aangespoord om zich te laten vaccineren tegen hepatitis A, indien ze nog geen immuniteit tegen deze ziekte verworven hebben. Er zijn echter verschillende redenen waarom iemand met één van deze chronische levervirussen deze richtlijn niet volledig zal overwegen. Terwijl bepaalde vaccinaties vrijwillig zijn, en omringd blijven door controverse, zou de hepatitis A vaccinatie verplicht moeten zijn voor personen die nog nooit eerder de ziekte gehad hebben – en dan vooral voor iedereen met een chronisch levervirus.
Er zijn verschillende redenen voor personen met een chronische leverziekte om het advies van een arts voor een vaccinatie tegen hepatitis A te negeren. Voor beginnelingen kunnen de aanpassingen in de levensstijl, die voorgesteld worden aan patiënten met leveraandoeningen, aanvoelen als een schijnbaar eindeloze stroom van onrealistische, supergezonde ambities: de evaluatie van alles dat geconsumeerd wordt, waaronder ondeugden zoals roken en drinken, het zorgvuldig kiezen van detergenten en producten voor lichaamsverzorging, en het bewustzijn van het inademen van schadelijke stoffen… Binnen de besluitvorming over de behandeling van de leverziekte kan dit alles het maken van plannen om zich te laten vaccineren doen lijken op de onderkant van een totempaal.
Scrupules tegenover vaccinatie.
Om de lakse houding van sommige mensen tegenover het hepatitis A vaccin nog aan te wakkeren, maken debatten hierover jacht op de hedendaagse aanbevelingen voor vaccinatie. Omdat ze een deel zijn van het arsenaal van de moderne geneeskunde, liggen de moraal, de werkzaamheid en de veiligheid van vaccinaties onder vuur. Bovendien beweren sommige complotbedenkers dat deze dure medicijnen in de eerste plaats bestaan om de kas van de farmaceutische bedrijven ten goede te komen. Ongeacht de legitimiteit van deze twijfels en beschuldigingen, bevinden niet alle vaccins zich in deze twijfelachtige positie. Als het gaat om een hepatitis A vaccinatie, bestaat er weinig weerstand tegen deze redder in nood.
Hepatitis A.
Hepatitis A is een virale leverinfectie die opgelopen wordt door contact met de ontlasting van een besmet persoon. Hepatitis A infecties ontstaan meestal door:
- het eten van voedsel dat klaargemaakt werd door een geïnfecteerd persoon die zijn of haar handen niet gewassen heeft na een toiletbezoek
- het drinken van ongezuiverd water, of het eten van voedsel dat gewassen werd in onbehandeld water
- een vinger of voorwerp in de mond steken dat in contact kwam met de ontlasting van een besmet persoon
- nauw persoonlijk contact met een besmet persoon, zoals door seks of door te zorgen voor iemand die lijdt aan de ziekte
Bij gezonde personen veroorzaakt hepatitis A een acute ziekte met koorts, verlies van eetlust, vermoeidheid, diarree, buikpijn en geelzucht die twee tot drie weken aanhoudt.
Volledig herstel is de algemene norm, gevolgd door een levenslange immuniteit tegen het virus.
Maar bij patiënten met een bestaande leverziekte, zoals chronische hepatitis B of C, heeft acute hepatitis A de neiging om ernstig te zijn, en het kan zelfs dodelijk zijn.
Hepatitis A vaccin.
Voor personen die nog niet immuun zijn, is een inenting met het hepatitis A vaccin de beste manier om een hepatitis A infectie te voorkomen. De vaccinatie wordt gegeven door twee injecties; de tweede injectie wordt 6 tot 12 maand na de eerste gegeven, en beide injecties zijn nodig om volledig beschermd te zijn tegen het hepatitis A virus. Met extreem hoge cijfers qua veiligheid en werkzaamheid, worden de bijwerkingen van het hepatitis A vaccin beschouwd als relatief mild. Bij volwassenen zijn de meest frequent gemelde bijwerkingen pijn op de plaats van de injectie en hoofdpijn. Bij kinderen is de meest frequent gemelde bijwerking pijn op de injectieplaats.
Er zijn personen die geen hepatitis A vaccin mogen krijgen, of die gegronde redenen hebben om bezorgd te zijn over deze inentingen:
- Iedereen die ooit een ernstige allergische reactie gehad heeft op een eerdere dosis van het hepatitis A vaccin.
- Iedereen die een ernstige allergie vertoont voor een component van het vaccin. Alle hepatitis A vaccins bevatten aluin, en sommige bevatten 2-fenoxyethanol.
- Iedereen die matig of ernstig ziek is op het moment dat de injectie gepland is, moet waarschijnlijk wachten tot hij of zij hersteld is.
- Mensen met een milde ziekte kunnen meestal het vaccin toegediend krijgen.
- De veiligheid van het hepatitis A vaccin werd niet vastgesteld bij zwangere vrouwen. Er is geen bewijs dat het vaccin schadelijk zou kunnen zijn voor zwangere vrouwen of hun ongeboren baby’s, dus het risico, indien aanwezig, wordt zeer laag geacht.
Personen met een grote kans op schade door Hepatitis A.
Bij gezonde personen is hepatitis A een zelfbeperkende ziekte zonder effecten op lange termijn. Maar patiënten met een chronische leverziekte, zoals chronische hepatitis B of C, lopen het risico op ernstige schade ten gevolge van een hepatitis A infectie.
Zoals gepubliceerd in de editie van oktober 1999 van de Annalen van Tropische Geneeskunde en Parasitologie, vonden onderzoekers dat hepatitis A ernstig en potentieel fataal kan zijn bij patiënten met onderliggende chronische hepatitis B of C. Ze concludeerden dat deze personen een hepatitis A vaccin moeten krijgen als ze niet immuun zijn voor de ziekte.
Sindsdien zijn verschillende andere studies tot dezelfde conclusie gekomen, en ze bevestigen dat mensen met een chronische leverziekte ingeënt moeten worden tegen hepatitis A.
Hoewel het plannen van de twee injecties waaruit het hepatitis A vaccin bestaat misschien een onnodig karwei lijkt, worden patiënten met chronische hepatitis B of C aangespoord om hun perceptie tegenover deze vaccinatie te veranderen. Omdat het gemakkelijk kan evolueren naar een gevaarlijke of fatale toestand, is iedereen met een chronische leverziekte het aan zichzelf verplicht om prioriteit te geven aan de immuniteit tegen het hepatitis A virus.
> Overzicht
LANGDURIGE ENTECAVIR VOOR TRAGE RESPONDERS.
Originele titel: Prolonged Entecavir for Slow Responders
Bron: www.hivandhepatitis.com, 3 juni 2011
Behandelingsnaïeve hepatitis B patiënten die Entecavir (Baraclude) als monotherapie blijven nemen, ondanks een suboptimale respons na 48 weken, zullen waarschijnlijk een niet detecteerbare virale lading bereiken.
Een aantal nucleotide/nucleoside analogen die goedgekeurd werden door de FDA, tonen een goede werking tegen het hepatitis B virus (HBV), maar na verloop van tijd kan er resistentie ontstaan, en kan er afbreuk gedaan worden aan de effectiviteit van een langdurige therapie, met name als het virus zich blijft repliceren.
Entecavir behoort tot de meer potente nucleoside analogen die goedgekeurd werden voor chronische hepatitis B. De huidige behandelingsrichtlijnen van de Europese Vereniging voor de Studie van de Lever (EASL) bevelen aan dat patiënten, die na 48 weken geen volledige virologische respons ervaren, of geen ondetecteerbaar HBV-DNA, hun therapie moeten wijzigen door het overschakelen naar of het toevoegen van bijkomende medicijnen.
Zoals beschreven in de online editie van 11 mei 2011 van Hepatology, onderzocht Roeland Zoutendijk, samen met zijn collega’s van het Erasmus Universitair Medisch Centrum in Rotterdam, de veiligheid en de werkzaamheid op lange termijn van Entecavir, bij chronische hepatitis B patiënten die nog detecteerbaar HBV-DNA hadden na een behandeling van 48 weken.
Deze cohortstudie omvatte 333 deelnemers, die behandeld werden met een monotherapie van Entecavir, tussen 2005 en 2010, in 10 grote Europese referentiecentra voor hepatitis.
243 deelnemers hadden nooit eerder nucleoside/nucleotide middelen genomen aan het begin van de therapie, terwijl 90 deelnemers al eerder gebruik gemaakt hadden van deze klasse van geneesmiddelen. Alle deelnemers in de analyse namen Entecavir, gedurende minstens 3 maand.
Driekwart van de deelnemers was mannelijk, ongeveer de helft was blank, ongeveer 30% was Aziatisch, en de gemiddelde leeftijd was 43 jaar.
De gemiddelde initiële virale lading van HBV was 6,2 log IU/ml, 43% was HBeAg positief, en 27% had levercirrose.
Mensen met HIV en met hepatitis C co-infecties werden uitgesloten.
Resultaten.
- Na 48 weken bereikte 48% van de HBeAg positieve en 89% van de HBeAg negatieve behandelingsnaïeve deelnemers een virologische respons ( = HBV-DNA < 80 IU/ml).
- De rata van virologische respons bij nucleoside/nucleotide behandelingsnaïeve patiënten bleef stijgen met een langere monotherapie van Entecavir:
- Na 96 weken: bij 76% van de HBeAg positieve en bij 98% van de HBeAg negatieve patiënten
- Na 144 weken: bij 90% van de HBeAg positieve en bij 99% van de HBeAg negatieve patiënten
- Bij de nucleoside/nucleotide behandelingsnaïeve patiënten met ten minste 48 weken follow-up, had 21% een gedeeltelijke virologische respons, of een voortgezette detecteerbare virale lading van HBV.
- 81% van de mensen met een partiële respons bereikte een complete virologische respons na een langdurige monotherapie met Entecavir.
- Geen enkele deelnemer ontwikkelde resistentie tegen Entecavir, ondanks een voortdurende virale replicatie na week 48.
- Van de 22 patiënten met een virale lading < 1.000 IU/ml in week 48, bereikte 95% (1 patiënt niet) een complete virologische respons met een langere behandeling, in vergelijking met 57% van de deelnemers met > 1.000 IU/ml in week 48.
- Er werd een aanhoudende HBV-DNA daling waargenomen tijdens de follow-up bij de meeste deelnemers zonder eerdere volledige virologische respons.
- Maar zeven patiënten met een gedeeltelijke respons – waarvan 3 met suboptimale naleving volgens de behandelende artsen – bereikten nooit een volledige virale suppressie met een langere therapie.
- De langdurige monotherapie van Entecavir was veilig en werd goed verdragen, en leidde niet tot niergerelateerde bijwerkingen of veroorzaakte geen melkzuur-acidose (een teken van mitochondriale toxiciteit).
Op basis van deze bevindingen, concludeerden de auteurs van de studie: “De monotherapie van Entecavir kan voortgezet worden bij nucleoside/nucleotide behandelingsnaïeve patiënten met detecteerbaar HBV-DNA in week 48, en in het bijzonder bij mensen met een lage virale belasting in week 48, aangezien Entecavir op lange termijn leidt tot een virologische respons bij de overgrote meerderheid van de patiënten”.
“De huidige multi-center studie toonde aan dat Entecavir effectief is gedurende 3 jaar bij behandelingsnaïeve patiënten, ongeacht het bereiken van een virologische respons in week 48″, verklaarden ze in hun discussie.
Ze voegden eraan toe dat de meeste mensen met een gedeeltelijke virologische respons evolueerden naar het bereiken van niet detecteerbaar HBV-DNA, met een monotherapie van langdurige Entecavir zonder behandelingsmodificatie, suggererend dat deze patiënten beschouwd moeten worden als ‘trage responders’ en niet als ‘non-responders’.
De onderzoekers merkten ook op dat geen enkele deelnemer – waarvan zelfs 2 met een virale doorbraak – resistentie ontwikkelde tegen Entecavir, in tegenstelling tot eerdere studies, met Adefovir (Hepsera) en Telbivudine (Tyzeka) plus Lamivudine (Epivir-HBV), waaruit gebleken is dat een persistente virale replicatie in week 24 en week 48 wel resistentie voorspelde.
“Tot slot is een aanpassing van de monotherapie met Entecavir niet nodig bij behandelingsnaïeve patiënten met een partiële virologische respons in week 48, in tegenstelling met wat gesuggereerd wordt in de recent verschenen EASL richtlijnen voor de behandeling van chronische hepatitis B”, schreven ze.
“Dit onderstreept dat behandelingsparadigma, die gebaseerd zijn op gegevens uit onderzoeken naar middelen met een lage weerstandsdrempel, niet vertaald mogen worden naar nieuwere en meer krachtige medicijnen, zoals Entecavir en Tenofovir (Viread)”, adviseerden ze.
> Overzicht
DOODSOORZAKEN BIJ MENSEN MET HEPATITIS B EN C.
Originele titel: Causes of Death Among People with Hepatitis B and C
Bron: www.hivandhepatitis.com, 18 juni 2011
Het aantal sterfgevallen ten gevolge van de meeste levergerelateerde oorzaken daalde bij mensen met hepatitis B, en mensen met hepatitis C liepen minder kans om te overlijden als gevolg van drugsgerelateerde oorzaken, maar de mortaliteit te wijten aan hepato-cellulair carcinoom bleef stabiel, volgens een grote Australische studie. Co-infecties met HIV verhoogden het aantal sterfgevallen aanzienlijk.
Na verloop van tijd kunnen chronische hepatitis B (HBV) en hepatitis C (HCV) virusinfecties evolueren naar gevorderde leverziekten, met inbegrip van levensbedreigend leverfalen en hepato-cellulair carcinoom (HCC), een vorm van leverkanker. Deze virussen worden vaak doorgegeven via gedeeld injectiemateriaal voor drugs, en mensen met hepatitis B en C lopen daarom ook een verhoogd risico om te overlijden ten gevolge van drugsgerelateerde oorzaken, zoals een overdosis.
In een retrospectief onderzoek, dat beschreven werd in het Journal of Hepatology van 11 mei 2011, analyseerden Scott Walter en zijn collega’s de specifieke doodsoorzaken in een cohort van mensen met hepatitis B of C, om de toonaangevende doodsoorzaken te onderzoeken en om buitensporige risicogebieden te identificeren.
De auteurs van de studie bekeken medische dossiers van mensen met hepatitis B of C in New South Wales, Australië, tussen 1992 en 2006. New South Wales is de meest bevolkte staat van Australië, met bijna een derde van de totale bevolking.
Met behulp van gegevens uit de Notifiable Diseases Database (database van meldingsplichtige ziekten), stelden de onderzoekers de meest toonaangevende doodsoorzaken vast onder mensen met een HBV mono-infectie, een HCV mono-infectie, een HBV/HCV co-infectie, een HIV/HBV co-infectie, een HIV/HCV co-infectie en een HIV/HBV/HCV drievoudige infectie. De Australische wet verplicht immers de melding van HIV, HBV en HCV diagnoses, waardoor men een nauwkeurige beoordeling kan geven op basis van de populatie die met deze ziekten moet leven.
Een eerdere studie die op deze populatie gebaseerd was, stelde een grote toename van de overlijdens vast bij mensen met hepatitis B, en een alarmerende toename van de sterfgevallen bij mensen met hepatitis C. Het hoge HCV gerelateerde sterftecijfer werd grotendeels toegeschreven aan sterfgevallen als gevolg van drugsgerelateerde oorzaken, die zelfs veel hoger lagen dan de sterfgevallen veroorzaakt door een leverziekte. In de huidige studie breidden de onderzoekers hun eerdere werk uit, om de recente trends in HBV en HCV sterfgevallen te onderzoeken, evenals de invloed van co-infecties.
De studie onderzocht de medische dossiers van 128.726 patiënten:
- 82.034 mensen (63,7%) met een HCV mono-infectie
- 42.480 mensen (33%) met een HBV mono-infectie
- 3.285 mensen (2,6%) met een HBV/HCV co-infectie
- 269 mensen (0,2%) met een HIV/HBV co-infectie
- 620 mensen (0,5%) met een HIV/HCV co-infectie
- 38 mensen (< 0,1%) met een HIV/HBV/HCV drievoudige infectie
Het cohort bestond verder uit 60 procent mannen en 40% vrouwen. 90% van de mensen met HIV was mannelijk en ook 72% van de geco-infecteerden met HBV/HCV was mannelijk. Alle patiënten werden gediagnosticeerd met virale hepatitis tussen 1994 en 2002. Als een individu stierf binnen 6 maand na de diagnose, dan werd hij of zij uitgesloten van de analyse (1.367 personen).
Resultaten.
- In totaal stierven 6.201 mensen tussen 1992 en 2006, met wijd uiteenlopende sterftecijfers binnen de verschillende groepen:
- HCV mono-infectie: 6%
- HBV mono-infectie: 3%
- HBV/HCV co-infectie: 7%
- HIV/HBV co-infectie: 23%
- HIV/HCV co-infectie: 15%
- De belangrijkste doodsoorzaak in de HBV mono-geïnfecteerde groep was een gezwel (tumor), meestal HCC, gevolgd door longkanker en lymfoïde kanker.
- De rata van kanker lagen aanzienlijk hoger bij mensen met een HBV mono-infectie dan bij personen met een HCV mono-infectie.
- Mensen met HBV hadden aanzienlijk meer kans op HCC dan personen met HCV.
- In tegenstelling was de belangrijkste doodsoorzaak in de HCV mono-geïnfecteerde groep niet specifiek lever-gerelateerd: 72% van de sterfgevallen was het gevolg van een overdosis of van zelfmoord.
- De rata van alle oorzaken van mortaliteit lagen aanzienlijk hoger in de HCV mono-geïnfecteerde groep dan in de HBV mono-geïnfecteerde groep.
- Rekening houdend met leeftijd en geslacht, hadden mensen met een HCV mono-infectie een 2,5 maal hoger sterftecijfer in vergelijking met de totale bevolking van New South Wales.
- In 2002 was het aantal drugsgerelateerde sterfgevallen onder mensen met HCV echter ongeveer de helft van wat gezien werd vóór 2000, en deze rata bleven sindsdien laag en stabiel.
- Tussen 2002 en 2006 waren de drugsgerelateerde sterfgevallen van mensen met HCV aanzienlijk lager dan het cijfer dat gerapporteerd werd tijdens de periode van 1997 tot 2001.
- Voor vrouwen met HBV of HCV lagen de risico’s op overlijden ten gevolge van drugsgerelateerde oorzaken, en vooral van leverziekten, aanzienlijk hoger dan voor mannen.
- De percentages van levergerelateerde sterfgevallen verhoogden met de leeftijd, zowel in de mono-geïnfecteerde groep van HBV als in de HCV mono-geïnfecteerde groep.
- Bij de mensen met een HBV/HCV co-infectie lagen de rata van alle doodsoorzaken aanzienlijk hoger dan bij de mensen met een HBV of een HCV mono-infectie.
- In vergelijking met de totale bevolking van New South Wales lag het sterftecijfer voor mensen met een co-infectie (HBV/HCV, HIV/HBV of HIV/HCV) 4 tot 24 maal hoger.
- Ook mensen met een HIV co-infectie liepen een aanzienlijk hoger risico op overlijden in vergelijking met andere besmette groepen:
- Personen met een HIV/HBV co-infectie kenden een sterftecijfer dat 10 keer hoger lag dan bij de mensen met een HBV mono-infectie.
- Mensen met een HIV/HCV co-infectie liepen ten minste 3 keer meer kans om te sterven dan hun tegenhangers met een HCV mono-infectie.
- De meeste sterfgevallen onder HIV/HBV en HIV/HCV geco-infecteerde mensen waren gerelateerd aan HIV (respectievelijk 70% en 61%).
- Personen met een driedubbele HIV/HBV/HCV infectie hadden verreweg het hoogste overlijdenspercentage ten gevolge van allerlei oorzaken.
Bij de bespreking van hun analyse beschreven de onderzoekers het aanbod en de zuiverheid van de opiaten die bijgedragen hebben tot drugsgerelateerde overlijdens, en specifiek het tekort aan en de hogere prijs van heroïne eind 2000 en begin 2001. De daling van de aanvoer van heroïne en de hoge prijs werden gecrediteerd met minder drugsgerelateerde overlijdens in die periode. De onderzoekers merkten echter op:
“Onze studie vond dat de rata van drugsgerelateerde overlijdens laag gebleven zijn van 2002 tot en met 2006 i.p.v. terug te keren naar de niveaus van de periode voor 2001″.
“Interventies met een breder bereik, zoals de NSPs (= needle and syringe exchange programs) (programma’s voor uitwisseling van naalden en spuiten) en de campagnes voor schadevermindering via die NSPs, kunnen ook bijgedragen hebben tot het behoud van de verbeterde drugsgerelateerde sterfte sinds 2001 bij degenen die ook geïnfecteerd zijn met HCV”, gingen ze verder.
Bovendien schreven ze:
“De gematigde daling van het sterftecijfer ten gevolge van andere leverziekten dan HCC bij mensen met een HBV mono-infectie, en de daling van de leeftijdsspecifieke rata van levergerelateerde sterfgevallen in jongere cohorten, suggereren dat de verbeterde antivirale HBV therapieën het risico op overlijden ten gevolge van gedecompenseerde cirrose verminderd hebben”.
De auteurs suggereerden dat de beschikbaarheid van antivirale middelen voor de behandeling van hepatitis B ook bijgedragen kan hebben tot de vermindering van hepato-cellulair carcinoom, hoewel dit feit geen statistische betekenis bereikte:
“De studie identificeerde een positieve trend in niet-HCC levergerelateerde sterfgevallen bij degenen die besmet zijn met HBV, wat consistent is met de verbeteringen van de HBV behandelingen en met de opname”.
Helaas kreeg gepegyleerde Interferon slechts een licentie in Australië in 2006, dus de meeste mensen met hepatitis C werden ofwel niet behandeld, ofwel kregen ze driemaal per week conventionele Interferon plus Ribavirine. Het gebrek aan de meest recente behandelingen – die nu direct werkende antivirale middelen omvatten, evenals gepegyleerde Interferon/Ribavirine – kan bijgedragen hebben tot de hoge rata van overlijdens onder de patiënten met HCV.
> Overzicht
ZEVEN MANIEREN OM ACUTE HEPATITIS B SYMPTOMEN TE VERZACHTEN.
Originele titel: Seven Ways to Ease Acute Hepatitis B Symptoms
Bron: www.hepatitis-central.com, 27 juni 2011
De moderne geneeskunde kan weinig doen om iemand te helpen omgaan met het ongemak van een acute hepatitis B infectie. Gelukkig kunnen de volgende zeven componenten van thuiszorg een besmette patiënt helpen om de meest voorkomende symptomen van acute hepatitis B onder controle te houden.
Hepatitis B, een besmettelijke leverziekte die acuut of chronisch kan zijn, heeft wereldwijd reeds ongeveer 2 miljard mensen besmet. Slechts ongeveer de helft van de mensen met acute hepatitis B vertoont symptomen, en er bestaat geen specifieke medische behandeling om deze personen te helpen. De zeven suggesties die in dit artikel beschreven worden, kunnen patiënten met een symptomatische, acute hepatitis B infectie echter helpen om het ongemak van hun ziekte te verlichten.
* Hou er rekening mee dat de informatie in dit artikel bedoeld is om het advies van een arts aan te vullen, niet om het te vervangen.
Hepatitis B kan acuut of chronisch zijn, en de chronische variant leidt tot een potentieel levensbedreigende aandoening. Hep B is een groot, wereldwijd gezondheidsprobleem en één van de meest ernstige vormen van virale hepatitis. Hepatitis B kan chronische leverziekten veroorzaken, waardoor patiënten het risico lopen om te overlijden ten gevolge van levercirrose en leverkanker. Gelukkig is de meerderheid van de gezonde volwassenen die besmet werden met hepatitis B in staat om de chronische variant te voorkomen, door uit zichzelf volledig te herstellen van het virus.
De symptomen van acute Hepatitis B blijven gemiddeld één tot drie maand duren. Ongeveer 10 procent van degenen die besmet zijn, zal ook chronische hepatitis B ontwikkelen. De resterende 90 procent zal antilichamen ontwikkelen, die een levenslange immuniteit bieden tegen de ontwikkeling van dit virus.
Mogelijke symptomen van acute hepatitis B:
- Geelzucht: Geelzucht is een term die gebruikt wordt als de huid en/of het wit van de ogen geel worden. Hoewel geelzucht een teken is van leverschade, is het een zeldzaam symptoom van acute hepatitis B, en verschijnt het meestal pas nadat andere symptomen beginnen te verdwijnen.
- Vermoeidheid: Extreme vermoeidheid kan een groot aantal oorzaken hebben, waaronder een acute infectie met het hepatitis B virus.
- Griepachtige symptomen: Hoewel de ziekte niet direct geassocieerd wordt met een pijnlijke keel of een verstopte neus, gaat acute hepatitis B vaak gepaard met algemeen voorkomende griepachtige symptomen, zoals lichte koorts, hoofdpijn, spierpijn en pijn in de gewrichten.
- Spijsverteringsproblemen: Problemen met de spijsvertering, zoals verlies van eetlust, diarree, constipatie, misselijkheid en braken, zijn veel voorkomende symptomen van een acute hepatitis B infectie, waarschijnlijk omdat de lever een rol speelt in de spijsvertering.
- Leverongemak: Personen met een acute virale leverinfectie zijn gevoelig voor een voortdurend ongemakkelijk gevoel aan de rechterkant van de buik onder de ribbenkast, waar hun lever zich bevindt. Bij de meeste mensen verergert het ongemak wanneer hun lichaam verstoord wordt of als ze zich overwerken.
- Jeukende huid: Dit frustrerend probleem, dat zich soms manifesteert als huiduitslag, of gewoon als een jeukende huid, kan optreden wanneer de lever ontstoken is door zijn gevecht tegen het hepatitis virus. Deskundigen zijn van mening dat de jeukende huid bij mensen met hepatitis te wijten is aan de accumulatie van toxines (zoals bilirubine), die niet effectief verwerkt of gefilterd worden door een beschadigde lever.
Hoewel een arts weinig kan voorschrijven als hulp voor een beter gevoel tijdens het natuurlijk verloop van acute hepatitis B, kunnen de volgende zeven tips dit ongemak helpen verlichten:
- Rust: Wanneer uw arts suggereert om het wat kalmer aan te doen tijdens uw acute hepatitis B infectie, luister dan naar zijn raad. Of het nu gaat om huishoudelijk werk, reizen, gaan werken, school lopen, sport beoefenen: verminder uw activiteitenniveau om uw energieniveau op peil te houden. In bed blijven is misschien niet nodig, maar voor een volledig herstel is het wel van cruciaal belang dat u luistert naar uw lichaam en dat u rust wanneer u moe bent.
- Eet goed: Voldoende voedsel nuttigen is essentieel voor een beter gevoel, hoewel het idee aan voedsel alleen al afstotend kan zijn voor iemand die vecht tegen het hepatitis B virus. Aangezien misselijkheid en verlies van eetlust kunnen verergeren naarmate de dag vordert, adviseren voedingsdeskundigen een substantiële (maar geen zware) maaltijd in de ochtend, en lichtere maaltijden later op de dag. Deskundigen suggereren het vermijden van bewerkte, vette en suikerhoudende voedingsmiddelen, en bevelen volwaardige voedingsmiddelen aan, zoals verse producten, vezelrijke koolhydraten en magere eiwitten.
- Vecht tegen misselijkheid: Het opvolgen van de voedselsuggesties die hierboven beschreven worden, kan misselijkheid helpen verminderen, maar soms is er meer steun nodig. Frequente, kleine maaltijden zijn over het algemeen goed voor patiënten die last hebben van misselijkheid. Er zijn ook twee natuurlijke manieren om misselijkheid te verlichten: gember consumeren (vers gezette gemberthee is ideaal) en drukken op het punt dat de acupressuur gebruikt tegen zeeziekte, ongeveer 1,5 centimeter boven de plooi van de pols, in het midden van de onderarm.
- Blijf gehydrateerd: Gehydrateerd blijven is zeer belangrijk wanneer men vecht tegen hepatitis B, en is vooral van belang voor degenen die veel last hebben van braken of diarree. Drink veel water en consumeer vruchtensap en bouillon indien deze producten verdraagbaar zijn. Kokoswater, sportdranken of andere rehydratiedranken kunnen helpen om de elektrolyten te vervangen die verloren gaan door het braken of bij diarree. Vermijd dranken die uitdroging bevorderen, zoals koffie en frisdranken.
- Gebruik geen paracetamol: Hoewel u meestal wel kan vertrouwen op paracetamol tegen koorts of lichaamspijn, is het raadzaam om deze vrij te verkrijgen pijnstiller te vermijden als een acute hepatitis B infectie vermoed wordt. Paracetamol kan uw leveraandoening verergeren! Bespreek dus alternatieve koortswerende/pijnstillende middelen met uw arts.
- Pack met kastoorolie: De traditionele methode van het toepassen van een pack met kastoorolie op de huid kan helpen voor mensen met pijn aan de lever om dit ongemak te verlichten. Voor meer gedetailleerde informatie over het gebruik van packs met kastoorolie, lees http://www.hepatitis-central.com/mt/archives/2009/12/castor_oil_pack.html
- Kalmeer jeuk: Een jeukende huid kan op verschillende manieren verlicht worden: de huid koel houden, katoenen kleding dragen, hete baden/douches vermijden, een havermoutbad nemen, koele kompressen leggen op de getroffen plaatsen, of niet voor te schrijven geneesmiddelen gebruiken, zoals Benadryl of Chlor-Trimeton (overleg eerst met uw arts om zeker te zijn dat deze medicamenten veilig zijn voor u).
Personen met acute hepatitis B, die door hun arts naar huis gestuurd worden om te gaan liggen, kunnen zich gemakkelijk hulpeloos voelen tegenover de virale strijd die in hun lever gevoerd wordt. Gelukkig kunnen de zeven hierboven beschreven suggesties de meest voorkomende symptomen van een besmetting met hepatitis B verlichten, zodat het individu dat geïnfecteerd werd met dit veel voorkomende virus niet langer onderworpen is aan de genade van dat virus.
> Overzicht
VS RICHT ZICH EINDELIJK OP VIRALE HEPATITIS.
Originele titel: Finally US Takes Aim at Viral Hepatitis
Bron: www.hepatitis-central.com, 11 juli 2011
In een onlangs vrijgegeven actieplan, werden er door het Amerikaanse ‘Ministerie van Volksgezondheid en Humane Diensten’ acht strategieën beschreven om de nationale virale hepatitisepidemie te bestrijden.
Bekend als de ‘stille epidemie’, wordt er een uitgesproken gebrek aan symptomen geassocieerd met de meeste soorten hepatitis. Een meerderheid van de Amerikanen is zich er hierdoor niet van bewust dat ze virale hepatitis hebben – en dat ze een gezondheidsrisico lopen. Na verscheidene verslagen, waarin de noodzaak van een publieke gezondheidscampagne over virale hepatitis aangegeven werd, heeft het Amerikaanse Ministerie van Volksgezondheid en Humane Diensten dit verzuim gelukkig erkend, en het heeft een plan geschetst voor de verbetering van de bewustwording, de preventie, de diagnose en de behandeling van virale hepatitis.
De ‘stille epidemie’.
Virale hepatitis kan vergeleken worden met een ondergegraven mijnenveld, vol levende explosieven die op elk moment tevoorschijn kunnen komen. Mensen weten misschien niet dat ze bestaan, maar mijnenvelden worden aangelegd om te ontploffen. Ondanks het feit dat de ziekte een belangrijke besmettelijke doodsoorzaak is, blijft virale hepatitis vrijwel onbekend bij
- het algemene publiek
- risicogroepen
- beleidsmakers
- sommige zorgverleners
De meeste van de naar schatting vier tot vijf miljoen Amerikanen die leven met enige vorm van virale hepatitis, weten helaas niet dat ze besmet zijn. Door deze onwetendheid lopen deze personen een schrikbarend hoog risico op het doorgeven van hun ziekte aan anderen en op de ontwikkeling van ernstige of zelfs dodelijke complicaties.
Enkele feiten die de omvang van dit probleem aantonen:
- Volgens het Amerikaanse Ministerie van Volksgezondheid en Humane Diensten, is tot 75 procent van degenen die besmet zijn met virale hepatitis zich niet bewust van de infectie.
- Meestal veroorzaakt door het hepatitis B of het hepatitis C virus, is virale hepatitis een belangrijke oorzaak van levercirrose en leverkanker in de Verenigde Staten.
- Virale hepatitis is de belangrijkste oorzaak van levertransplantaties in de Verenigde Staten.
- Zonder behandeling zal ongeveer 15 tot 40 procent van de patiënten met virale hepatitis in de komende 10 jaar ernstige leverziekten ontwikkelen, zoals cirrose of kanker.
- Een enquête uit 2007 bij ongeveer 200 primaire zorgverleners vond dat meer dan de helft van hen geen laboratoriummarkers van chronische hepatitis B kon identificeren.
Erkenning door beleidsmakers.
Het nieuwe initiatief, dat aangekondigd werd door het Amerikaanse Ministerie van Volksgezondheid, kwam waarschijnlijk in een stroomversnelling na een studiebevinding van het Instituut voor Geneeskunde uit 2010, over het feit dat hepatitis B en C niet algemeen erkend werden als ernstige problemen voor de volksgezondheid.
In deze studie van het Instituut voor Geneeskunde, hebben de onderzoekers geconstateerd dat er een grote behoefte was aan een verhoging van de bewustwording van virale hepatitis, aan een verbetering van het toezicht voor hepatitis B en hepatitis C, en aan een betere integratie van de manier waarop virale hepatitis aangepakt moet worden. Zoals voor de meeste eisen om onze levenskwaliteit te verbeteren, hebben al deze noden voldoende middelen nodig om tot bloei te komen.
In een verklaring van de Amerikaanse Centers for Disease Control (centra voor ziektecontrole), zei directeur Thomas R. Frieden: “Veel te veel Amerikanen zijn niet op de hoogte van de ernstige gevolgen van virale hepatitis en van de verwoestende consequenties die kunnen voortvloeien uit het onbehandeld laten van de ziekte. Nu is het tijd voor actie”.
Het actieplan voor 2011.
Zoals uiteengezet in het actieplan voor 2011 van het Amerikaanse Ministerie van Volksgezondheid en Humane Diensten voor de Preventie, Verzorging en Behandeling van Virale Hepatitis, werden de volgende doelstellingen vastgesteld:
- De verhoging van het percentage van het aantal patiënten dat geïnfecteerd is met hepatitis B, én dat zich bewust is van hun ziektestatus, van één derde naar twee derde tegen het jaar 2020.
- De verhoging van het percentage van het aantal patiënten dat geïnfecteerd is met hepatitis C, én dat zich bewust is van hun ziektestatus, van 45 procent naar 66 procent tegen het jaar 2020.
- De verlaging van het aantal nieuwe gevallen van hepatitis C, met 25 procent tegen het jaar 2020.
- De eliminatie van de transmissie van hepatitis B door moeders op hun zuigelingen, tegen het jaar 2020.
Acht strategieën.
Voor de vermindering van de lasten van virale hepatitis, werden er in het initiatief van het Amerikaanse Ministerie van Volksgezondheid en Humane Diensten acht strategieën geschetst:
- Waarborgen dat besmette personen eerder in de loop van de ziekte geïdentificeerd worden.
- Verbeteren van de infrastructuur voor de testen, om een vroegtijdige diagnose te verhogen.
- Verbeteren van het onderricht over screening, diagnostische tests en actuele behandelingen.
- Uitbreiden van het gebruik van gezondheidsinformatietechnologie, om ervoor te zorgen dat personen die besmet zijn tijdige verwijzingen krijgen en ondersteunende zorg ontvangen.
- Verstrekken van uitgebreid hepatitis onderricht en preventieprogramma’s voor het publiek.
- Opzetten van bewakingssystemen om de geschiktheid van de testen en de behandelingsprogramma’s te bepalen, en ervoor zorgen dat verschillen in zorgverstrekking verdwijnen.
- Na een blootstelling, hepatitis B profylaxis verstrekken aan alle pasgeborenen van geïnfecteerde moeders.
- Verwezenlijken van universele hepatitis A en B vaccinaties bij kwetsbare bevolkingsgroepen.
Mary K. Wakefield, RN, PhD, beheerder van de afdeling Gezondheidsmiddelen en Diensten, zegt:
“Dit actieplan is onze beste kans om deze ziekten te stoppen, door een betere toegang tot informatie en door kwaliteitszorg voor de mensen die een risico lopen en voor de patiënten die al besmet zijn”.
Een toewijzing van nationale middelen is essentieel om het ‘Virale Hepatitis Actieplan’ succesvol te maken. Het Amerikaanse Ministerie van Volksgezondheid en Humane Middelen rekent op beleidsgerelateerde ondersteuning, teweeggebracht door de ‘Affordable Care Act’ (betaalbare zorgwet). Om het even waar de financiering voor deze acht belangrijke strategieën gevonden wordt: dit initiatief is de meest ernstige en uitgebreide poging om de epidemie van virale hepatitis aan te pakken – de beste hoop voor het ontwapenen van de mijnenvelden die liggen te wachten op een ravage van de levers van miljoenen Amerikanen.
> Overzicht
HBV ANTIVIRALE MIDDELEN, VIRALE DOORBRAAK EN MEDICIJNRESISTENTIE.
Originele titel: HBV Antivirals, Viral Breakthrough and Drug Resistance
Bron: www.hivandhepatitis.com, 13 juli 2011
Acute hepatitis C behandelingen met gepegyleerde Interferon plus Ribavirine waren zeer effectief voor HIV positieve homoseksuele en biseksuele mannen, zelfs bij een kortere therapieduur van 24 weken.
Een virologische doorbraak komt regelmatig voor bij mensen die nucleoside/nucleotide analogen nemen voor HBV, maar bijna 40% van deze doorbraken heeft niets te maken met medicijnresistentie.
Zoals beschreven in de editie van juni 2011 van het tijdschrift Hepatology, door Chanunta Hongthanakornand en zijn collega’s van het University of Michigan Health System, ligt de naleving van de medicatie waarschijnlijk lager in de klinische praktijk van de echte wereld dan in klinische studies. Het onderscheid, tussen virologische doorbraken veroorzaakt door resistentie, en veroorzaakt als gevolg van een slechte naleving van de therapie, kan clinici helpen om betere zorgen en behandelingen te bieden aan mensen met hepatitis.
De meeste mensen met een infectie van het chronische hepatitis B virus (HBV) hebben een lange-termijn behandeling nodig om er klinisch voordeel uit te kunnen halen. Momenteel werden er reeds 5 nucleoside/nucleotide analogen goedgekeurd voor de behandeling van het hepatitis B virus: Adefovir, Entecavir, Lamivudine, Telbivudine en Tenofovir.
Langdurig gebruik van elk van deze medicijnen wordt geassocieerd met een toenemend risico op medicijnresistentie, een punt waarop de geneesmiddelen minder effectief of ineffectief worden. In klinische settings is een virologische doorbraak het eerste teken van medicijnresistentie. In Fase III studies had 0% tot 88% van de deelnemers, die een virologische doorbraak ervaarden, een bevestigde genotypische resistentie. Uit de gegevens van deze onderzoeken blijkt dat niet elke virale doorbraak noodzakelijkerwijs te wijten is aan medicijnresistentie.
De onderzoekers hadden deze studie opgezet om de incidentie te kunnen bepalen van virologische doorbraken die veroorzaakt werden door medicijnresistentie in de klinische praktijk. Ze herbekeken medische grafieken van 148 patiënten met chronische hepatitis B, die tussen januari 2000 en juli 2010 gevolgd werden in de leverkliniek van de Universiteit van Michigan. Alle patiënten hadden gedurende ten minste 1 jaar een antivirale behandeling gekregen, en na 1 jaar behandeling hadden ze HBV-DNA serum < 10.000 IU/mL.
Ongeveer 75% van de patiënten was mannelijk en de gemiddelde leeftijd was 45 jaar.
De studiebevolking bestond uit iets minder dan 50% Aziaten en 41% blanken. De resterende 10% was van een ander ras of van een andere etnische groep.
Mensen die nucleoside/nucleotide medicijnen gebruikten in combinatie met een Interferontherapie, personen die behandeld werden om een herhaling van HBV te voorkomen na een levertransplantatie, patiënten met HIV, mensen met een co-infectie van hepatitis C of hepatitis D, en personen met andere potentieel storende factoren, werden uitgesloten van de analyse.
De onderzoekers herbekeken en noteerden de demografische gegevens van de patiënten, hun HBV behandelingsgeschiedenis en hun respons in de loop van de behandeling.
Elke 3 maand werden hun HBV-DNA en leverenzymen geregistreerd, en om de 6 tot 12 maand werden hun HBV markeringen geregistreerd – hepatitis B ‘e’ antigen (HBeAg) en ‘e’ antilichaam (anti-HBe).
De gemiddelde follow-up periode was 38 maand.
Een virologische doorbraak werd gedefinieerd als een HBV-DNA verhoging van > 1 log, gezien vanaf het nadir-niveau (het laagste niveau ooit), of een herontdekking van HBV-DNA, op niveaus die ten minste het tienvoudige waren van de detectie-ondergrens van de test, na een eerder niet aantoonbaar resultaat.
Serummonsters van patiënten die een virale doorbraak ervaarden, werden getest op mutaties van medicijnresistentie.
Resultaten.
- 38% van de patiënten die ten minste 1 virologische doorbraak ervaarden, had geen antivirale resistentiemutaties.
- 39 van de 148 patiënten (26%) hadden ten minste 1 virologische doorbraak.
- 24 patiënten (16%) hadden op zijn minst 1 bevestigde virologische doorbraak. Van deze 24 patiënten, vertoonden 16 personen bewijzen van genotypische resistentie.
- 81 patiënten (55%) hadden nooit eerder nucleoside/nucleotide middelen genomen. Onder deze patiënten, was een monotherapie van Entecavir of van Lamivudine het meest voorkomende regime.
- Van de 67 patiënten (45%) die eerder reeds nucleoside/nucleotide middelen gebruikten, kregen 19 personen een combinatietherapie, met daarop volgend een monotherapie van Adefovir, Tenofovir, Entecavir of Lamivudine.
- Na 1 jaar behandeling, had 71% van de patiënten niet detecteerbaar HBV-DNA.
- Naarmate de behandeling vorderde, bereikte 87% niet detecteerbaar HBV-DNA.
- Van de 36 patiënten die herhaaldelijk HBV-DNA tests ondergingen na een virologische doorbraak, was de gemiddelde interval tussen de doorbraak en de bevestigde doorbraak 2,4 maand.
- De kenmerken van de uitgangssituatie waren vergelijkbaar voor patiënten die een virologische doorbraak ervaarden en voor degenen die geen doorbraak vertoonden.
- Na 3 jaar en na 5 jaar waren de cumulatieve waarschijnlijkheidsresultaten:
- voor virologische doorbraak: respectievelijk 21,5% en 46,1%,
- voor bevestigde virologische doorbraak: respectievelijk 13,7% en 29,7%
- voor genotypische resistentie: respectievelijk 10,7% en 33,9%
- Met behulp van de traditionele definitie van een virologische doorbraak (een toename van HBV-DNA van > 1 log, of een nieuwe detectie op elk niveau na eerder niet aantoonbaar HBV-DNA):
- zouden 45 van de 148 personen (30%) beschouwd worden als patiënten die ten minste 1 virale doorbraak ervaarden
- zouden 26 op 45 patiënten (58%) een bevestigde virologische doorbraak gehad hebben
- Een faling in het bereiken van niet detecteerbaar HBV-DNA bij de nadirrespons (het laagste niveau tijdens de therapie) was de enige factor in deze studie die betekenisvol kon geassocieerd worden met een virologische doorbraak.
Misschien was de meest nuttige bevinding van deze studie dat 38% van de patiënten, die ten minste 1 virologische doorbraak ervaarden, geen bekende antivirale resistentiemutaties vertoonde. De onderzoekers suggereerden dat vele virologische doorbraken – misschien bijna de helft – niet het gevolg zijn van medicijnresistentie maar, integendeel, van slechte therapietrouw van de patiënten.
“Uit deze studie bleek dat een virologische doorbraak veel voorkwam in de klinische praktijk”, schreven de onderzoekers. “Een virologische doorbraak was echter niet altijd gerelateerd aan resistentie tegen antivirale middelen”. Ze suggereerden dat mensen met hepatitis B, die antivirale medicatie nemen, advies moeten krijgen over het belang van hun therapietrouw. “De bevestiging van een virologische doorbraak en/of de bepaling van de genotypische resistentie, is verstandig vóór het begin van de reddingstherapie, om onnodige veranderingen in de antivirale medicatie te voorkomen”. Ze erkenden dat het kleine aantal patiënten, en het ontbreken van gegevens over de naleving van de medicatie, de studie beperkten.
Hongthanakorn en zijn collega’s besloten:
“De resultaten van deze studie benadrukken het belang van de monitoring van het HBV-DNA, het belang van het adviseren van therapietrouw tijdens de volledige duur van de [nucleoside/nucleotide] behandeling, en het belang van het delicate evenwicht tussen een snelle start van de reddingstherapie en het vermijden van onnodige wijzigingen in het behandelingsschema”.
> Overzicht
ENTECAVIR VERSUS ADEFOVIR BIJ HEP B PATIËNTEN MET LEVERDECOMPENSATIE.
Originele titel: Entecavir vs Adefovir in Hepatitis B Patients with Liver Decompensation
Bron: www.hivandhepatitis.com, 26 juli 2011
In een Italiaanse studie, bij mensen met een co-infectie van HIV en hepatitis C, heeft het innemen van Maraviroc geholpen om de leverstijfheid te verminderen.
In een nek-aan-nek vergelijking, toonde Entecavir een superieure virologische werkzaamheid, in vergelijking met Adefovir, bij hepatitis B patiënten met gedecompenseerde leverziekten.
In de editie van juli 2011 van het tijdschrift ‘Hepatology’, beschreven Yun-Fan Liaw en zijn collega’s een gerandomiseerde, open-label, Fase III studie, ter beoordeling van de veiligheid en de werkzaamheid van Entecavir versus Adefovir, bij mensen die leden aan een chronische infectie met het hepatitis B virus (HBV) en aan gedecompenseerde leverziekten. Decompensatie verwijst naar het onvermogen van de lever om goed te functioneren, meestal toe te schrijven aan ernstige littekens (gevorderde fibrose of cirrose).
In verschillende studies liggen de overlevingskansen van 5 jaar, voor mensen met HBV en gedecompenseerde cirrose, aanzienlijk lager dan de rata die gerapporteerd worden voor mensen met gecompenseerde cirrose (14 tot 35% versus 80 tot 86%). Interferon wordt over het algemeen gecontra-indiceerd bij patiënten met gedecompenseerde leverziekten, vanwege het risico op ernstige bijwerkingen. En de meeste gegevens over nucleoside/nucleotide analoge therapieën bij patiënten met decompensatie, zijn afkomstig van niet-vergelijkende of ongecontroleerde studies over Lamivudine en Adefovir.
Entecavir heeft superieure virologische en biochemische voordelen aangetoond, na een behandeling van 48 weken, in vergelijking met Lamivudine of Adefovir, bij nucleoside-naïeve patiënten, waaronder ook mensen met gevorderde fibrose of cirrose.
Een verscheidenheid van factoren leidde de onderzoekers tot de uitvoering van de huidige studie:
- de hoge weerstandspercentages van Lamivudine
- het suboptimaal vermogen en de potentiële niertoxiciteit van Adefovir
- de internationale richtlijnen voor HBV, die aanbevelen om zo spoedig mogelijk te beginnen met een nucleoside/nucleotide-behandeling bij patiënten met hepatische decompensatie
- een gebrek aan vergelijkende studies over de veiligheid en de werkzaamheid van Entecavir bij deze populatie
In deze nek-aan-nek studie, werden deelnemers met chronische hepatitis B en hepatische decompensatie willekeurig aangewezen om 1,0 mg Entecavir per dag (n = 100) te ontvangen, ofwel 10 mg Adefovir per dag (n = 91). Beide medicijnen werden eenmaal per dag oraal ingenomen.
De dosis van 10 mg Adefovir werd gekozen omdat de studie zowel Lamivudine-ervaren als nucleoside/nucleotide-naïeve deelnemers omvatte.
Hoewel de studie werd voortgezet tot 96 weken, meldde het artikel in ‘Hepatology’ alleen de gegevens over de werkzaamheid tijdens de eerste 48 weken van de studie, en data over de cumulatieve veiligheid.
De veiligheidsanalyses omvatten de cumulatieve percentages van:
- bijwerkingen tijdens de behandeling zelf
- ernstige bijwerkingen
- stopzettingen tengevolge van bijwerkingen
- overlijden
- leverkanker (HCC)
- nierfunctiestoornissen
- hepatische fakkels (grote stijgingen in de leverenzymen)
Het primaire eindpunt voor de werkzaamheid was een gemiddelde verlaging van de virale lading van HBV-DNA in week 24.
Secundaire eindpunten omvatten:
- een betekenisvolle verandering, gezien vanaf de uitgangssituatie, van HBV-DNA in week 48
- de proportie van het aantal deelnemers met HBV-DNA < 300 kopieën/mL
- de normalisatie van de niveaus van alanine-aminotransferase (ALT)
- een verbetering in het geheel van bilirubine, protrombine-tijd, albumine en bloedplaatjes
- een verbetering van de scores van het ‘Model for End-Stage Liver Disease’ (MELD) (model voor eindfase van leverziekten)
- een verbetering van de status van de Child-Turcotte-Pugh (CTP) (classificatie van de ernst van leverfunctiestoornissen)
Vanaf 2003 werd een totaal van 191 deelnemers gerekruteerd, van 52 sites wereldwijd, en ze werden gedurende 96 weken gevolgd.
Alle deelnemers leden aan hepatitis B met hepatische decompensatie.
De meeste patiënten (74%) waren mannelijk, 54% was Aziatisch, 33% was blank en 35% had reeds weerstand voor Lamivudine bewezen.
De deelnemers hadden ook gedurende ten minste 6 maand detecteerbare hepatitis B oppervlakte-antigenen (HBsAg), en 54% testte positief voor hepatitis B ‘e’ antigenen (HBeAg).
De situatie bij het uitgangspunt:
- Het gemiddelde HBV-DNA niveau was 7,83 log kopieën/mL.
- Het ALT-niveau lag minstens 15 keer hoger dan de bovengrens bij normale situaties (gemiddeld 99.6 keer hoger).
- Het serum creatinine niveau lag onder 2,5 mg/dL.
- De gemiddelde CTP-score was 8.6.
- Geen enkele levermassa suggereerde HCC.
Mensen met een co-infectie van HIV, van hepatitis C, van hepatitis D of van andere bekende leverziekten, werden uitgesloten.
De deelnemers waren nucleoside/nucleotide-naïef, met uitzondering van enkele mensen die reeds Lamivudine namen of genomen hadden.
35% van de patiënten had genotypische bewijzen van weerstand tegen Lamivudine.
De deelnemers die Lamivudine namen op het moment van de screening, stopten met dit medicijn toen ze gerandomiseerd werden voor Entecavir of Adefovir.
Resultaten.
- Deelnemers die Entecavir namen, hadden een grotere afname van HBV-DNA dan degenen die Adefovir kregen, op alle tijdstippen tot week 48.
- In week 24 en in week 48, bereikten meer studiedeelnemers die Entecavir namen HBV-DNA < 300 kopieën/mL dan de personen die Adefovir kregen (respectievelijk 49% versus 16%, en 57% versus 20%).
- In week 24 toonde Entecavir superioriteit tegenover Adefovir, in termen van verminderd HBV-DNA.
- 37 deelnemers bereikten de criteria voor resistentie in week 48 (5 voor Entecavir en 32 voor Adefovir), maar geen enkele patiënt toonde weerstand tegen het medicijn dat hem toegewezen was.
- Hetzelfde aantal deelnemers voldeed aan de criteria voor resistentie na week 48:
- Bij 3 van de 5 deelnemers die Entecavir kregen, werd weerstand tegen Entecavir gedetecteerd in week 144 of later.
- 6 van de 27 personen die Adefovir namen, toonden na week 48 weerstand tegen Adefovir (2 tussen week 48 en week 96, 2 tussen week 96 en week 144, en 2 in week 144 of later).
- De proportie van het aantal deelnemers met een normalisatie van de ALT-niveaus was aanzienlijk groter in de Entecavir groep, in week 24 en in week48.
- De rata van verlies van HBeAg en van seroconversie waren in week 24 hoger bij de deelnemers die Adefovir namen, maar ze werden vergelijkbaar met die van Entecavir tegen week 48.
- 5 deelnemers die Entecavir namen, toonden een verlies van HBsAg tegen week 48, vergeleken met geen enkele deelnemer die Adefovir kreeg.
- Beide behandelingsgroepen hadden verbeterde scores voor MELD en voor CTP in week 48:
- In week 48 was de gemiddelde verandering vanaf de basislijn voor de MELD-scores -2,6 voor de groep van Entecavir, en -1,7 voor de groep van Adefovir.
- Het verschil was ten minste deels te wijten aan het verschil in de uitgangswaarden van de MELD-scores, die hoger lagen in de groep van Entecavir.
- Ongeveer twee derde van de deelnemers in elke groep had ofwel een verbetering, ofwel een stabilisatie van de CTP-scores.
- Ongeveer een derde van de deelnemers in elke groep had een vermindering van ten minste 2 punten in hun CTP-score en/of een verbetering van hun CTP-klasse.
- Beide groepen ervaarden tegen week 48 een verbetering van hun leverfunctie, gemeten aan de hand van veranderingen in het geheel van bilirubine, protrombine-tijd, albumine en bloedplaatjes, en de graad van de verbetering was vergelijkbaar in beide groepen.
- Ook de frequentie van de bijwerkingen, de ernstige bijwerkingen en de bijwerkingen van rang 3 of 4, waren vergelijkbaar tussen de 2 behandelingsgroepen:
- De ernstige bijwerkingen die het meest gemeld werden, waren leverfalen of complicaties van gedecompenseerde cirrose, net zoals verwacht werd voor deze populatie.
- Voor 10 patiënten die met Entecavir behandeld werden (11%), en voor 1 patiënt die met Adefovir behandeld werd (1%), moest de dosis verlaagd worden, ten gevolge van veranderingen in de nierfunctie, terwijl ze in behandeling waren.
- 7 patiënten die met Entecavir behandeld werden (7%), en 5 patiënten die met Adefovir behandeld werden (6%), stopten met hun behandeling als gevolg van bijwerkingen.
- Er werden geen ALT-fakkels vastgesteld, bij geen enkele deelnemer, tijdens de eerste 48 weken van de studie, maar 3 deelnemers ervaarden wel fakkels na week 48.
- De cumulatieve rata van HCC waren 12% (12 van de 102) in de arm met Entecavir, en 20% (18 van de 89) in de arm van Adefovir.
- De gemiddelde duur van de ontwikkelingsperiode van HCC verschilde echter niet tussen de 2 groepen.
- Onder de gediagnosticeerden met HCC, hadden 8 van de 12 patiënten die Entecavir kregen (67%), en 4 van de 18 personen die Adefovir namen (22%), HBV-DNA < 300 kopieën/mL op het moment van hun diagnose.
- Van de 57 sterfgevallen die gemeld werden tijdens deze analyse, behoorden 52 personen tot de behandelde deelnemers (23% met Entecavir en 33% met Adefovir); de andere 5 sterfgevallen deden zich voor de randomisatie voor.
- De meeste overlijdens waren het gevolg van leverfalen.
“De huidige studie verschilt van andere, onlangs gerapporteerde klinische proeven die uitgevoerd werden bij deze populatie: deze studie heeft ook patiënten ingeschreven met meer ernstige leveraandoeningen”, schreven de auteurs. “De resultaten van deze analyse van 48 weken toonden aan dat Entecavir en Adefovir doeltreffend en veilig zijn, en dat beide medicijnen goed getolereerd worden door deze populatie”.
“De virologische superioriteit van Entecavir over Adefovir vertaalde zich wel niet in vergelijkbare hepatische verbeteringen, maar deze constatering kan gerelateerd worden aan de ernst van de ziekte bij de uitgangssituatie van deze studiebevolking, en aan de tijd die nodig is om ernstige fibrose om te keren van zodra die aangericht werd”.
De onderzoekers schreven als conclusie: “De huidige studie toont aan dat Entecavir superieur is tegenover Adefovir voor het onderdrukken van HBV-DNA en voor het bereiken van een normalisatie van de ALT-niveaus tegen week 48″.
Initiële gegevens over deze studie werden reeds in 2009 gepresenteerd op de 60ste jaarlijkse bijeenkomst van de American Association for the Study of Liver Diseases (AASLD). In oktober 2010 leidden deze data tot de goedkeuring van de Amerikaanse Food and Drug Administration (FDA) van Entecavir voor de behandeling van chronische hepatitis B patiënten met gedecompenseerde leverziekten, een populatie die bijzonder moeilijk te behandelen is.
> Overzicht
10 MILJOEN INJECTERENDE DRUGGEBRUIKERS KUNNEN HEPATITIS B OF C HEBBEN.
Originele titel: 10 Million Injection Drug Users May Have Hepatitis B or C
Bron: www.hivandhepatitis.com, 29 juli 2011
Ongeveer 10 miljoen injecterende druggebruikers (Injection Drug Users/IDU) kunnen wereldwijd besmet zijn met het hepatitis C-virus (HCV), en meer dan 1 miljoen zou aan hepatitis B kunnen lijden, volgens een meta-analyse van gegevens uit meer dan 70 landen, gepubliceerd in de (vooraf online geplaatste) editie van 28 juli 2011 van het tijdschrift ‘The Lancet’.
Het delen van naalden en van andere apparatuur voor het injecteren van drugs, is een belangrijke risicofactor voor de overdracht van virale hepatitis en van HIV, maar een gedetailleerde raming van de omvang van het probleem is niet beschikbaar.
Daarom wilde Paul Nelson, samen met zijn collega’s van het ‘National Drug and Alcohol Research Centre’ van de Universiteit van New South Wales in Sydney, Australië, een studie opzetten voor de inschatting van de nationale, de regionale en de mondiale prevalentie en van de populatie-omvang van IDU met hepatitis B en C.
De onderzoekers doorzochten systematisch intercollegiaal getoetste databases (Medline, Embase en PsycINFO), ‘grijze literatuur’ (verslagen van agentschappen van de overheid, de industrie, enz.), samenvattingen van conferenties en online-bronnen, over het hepatitis B-virus (HBV) en het hepatitis C-virus (HCV) bij IDU.
Van de 4.386 intercollegiaal getoetste bronnen en de 1.019 grijze literatuurbronnen, herbekeken ze er 1.125 volledig.
Ze verzamelden informatie over:
- de status van het HCV-antilichaam (anti-HCV), dat een infectie met HCV aangeeft, wat doorgaans resulteert in een chronische infectie
- de status van het HBV-kernantilichaam (anti-HBc), waarmee een vaccinatie aangegeven wordt of een eerdere HBV-infectie – die doorgaans resulteert in een spontane klaring
- de status van het HBV-oppervlakte-antigen (HBsAg), waarmee een huidige infectie aangegeven wordt
Vervolgens berekenden ze de prevalentieschattingen, en ze combineerden deze met de omvang van de IDU-populatie (voornamelijk afgeleid van de ‘Reference Group of the United Nations on HIV and Injecting Drug Use’), voor de berekening van het geraamde aantal injecterende druggebruikers met HBV of HCV.
Resultaten.
Hepatitis B:
- De onderzoekers identificeerden in aanmerking komende verslagen over de status van anti-HBc in 43 landen en over de status van HBsAg in 59 landen, die respectievelijk 65% en 73% van alle IDU vertegenwoordigden.
- De prevalentiepercentages van anti-HBc liepen sterk uiteen, van 4,2% in Slovenië tot 85,0% in Mexico.
- De HBsAg-status, of de huidige infectie, varieerde zowel tussen de verschillende landen als binnen de landen zelf (bijvoorbeeld 3,5% tot 20,0% in de VS, en 3,7% tot 30.9% in Iran.
- De prevalentieschattingen suggereerden dat 5 tot 10% van de IDU in 21 landen, en meer dan 10% in 10 landen, HBsAg-positief is.
- Over het geheel genomen, zouden 6,4 miljoen injecterende druggebruikers anti-HBc-positief kunnen zijn (bereik van 2,3 tot 9,7 miljoen), en 1,2 miljoen zou HBsAg-positief – of momenteel besmet – kunnen zijn (variërend van 0,3 tot 2,7 miljoen).
- De grootste populaties kwamen voor in Oost-Azië en in Zuidoost-Azië (0,3 miljoen) – waar HBV endemisch is en waar velen vermoedelijk besmet werden als kind – en in Oost-Europa (eveneens 0,3 miljoen).
Hepatitis C:
- De onderzoekers lokaliseerden in aanmerking komende verslagen over de prevalentie van anti-HCV bij IDU in 77 landen, die 82% van alle IDU vertegenwoordigden.
- De prevalentie van positieve anti-HCV varieerde sterk tussen de landen, van 9,8% tot 97,4%.
- De prevalentieschattingen suggereerden dat 60 tot 80% van de injecterende druggebruikers in 25 landen HCV hadden, en meer dan 80% in 12 landen.
- Over het algemeen zouden ongeveer 10,0 miljoen IDU wereldwijd anti-HCV-positief kunnen zijn (bereik van 6,0 tot 15,2 miljoen).
- De grootste populaties van HCV-positieve IDU werden aangetroffen in China (1,6 miljoen; 67,0%), in de VS (1,5 miljoen; 73,4%) en in Rusland (1,3 miljoen; 72,5%).
- Het aantal injecterende druggebruikers waarvan gedacht wordt dat ze HCV hebben, is ongeveer 3,5 keer groter dan de 2,8 miljoen die naar schatting leven met HIV (variërend van 0,8 tot 6,2 miljoen).
“Er zijn meer injecterende druggebruikers met anti-HCV dan met HIV-infecties, en virale hepatitis vormt een belangrijke uitdaging voor de volksgezondheid”, concludeerden de auteurs van de studie.
Ze verklaarden in hun discussie dat de gerapporteerde omvangschatting van de IDU-populatie het aantal huidige of recente injecterende druggebruikers weerspiegelt, en niet alle mensen die ooit dergelijke drugs gebruikt hebben, zodat het totale aantal gevallen van hepatitis B of C, die toe te schrijven zijn aan injecterend druggebruik, nog hoger zou kunnen zijn.
“De inspanningen voor het voorkomen, het behandelen en het verminderen van schade ten gevolge van leverziekten bij IDU zijn essentieel – vooral in situaties waarin HIV met succes voorkomen of behandeld werd – omdat de grote aantallen injecterende druggebruikers die besmet zijn met HCV, en met een belangrijke morbiditeit als gevolg van deze infectie, betekenen dat de gezondheidskosten en de economische kosten van HCV, doorgegeven door injecterend druggebruik, wellicht zo hoog zijn als (of hoger dan) die van HIV”, schreven ze.
“Bewijzen over het effect van naald- en spuitprogramma’s ter preventie van HCV-infecties zijn schaars, maar vooral de risicovermindering is belangrijk, met name tijdens de beginperiode van het injecteren, wanneer de incidentie van HCV het hoogst is”, gingen ze verder.
“De potentiële rol van een HCV-behandeling bij de preventie van HCV-transmissies in de IDU-populaties rechtvaardigt nog verder onderzoek, maar de hoge kosten en de bijwerkingen van de behandelingen blijven belemmeringen”.
Wat hepatitis B betreft, hebben Nelson en zijn collega’s opgemerkt:
“Vanwege het hoge percentage van chronische HCV-infecties bij injecterende druggebruikers, zal een HBV-infectie zich hoogstwaarschijnlijk voordoen in een co-infectie van HBV en HCV, wat gekoppeld is aan een snellere progressie van de leverziekten en de daarmee gepaard gaande mortaliteit”.
“De vaccinatie tegen HBV moet voorrang krijgen bij alle injecterende druggebruikers die vatbaar zijn voor de ziekte, met name degenen die al besmet zijn met HCV”, schreven ze.
“Men kan een aanzienlijke vermindering van HBV-infecties verwachten bij IDU, in landen met universele vaccinatieprogramma’s voor kinderen, van zodra deze personen de leeftijd bereiken waarop het oplopen van HBV door injecterend druggebruik het meest voorkomt”.
“Correctionele faciliteiten bieden de ideale gelegenheid tot vaccinatie, behandeling en vermindering van de overdracht van virale hepatitis, bij een populatie met hoge percentages van injecterend druggebruik, HBV en HCV, en van wie velen zich terug in de gemeenschap zullen begeven”.
> Overzicht
VROEGE DALING VAN HBEAG VOORSPELT RESPONS OP ENTECAVIR VOOR HEPATITIS B.
Originele titel: Early HBeAg Decrease Predicts Response to Entecavir for Hepatitis B
Bron: www.hivandhepatitis.com, 10 augustus 2011
De afname van het hepatitis B ‘e’ antigen (HBeAg) tijdens de eerste 6 maand van een behandeling met Entecavir is een betere indicator dan het DNA-niveau van het hepatitis B-virus (HBV) om aan te geven welke patiënten seroconversie zullen bereiken, volgens een recente Chinese studie.
De respons op een behandeling van chronische hepatitis B kan op verschillende manieren beoordeeld worden:
- een virologische respons of een daling van de virale lading van HBV
- een biochemische respons of een normalisatie van de ALT-niveaus
- een serologische respons of een afname van HBV antigenen en antilichamen in het bloed
Zoals beschreven in de editie van juli 2011 van het ‘Journal of Viral Hepatitis’, trachtten X. Zhang en zijn collega’s van de Xi’an Jiaotong University te bepalen of de meting van het HBeAg bij de uitgangssituatie én tijdens de behandeling kon voorspellen welke patiënten seroconversie zouden bereiken nadat ze 2 jaar Entecavir innamen.
“De kwantificering van de HBeAg-niveaus heeft zijn nut aangetoond voor de controle, en voor het voorspellen van de resultaten van een behandeling met Interferon en Lamivudine, bij HBeAg-positieve patiënten, maar het is onduidelijk of dit ook geldt voor Entecavir”, merkten de auteurs op als achtergrond.
Deze analyse omvatte 65 HBeAg-positieve, behandelingsnaïeve, chronische hepatitis B-patiënten, die eenmaal daags behandeld werden met 0,5 mg Entecavir gedurende 96 weken. De onderzoekers noteerden de serum HBV-DNA-niveaus van de virale lading bij de uitgangssituatie en in week 24, week 48 en week 96. De serum HBeAg-niveaus werden vaker beoordeeld: in week 12, week 24, week 48, week 72 en week 96.
Resultaten.
- Serum HBeAg-niveaus werden nauwer geassocieerd met een hogere kans op HBeAg-seroconversie na 96 weken, dan serum HBV-DNA-niveaus bij de uitgangssituatie of tijdens de behandeling.
- Een aanhoudende verlaging van HBeAg, met meer dan 65% van het voorbehandelingsniveau na 24 weken Entecavir, werd de sterkste voorspeller van HBeAg-seroconversie na 96 weken.
Op basis van deze bevindingen concludeerden de auteurs van de studie: “De kwantificatie van HBeAg bij het begin van de therapie, en vroeg tijdens de therapie, toonde een hogere voorspellende waarde dan die van HBV-DNA, voor de HBeAg-seroconversie met Entecavir”.
“Een significante afname van de serum HBeAg-niveaus in week 24 kan nuttig zijn, voor de meting in een vroege fase tijdens de behandeling, voor het voorspellen van de HBeAg-seroconversie, en voor het identificeren van patiënten die waarschijnlijk van een eindige behandeling met Entecavir zullen kunnen profiteren”, voegden ze eraan toe.
> Overzicht
EFFECTIVITEIT VAN ENTECAVIR OP LANGE TERMIJN VOOR MENSEN MET HEPATITIS B.
Originele titel: Long-Term Efficacy of Entecavir for People with Hepatitis B
Bron: www.hivandhepatitis.com, 17 augustus 2011
Op lange termijn leidt een monotherapie van Entecavir tot een virologische respons bij een grote meerderheid van patiënten die niet eerder nucleoside/nucleotide analoge medicijnen namen, zelfs bij de personen die nog steeds waarneembaar HBV-DNA hebben na 48 weken.
In de editie van augustus 2011 van het tijdschrift ‘Hepatology’, beschreven Roeland Zoutendijk, en zijn collega’s van de ‘VIRGIL Surveillance Study Group’, de resultaten van een onderzoek naar de werkzaamheid van Entecavir gedurende 1 jaar of langer, bij patiënten met een chronische hepatitis B-virusinfectie (HBV), die nooit eerder nucleoside/nucleotide analoge medicijnen namen en bij patiënten die wel ervaring hadden met deze middelen.
De onderzoekers bekeken basislijn-factoren die gekoppeld waren aan een gedeeltelijke virologische respons op Entecavir bij eerder onbehandelde patiënten. Ze gingen na of het bereiken van een gedeeltelijke respons tijdens de vroege behandeling het succes van Entecavir op lange termijn compromitteerde.
In Fase III-studies van Lamivudine versus Entecavir, heeft Entecavir een superieure biochemische, virologische en histologische werkzaamheid aangetoond. Genotypische resistentie tegen Entecavir is zeldzaam, zelfs na een behandeling van 5 jaar. Maar de werkzaamheid van Entecavir wordt wel ernstig aangetast bij patiënten voor wie Lamivudine niet langer doeltreffend is en waarbij HBV uitgebreide weerstandmutaties heeft tegen Entecavir.
De huidige Europese behandelingsrichtlijnen voor hepatitis B suggereren een regimeverandering voor patiënten die nog steeds een waarneembare virale lading hebben in week 48, ongeacht hun vorige behandeling. Maar waar de auteurs van de huidige studie op wijzen is het feit dat het bewijs ter ondersteuning van deze aanbeveling zwak is en dat het gebaseerd is op gegevens uit studies met zwakkere nucleoside/nucleotide analogen.
Deze cohortstudie binnen het Europees netwerk voor ‘Waakzaamheid tegen Virale Resistentie’ (VIRGIL) omvatte alle volwassenen met chronische hepatitis B, die tussen 2003 en 2010 behandeld werden met een monotherapie van Entecavir in 10 grote Europese centra.
De criteria om opgenomen te worden in de studie waren: een virale lading hebben van HBV-DNA van ten minste 2.000 IU/mL bij het opstarten van Entecavir en een monotherapie van Entecavir gevolgd hebben gedurende ten minste 3 maand. Mensen met co-infecties (HIV, hepatitis C, hepatitis D), en personen die een levertransplantatie ondergingen voordat ze met Entecavir begonnen, werden uitgesloten van de studie.
De analyse omvatte 333 patiënten, hoewel 20 personen (6%) verloren gingen voor follow-up.
Van de 333 deelnemers die aanvankelijk opgenomen werden in de studie, was 75% mannelijk, de gemiddelde leeftijd was 43 jaar en 43% was positief voor het hepatitis B ‘e’ antigen (HBeAg).
48% was blank, 28% was Aziatisch en de overige 24% werden geclassificeerd als ‘andere’.
Het genotype van HBV werd bepaald aan het begin van de Entecavir-therapie. De meerderheid van het cohort had HBV genotype D (48%), gevolgd door genotype A (21%), genotype C (14%), genotype B (9%), en andere genotypes (7%).
De meeste deelnemers (73%) hadden geen ervaring met nucleoside/nucleotide analogen bij de uitgangssituatie.
Onder de resterende personen, had 22% reeds eerder Lamivudine genomen, 11% had een voorgeschiedenis van weerstand tegen Lamivudine en 4% had weerstand tegen Lamivudine bij de uitgangssituatie.
Bovendien had 15% van het cohort eerder Adefovir genomen, 4% had een voorgeschiedenis van weerstand tegen Adefovir en 4% had weerstand tegen Adefovir bij de uitgangssituatie.
Alle deelnemers kregen een monotherapie van Entecavir gedurende ten minste 3 maand.
Elke 3 maand ondergingen ze testen voor hun niveaus van ‘alanine aminotransferase’ (ALT), van ‘bilirubine-albumine’, van HBA-DNA, van HBeAg en van HBeAg-antilichamen.
Er werd een genotypische analyse uitgevoerd bij alle patiënten die ervaring hadden met nucleoside/nucleotide analogen bij de uitgangssituatie, in het geval van een virologische doorbraak (een toename van HBV-DNA > 1 log boven de nadir (laagste niveau) ten minste tweemaal na de eerste virologische reactie), en in geval van HBV-DNA > 200 IU/mL aan het einde van de follow-up.
Voor behandelingservaren patiënten werd ook de retrospectieve genotypische resistentie geëvalueerd in opgeslagen serummonsters, die bekomen werden op het einde van alle vorige nucleoside/nucleotide analoge behandelingsregimes.
Als er resistente mutaties tegen Entecavir waargenomen werden tijdens de follow-up, werd er een retrospectieve genotypische analyse van de basislijn uitgevoerd voor patiënten die geen ervaring hadden met nucleoside/nucleotide analogen.
Het primaire resultaat was een virologische respons (HBV-DNA < 80 IE/ml) tijdens de periode van follow-up na de behandeling.
Secundaire eindpunten waren: verlies van HBeAg en seroconversie (bij HBeAg-positieve deelnemers), verlies van hepatitis B oppervlakte-antigen (HBsAg) en seroconversie, opkomst van Entecavir-gerelateerde mutaties, en genormaliseerde ALT-niveaus.
Resultaten.
- In totaal kregen 243 behandelingsnaïeve deelnemers een monotherapie van Entecavir gedurende een mediane periode van 19 maand.
- Voor HBeAg-positieve deelnemers bedroeg de cumulatieve waarschijnlijkheid van het bereiken van een virologische respons 48% op 48 weken, 76% op 96 weken en 90% op 144 weken.
- De verliespercentages van HBeAg waren respectievelijk 10%, 21% en 34%.
- De rata voor HBeAg-seroconversie waren respectievelijk 8%, 16% en 24%.
- Voor HBeAg-negatieve deelnemers lag de cumulatieve waarschijnlijkheid van het bereiken van een virologische respons hoger: 89% op 48 weken, 98% op 96 weken en 99% op 144 weken.
- Een gedeeltelijke virologische respons in week 48 kwam voor bij 36 van de 175 behandelingsnaïeve deelnemers met een follow-up van ten minste 48 weken (21%).
- Positief zijn voor HBeAg, en een hoog HBV-DNA-niveau hebben bij de uitgangssituatie, waren de enige onafhankelijke risicofactoren voor een gedeeltelijke virologische respons.
- Van de 36 deelnemers met een gedeeltelijke virologische respons op 48 weken, evolueerden 29 personen naar het bereiken van een volledige virologische respons, later dan na 48 behandelingsweken (81%).
- 10 deelnemers hadden meer dan 96 weken monotherapie met Entecavir nodig om een volledige virologische respons te bereiken.
- Deelnemers die een volledige virologische respons bereikten, hadden een lager niveau van HBV-DNA in week 48 dan degenen die niet reageerden op de voortdurende monotherapie van Entecavir.
- Een aanhoudende daling van HBV-DNA werd gezien bij 6 van de 7 patiënten die geen volledige virologische respons bereikten aan het einde van de follow-up.
- Bij de patiënten die wel ervaring hadden met nucleoside/nucleotide analogen, hadden 72 personen (80%) eerder Lamivudine genomen, en 51 patiënten (57%) hadden eerder Adefovir genomen; 12 personen hadden een voorgeschiedenis van weerstand tegen Adefovir.
- Na correcties voor het niveau van HBV-DNA bij de uitgangssituatie en voor de HBeAg-status, werd de respons op Entecavir niet beïnvloed door een voorafgaande behandeling met Adefovir, of door weerstand tegen Adefovir.
- Maar de aanwezigheid van weerstandsmutaties tegen Lamivudine bij de uitgangssituatie, en een eerdere geschiedenis van weerstand tegen Lamivudine, werden wel aanzienlijk geassocieerd met een verminderde kans om een virologische respons op Entecavir te bereiken.
- Bijwerkingen tijdens de langdurige behandeling met Entecavir waren o.a. duizeligheid, hoofdpijn, en bij 3 deelnemers verlies van eetlust.
- Geen enkele deelnemer ontwikkelde klinisch duidelijke ‘lactische acidosis’ (zuurvergiftiging) en niemand had een verhoging van serum-creatinine (afbraakproduct van eiwitten).
De onderzoekers schreven:
“De huidige multicenter-studie toont aan dat Entecavir tot 3 jaar effectief is bij patiënten die nooit eerder nucleoside/nucleotide analoge middelen gebruikten, onafhankelijk van het bereiken van een virologische respons in week 48″. “De overgrote meerderheid van de [nucleoside/nucleotide analoge] behandelingsnaïeve patiënten met een gedeeltelijke virologische respons, bereikt niet detecteerbaar HBV-DNA door middel van een langdurige therapie, zonder behandelingsaanpassing”.
“Genotypische resistentie tegen Entecavir werd niet aangetroffen, bij geen van de patiënten met een gedeeltelijke virologische respons in week 48″.
De studie toonde aan dat de voortzetting van een behandeling met Entecavir veilig lijkt te zijn, en effectief voor patiënten met aantoonbaar HBV-DNA in week 48, vooral voor personen met een lagere virale lading op dat moment, waarvan toch 95% evolueerde naar een volledige virologische respons.
De onderzoekers besloten:
“In contrast met wat gesuggereerd wordt in de onlangs gepubliceerde EASL-richtlijnen inzake het beheer van chronische hepatitis B, is een aanpassing van de monotherapie met Entecavir niet nodig bij [nucleoside/nucleotide analoge] behandelingsnaïeve patiënten met een gedeeltelijke virologische respons in week 48″.
“Gegevens van studies, die medicijnen onderzoeken met een lage weerstandsbarrière (zoals Lamivudine), kunnen niet vertaald worden naar meer potente geneesmiddelen, zoals Entecavir en Tenofovir”.
> Overzicht
HOGE VIRALE LADING VAN HBV VOORSPELT LEVERFIBROSE EN KANKER.
Originele titel: High HBV Viral Load Predicts Liver Fibrosis and Cancer
Bron: www.hivandhepatitis.com, 30 augustus 2011
Verschillende bloed-biomarkers, gekoppeld aan immuun-activatie en ontsteking, voorspelden leverfakkels, de progressie van fibrose en overlijdens bij HIV-positieve ensen met een co-infectie van hepatitis B of C, volgens 2 studies die vorige maand in Rome voorgesteld werden op de 6de Conferentie van de ‘International AIDS Society’ over de pathogenese, de behandeling en de preventie van HIV (IAS 2011).
Hoge DNA-niveaus van het hepatitis B-virus (HBV) werden geassocieerd met een ergere vorm van leverfibrose, met de reactivering van hepatitis en met de ontwikkeling van leverkanker (HCC/hepato-cellulair carcinoom) bij HBeAg-negatieve patiënten (negatief voor het hepatitis B ‘e’ antigen) in 2 recente studies, die beschreven werden in de editie van juli 2011 van het ‘Journal of Viral Hepatitis’.
Na jaren of decennia kan chronische hepatitis B leiden tot ernstige leverziekten, zoals cirrose en hepato-cellulair carcinoom (leverkanker). Maar de factoren die alleen bij sommige patiënten leiden tot een gevorderde ziekteprogressie worden nog niet volledig begrepen.
Leverfibrose.
In de eerste studie vergeleken Faisal Sanai, en zijn collega’s van de ‘King Abdulaziz Medical City’ in Riyad (Saudi-Arabië), het voorkomen van gematigde tot ernstige fibrose (Metavir-fase F2 of hoger) en hun voorspellende factoren, bij chronische hepatitis B-patiënten met een virale lading van HBV-DNA boven of onder 2.000 of 20.000 IU/mL.
De onderzoekers voerden prospectieve leverbiopsieën uit bij 203 HBeAg-negatieve patiënten. De meeste personen (86%) hadden HBV genotype D.
De deelnemers werden onderverdeeld in 4 groepen:
- groep 1 (n=55): HBV-DNA > 20.000 IU/mL en aanhoudend verhoogde niveaus van ‘alanine-aminotransferase’ (ALT) (> 40 U/L)
- groep 2 (n=34): HBV-DNA > 20.000 IU/mL en aanhoudend normale ALT-niveaus
- groep 3 (n=40): HBV-DNA < 20.000 IU/mL en aanhoudend verhoogde ALT-niveaus
- groep 4 (n=74): HBV-DNA < 20.000 IU/mL en aanhoudend normale ALT-niveaus
Ze analyseerden later opnieuw alle groepen met een lagere virale lading van 2.000 IU/mL.
Resultaten:
- Fibrose van fase F2 of hoger werd ontdekt
- bij 72,7% van de patiënten in groep 1
- bij 52,9% in groep 2
- bij 57,5% in groep 3
- bij 18,9% in groep 4
- Er waren geen significante verschillen bij een HBV-DNA van 20.000 versus 2.000 IU/mL, hoewel er een tendens was naar minder fibrose in groep 2.
- In een multivariante analyse waren de onafhankelijke voorspellers van een lager risico op fibrose:
- het behoren tot groep 4, d. w. z.: een virale lading < 20.000 en normale ALT-niveaus (verschilratio van 0.03)
- een mildere necro-inflammatoire rang (A0 tot A1) (verschilratio van 0.14)
- De waarden voor de detectie van fibrose van fase F2 of hoger, bij een virale lading van 2.000 IU/mL, waren:
- 80% voor de specificiteit van de aanhoudend verhoogde ALT-niveaus
- 69% voor de positief-voorspellende waarde van de aanhoudend verhoogde ALT-niveaus
- 65% voor de negatief-voorspellende waarde van de aanhoudend verhoogde ALT-niveaus
- Bij 20.000 IU/mL waren deze waarden respectievelijk 86%, 73%, en 63%.
- De gevoeligheid verbeterde marginaal met de lagere virale lading (respectievelijk 51% versus 42%).
De auteurs van de studie besloten: “Significante fibrose komt overwegend voor bij een groot deel van de HBeAg-negatieve patiënten, met hoge viremie en aanhoudend normale ALT-niveaus. Lagere waardeverminderingen van HBV-DNA konden vastgesteld worden door marginale voordelen bij de fibrosedetectie en zonder verlies van diagnostische nauwkeurigheid”.
Reactivering van hepatitis en leverkanker.
In de tweede studie keken Takahide Nakazawa, en zijn collega’s van de ‘Kitasato University’ in Sagamihara (Japan), naar het tijdsverloop en de voorspellende factoren voor de reactivering van hepatitis en de ontwikkeling van leverkanker, en hun associaties met het niveau van HBV-DNA, bij 104 HBeAg-negatieve patiënten met aanhoudend normale ALT-niveaus.
Resultaten:
- Tijdens een gemiddelde follow-up van ongeveer 6 jaar, ontwikkelden 5 deelnemers (4,8%) leverkanker en 14 personen (13,5%) ervaarden een reactivering van hepatitis.
- Na 5 jaar waren de cumulatieve percentages van leverkanker 2,4% en van de reactivering van hepatitis 13,7%.
- Na tien jaar waren deze overeenkomstige rata respectievelijk 9,9% en 15,5%.
- In een univariante analyse was de enige voorspeller van leverkanker een virale lading van HBV-DNA > 5 log kopieën/mL.
- In een multivariante analyse waren de onafhankelijke voorspellers van de reactivering van hepatitis:
- HBV-DNA > 5 log kopieën/mL
- ALT-niveaus tussen 20 en 40 IU/L
- Omdat er geen onafhankelijke associatie was tussen de ALT-niveaus en de ontwikkeling van leverkanker, stelden de onderzoekers dat het niveau van HBV-DNA een ‘essentiële voorspeller’ was.
- Het basisniveau van HBV-DNA was gerelateerd aan de toekomstige niveaus, en dit was niet onderhevig aan grote schommelingen.
De onderzoekers besloten:
“Onze resultaten toonden aan dat een niveau van HBV-DNA > 5 log kopieën/ml latere hepato-carcinogenese (proces dat leidt tot leverkanker) en reactivering van hepatitis voorspelt, bij HBeAg-negatieve dragers met aanhoudend normale ALT-niveaus. Omdat het basisniveau van HBV-DNA het toekomstige niveau weerspiegelt, zal een passend klinisch beheer, afhankelijk van het virale niveau, naar verwachting de toekomstige risico’s verminderen”.
> Overzicht
ENTECAVIR MINDER DOELTREFFEND VOOR PATIËNTEN MET MULTIRESISTENTE HEPATITIS B.
Originele titel: Entecavir Less Effective for Patients with Multidrug-Resistant Hepatitis B
Bron: www.hivandhepatitis.com, 5 oktober 2011
Het nucleoside-analoge antivirale geneesmiddel Entecavir was slechts minimaal effectief tegen een hepatitis B-virus (HBV) dat al weerstand ontwikkeld had tegen Lamivudine en Adefovir, hebben onderzoekers gemeld in het nummer van oktober 2011 van het ‘Journal of Viral Hepatitis’. Maar patiënten die een goede vroege respons bereiken, kunnen wel goede resultaten behalen als ze Entecavir blijven innemen.
Koreaanse onderzoekers keken naar de lange-termijn uitkomst van de overschakeling naar Entecavir bij chronische hepatitis B-patiënten die een weerstand ontwikkeld hadden tegen meerdere medicijnen, na een opeenvolgende therapie van Lamivudine en Adefovir.
De studie omvatte 33 patiënten met een HBV-infectie, met een bewezen actieve virale replicatie (HBV-DNA > 105 exemplaren/ml), of met een voorgeschiedenis van falingen na opeenvolgende behandelingen met Lamivudine/Adefovir, tussen april 2007 en juli 2009.
De deelnemers werden behandeld met 1,0 mg Entecavir per dag, gedurende ten minste 48 weken. Een aantal patiënten werd gedurende 96 weken behandeld.
Resultaten.
- 66,7% van de patiënten die behandeld werden met Entecavir, ervaarde op 48 weken een normalisatie van hun niveaus van alanine-aminotransferase (ALT).
- 24,2% bereikte niet detecteerbaar HBV-DNA na 48 weken.
- De initiële virale HBV-lading was de enige factor die aanzienlijk geassocieerd kon worden met niet detecteerbaar HBV-DNA na 48 therapieweken met Entecavir. Een lagere virale lading voorspelde een betere respons.
- 77.8% van de deelnemers ervaarde een normalisatie van hun ALT-niveau op 96 weken.
- Het aantal patiënten met een niet detecteerbare virale lading daalde tot 16,7% na 96 weken.
- 21,2% van de patiënten ervaarde een virale doorbraak tegen week 48, oplopend tot 78,9% tegen week 96.
- Deelnemers die HBV-DNA bereikten van < 4 log kopieën/ml na 48 weken, hebben soortgelijke virale ladingen en normale ALT-niveaus volgehouden tot week 96.
Op basis van deze bevindingen, concludeerden de onderzoekers:
“Een monotherapie met Entecavir gedurende 96 weken was niet doeltreffend voor patiënten met Lamivudine/Adefovir-resistente HBV. Het eerste niveau van HBV-DNA was de enige voorspellende factor voor de antivirale werkzaamheid”.
“Patiënten die een HBV-DNA-niveau bereiken van < 4 log10 kopieën/ml, met een normaal ALT-niveau op 48 weken, moeten hun Entecavir-therapie blijven volgen i.p.v. deze therapie te stoppen”.
> Overzicht
DUBBELE DOSIS HEPLISAV WERKT EVEN GOED ALS 3 DOSES STANDAARD HBV-VACCIN.
Originele titel: Double Dose of Heplisav Works as Well as 3 Doses of Standard HBV Vaccine
Bron: www.hivandhepatitis.com, 7 oktober 2011
Twee injecties met ‘Heplisav’, het experimentele vaccin tegen het hepatitis B-virus (HBV) van de firma ‘Dynavax’, beschermden volwassenen, ouder dan 40 jaar, even goed als het standaardregime dat bestaat uit 3 doses van het ‘Engerix-B-vaccin’, hebben onderzoekers vorige maand in Chicago gemeld op de 51ste ‘Wetenschappelijke Conferentie over Antimicrobiële Stoffen en Chemotherapie’ (ICAAC 2011/Interscience Conference on Antimicrobial Agents and Chemotherapy).
In de afgelopen jaren hebben vaccinaties de incidentie van hepatitis B drastisch verminderd. Het HBV-vaccin wordt tegenwoordig in de VS en in vele andere landen opgenomen in het kader van het regelmatige immunisatie-schema voor kinderen, met ‘inhaalvaccinaties’ voor tieners die niet geïmmuniseerd werden als kind. Maar toch zijn veel oudere volwassenen niet ingeënt – of ze hebben hun vaccinserie niet voltooid – en daardoor blijven ze gevoelig voor de infectie. Een vaccin dat 2 doses vereist in plaats van 3 zou handiger kunnen zijn, en misschien zou het meer mensen aanmoedigen om het proces te voltooien.
Hieronder volgt een bewerkt fragment van de firma Dynavax met een beschrijving van de recente studie en haar bevindingen.
Dynavax rapporteert voltooide resultaten van de Fase III-studie over Heplisav bij gezonde volwassenen ouder dan 40 jaar.
Tijdens de 51ste Wetenschappelijke Conferentie over Antimicrobiële Stoffen en Chemotherapie (ICAAC2011) in Chicago, IL, stelde ‘Dynavax Technologies Corporation’ (NASDAQ: DVAX) vandaag (18 oktober 2011) volledige resultaten voor over de volledige studiepopulatie van zijn Fase III-proef. Deze Fase III- studie, ‘HBV-16’ genoemd, was een multicentrische, waarnemer-blinde studie, om te bepalen of de immunogeniciteit van twee doses Heplisav niet inferieur/superieur waren tegenover drie doses ‘Engerix-B’, door acht weken na de laatste dosis de percentages van de sero-protectie (bescherming) te vergelijken (SPR/seroprotection rates).
De gegevens die tijdens ICAAC gemeld werden, tonen de mogelijkheid van Heplisav om een snellere, hogere en meer langdurige reactie te genereren ten opzichte van Engerix-B.
- Heplisav induceerde een superieure immuunreactie tegenover Engerix-B tijdens de studie. De SPR en de ‘Meetkundige Gemiddelde Concentraties’ (GMC/Geometric Mean Concentrations) in de Heplisav-groep waren aanzienlijk hoger dan de SPR en de GMC in de Engerix-B-groep tijdens elk onderzoek van week 4 tot week 52.
- Heplisav bood eerder sero-protectie dan Engerix-B. Bij het primaire eindpunt-onderzoek, in week 12 voor Heplisav en in week 32 voor Engerix-B, waren de SPR in de Heplisav-groep 90%, vergeleken met 71% in de Engerix-B-groep. In feite waren in week 8 de SPR in de Heplisav-groep hoger (77%) dan de piek-SPR in de Engerix-B-groep. Uit de GMC-resultaten bleek ook een eerdere reactie van Heplisav. In week 12 van Heplisav, waren de GMC 93 mIU/mL, in week 32 van Engerix-B bedroegen de GMC 61 mIU/mL.
- Heplisav verstrekte hogere percentages van sero-protectie dan Engerix-B. De piek-SPR voor de Heplisav-groep was 95% in week 24, en 73% voor Engerix-B in week 28. De piek-GMC voor Heplisav was 233 mIU/mL in week 24, en 89 mIU/mL voor Engerix-B in week 28.
- Heplisav bood een langduriger antilichaam dan Engerix-B. De immuunreactie op Heplisav was langduriger dan de immuunreactie op Engerix-B. De SPR in de Heplisav-groep daalde van een piek van 95% in week 24 tot 92% in week 52, terwijl de SPR in de Engerix-B-groep daalde van een piek van 73% in week 28 tot 59% in week 52. De GMC in de Heplisav-groep daalde van een piek van 233 mIU/mL in week 24 tot 151 mIU/mL in week 52, en de GMC in de Engerix-B-groep daalde van een piek van 89 mIU/mL in week 28 tot 20 mIU/mL in week 52.
- De veiligheid van Heplisav was vergelijkbaar met die van Engerix-B. De rata van systemische en lokale reacties na de immunisatie, de bijwerkingen, de ernstige bijwerkingen en de auto-immune bijwerkingen waren vergelijkbaar in beide groepen.
Tyler Martin, MD, Voorzitter en Chief Medical Officer, verzorgde de mondelinge presentatie in een sessie getiteld ‘Nieuwe Trends in vaccins’ (# 80). Hij zegt:
“Uit de gegevens blijkt duidelijk dat Heplisav een immuunrespons induceert die sneller, hoger en duurzamer is dan de respons die geproduceerd wordt door Engerix-B, met een vergelijkbare veiligheid. Deze resultaten, die de superioriteit van Heplisav tegenover Engerix-B aantonen voor een hypo-responsieve populatie, zullen de basis vormen voor de invulling van onze BLA, die we tegen het einde van dit jaar willen indienen”.
Dynavax zal subgroep-analyses van de studiebevindingen voorstellen op toekomstige jaarlijkse medische vergaderingen, waaronder gegevens voor diabetici op de IDSA (Infectious Diseases Society of America/Amerikaanse Vereniging voor Besmettelijke Ziekten), en gegevens voor andere hypo-responsieve groepen op de AASLD (American Association for the Study of Liver Diseases/Amerikaanse Vereniging voor de Studie van Leverziekten) later dit jaar.
Het Australië-antigen en de rol van het vroegere Philadelphia General Hospital in het verminderen van post-transfusie Hepatitis en zijn gevolgen.
Originele titel: The Australia Antigen and Role of the Late Philadelphia General Hospital in Reducing Post-Transfusion Hepatitis and Sequelae
Bron: www.hepb.org, 5 oktober 2011
Op 5 april 2011 overleed Baruch Blumberg, die de Nobelprijs voor Fysiologie of Geneeskunde kreeg voor zijn ontdekking van het ‘Australië-antigen’. Deze ontdekking was misschien wel de belangrijkste stap vooruit op het gebied van de ‘hepatologie’. Zijn ontdekking leidde tot de virtuele eliminatie van transfusie-gerelateerde hepatitis B in de meeste delen van de wereld en ze was essentieel voor de identificatie van de hepatitis A, C, D en E virussen. Dit alles hebben we dus te danken aan Dr. Blumberg en teams in Philadelphia en in Tokio. In plaats van een ‘deelnemingscommentaar’ te schrijven naar aanleiding van zijn overlijden, vertellen Dr. John R. Senior, Dr. W. Thomas London en Dr. Alton L. Sutnick ons hun inspirerende verhaal. Ze waren namelijk allen lid van dit opmerkelijke team van Dr. Blumberg.
We worden overspoeld door de huidige vloed van nieuwe biomarkers, maar een klassiek voorbeeld van een echt belangrijk verhaal was het ontdekken, het onderzoeken en het ontwikkelen van een ‘nieuw’ antigen, dat voor het eerst gerapporteerd werd in 1965, en dat het ‘Australië-antigen’ genoemd werd omdat het gevonden werd bij een ‘Aboriginal’ (inheemse bewoner van Australië).
Retrospectief gezien, identificeerde het duidelijk niet alleen de correlatie tussen een biomarker en een ziekte, maar was het een product van de ‘ziekteverwekker’ zelf, dat leidde tot de identificatie van het hepatitis B-virus, tot snelle wereldwijde veranderingen in de procedures van de bloedbanken, tot de ontwikkeling van een vaccin, en tot de grote vermindering van een wereldwijd probleem.
Het veroorzaakte werk dat leidde tot de latere identificatie van de hepatitis-virussen A, D, C en E, en tot de preventie en de behandeling ervan, en het heeft het gebied van de ‘hepatologie’ sterk veranderd. Het is een verhaal van een toevallig proces van het samenvoegen van twee onafhankelijke onderzoekstromen: een klinische bezorgdheid over post-transfusie hepatitis en een theoretische constructie aangaande de erfelijke gevoeligheid voor ziekten. Het is ook een verhaal van twee steden, Tokio en Philadelphia, waar onderzoekers zich bleven afvragen ‘waarom?’, tot op het moment dat ze het begrepen.
‘Homologe serumhepatitis’ was een groot probleem tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen grote aantallen gewonde strijders besmet werden door het bloedplasma dat ze toegediend kregen om hun leven, dat door bloedverlies bedreigd werd, te redden. Van ‘serumhepatitis’ na een transfusie van bloed of van plasma, dacht men in de jaren 50 dat het onderscheiden moest worden van de meer algemene, wereldwijde, ‘infectueuze hepatitis’, waarvan men geloofde dat deze ziekte overgedragen werd door besmet water. Deze twee vormen van hepatitis werden ook eenvoudiger hepatitis B en hepatitis A genoemd. Studies tijdens Wereldoorlog II, en later tijdens de Koreaanse Oorlog, over epidemische catarrale geelzucht en homologe serumhepatitis, hebben geleid tot een zekere vooruitgang in het begrijpen van de ziekten, maar toch bleven er veel vragen onopgelost.
Tijdens gastro-intestinaal onderzoek in de laboratoria van Dr. Kurt Isselbacher in het Massachusetts General Hospital in 1959, fascineerde een stagiair uit Japan, Dr. Yoshitaka Shimizu,
een andere stagiair (Dr. Senior) met zijn recente klinische studies in vijf ziekenhuizen in Tokio. Met behulp van tweewekelijkse metingen van de serum-transaminase-activiteit, had hij gevonden dat bijna 65% van de patiënten die een thoracale of gastro-intestinale ingreep ondergingen (waarvoor ze een bloedtransfusie kregen) een vertraagde, postoperatieve verhoogde activiteit van serum-enzymen hadden. Ongeveer 9 tot 10% van de patiënten met hepatitis kreeg geelzucht, wat gepubliceerd werd door Dr. Shimizu in april 1963, na zijn terugkeer naar Japan.
Dr. Senior was teruggekeerd naar de Universiteit van Pennsylvania, om een nieuw laboratorium op te starten voor gastro-intestinaal klinisch onderzoek in het Philadelphia General Hospital (PGH). In afwachting van de levering van zijn laboratoriumapparatuur, in de tweede helft van 1962, wilde hij de bevindingen uit Tokio bevestigen of contrasteren. Daarom observeerden hij en twee andere medische residenten patiënten die een bloedtransfusie gekregen hadden tijdens gynaecologische ingrepen. Daarna volgden ze tweewekelijks de postoperatieve verhogingen van de serum-enzyme-activiteit bij deze patiënten. Ze maakten gebruik van de klinische laboratoria van het aangrenzende Hospital of the University of Pennsylvania (HUP), voor het meten van de activiteiten van de ‘serum-glutamaat-oxaalacetaat-transaminase’ (SGOT), van de ‘glutamine-pyrovische transaminase’ (SGPT), en van de ‘isocitrische dehydrogenase’ (ICD).
In 1963 vonden ze dat 10 van de 56 gevolgde patiënten (18%) 4 tot 14 weken later verhogingen van hun post-transfusie-enzymen ontwikkelden, maar geen enkele patiënt was geel geworden en vier personen waren zelfs a-symptomatisch. Zes patiënten stemden daarna in met een leverbiopsie, die resulteerde in ‘diffuse interlobulaire ontsteking’, ‘nucleair pleomorfisme’, ‘eosinofiele degeneratie’, en ‘hepato-cellulaire pycnose’, zoals gemeld in 1964.
De incidentie van serum-enzyme-verhogingen en van vermoedelijke hepatitis lag in het PGH aanzienlijk hoger dan elders in de Verenigde Staten, en lag ook dichter bij wat gepubliceerd werd voor Tokio door Dr. Shimizu en Dr. Kitamoto. Zij vonden namelijk dat 113 van de 175 patiënten, die daar in de ziekenhuizen een bloedtransfusie kregen (64,6%), verhogingen ervaarden van SGOT en SGPT. Maar slechts 10 van de 97 personen die serieel testten voor de ‘icterus index’ (12 eenheden met serumbilirubine van 1,0 mg/dl), toonden niveaus boven 21 eenheden, wat zij beschouwden als icterisch.
Uit de correspondentie met Dr. Shimizu, en uit een nauwlettende herziening van zijn gepubliceerd verslag, bleek dat de patiënten in Tokio gemiddeld 10.9 eenheden bloed van 200 ml ontvangen hadden, terwijl de patiënten in Philadelphia gemiddeld slechts 2.1 eenheden van 475 ml kregen (als gevolg van verschillen in de werkwijze van de bloedbanken in de twee landen in die tijd).
In beide steden konden de rata van ‘ziektedragers’ berekend worden, op basis van de waargenomen percentages van hepatitis, met behulp van de risicoformule R = 1 – (1 – c)n
- R was het risico van de ontwikkeling van hepatitis (icterische of anicterische) na een bloedtransfusie, als functie van het percentage van de ‘dragers’
- C stond voor de infecterende stof
- n was het aantal bloedeenheden dat getransfuseerd werd
Na de bespreking met Dr. Shimizu in Tokio, achtten we dat het risico per getransfuseerde eenheid zeer vergelijkbaar was in Tokio en in het PGH: ongeveer 9,1% van het donorbloed in beide steden bleek ten minste anicterische hepatitis over te dragen op de ontvangers!
De verhoogde gevoeligheid om hepatitis op te sporen door serum-enzyme-testen, werd erkend spoedig na de publicatie door Karmen van de snelle ‘spectro-fotometrische methode’ voor het meten van de activiteit van SGOT en SGPT.
Tijdens zijn stage in het HUP, was Dr. Senior sterk onder de indruk van die techniek, en in 1955-1956 voerde hij verschillende honderden vaststellingen uit van serum-enzyme-activiteit bij patiënten met hartziekten en met hepatische ziekten, totdat de testen overgenomen werden door het ‘Pepper Laboratorium’ van de HUP.
In het midden van de jaren zestig was de Amerikaanse incidentie van post-transfusie hepatitis controversieel: de schattingen varieerden van slechts 1 per 10.000 eenheden getransfuseerd bloed tot meer dan 100 keer zoveel, afhankelijk van de gebruikte bronnen van het donorbloed, van de populatiesteekproef van de bestudeerde ontvangers, en van de manier waarop hepatitis ontdekt was.
Een grote studie, in negen opleidingsziekenhuizen in Boston in de periode van 1952 tot 1962, rapporteerde dat van de 303.000 eenheden getransfuseerd bloed er slechts ongeveer 5 of 6 per 10.000 geelzucht leken te veroorzaken, of symptomatische hepatitis, binnen de 6 maand.
Ongepubliceerde verslagen uit New Haven zetten dit cijfer zelfs maar op 1 per 10.000.
Was het 1 per 11, of waren het er enkele per 10.000 getransfuseerde ontvangers?
Geheel onafhankelijk hiervan, verplaatste Dr. Baruch Blumberg zich in 1964 van de ‘National Institutes of Health’ (NIH) naar het ‘Institute for Cancer Research’ (ICR) in Fox Chase, los verbonden met de Universiteit van Pennsylvania. Hij wilde er zijn werk voortzetten over de populatiegenetica, op zoek naar geërfde serum-polymorfismen die een verhoogde gevoeligheid aangeven voor ziekten zoals leukemie, andere vormen van kanker, en het syndroom van Down. Hij werd daar vergezeld door Dr. Alton Sutnick en Dr. Thomas Londen.
In juli 1966 bestudeerden ze een jongen (J.B.) met het syndroom van Down, wiens serum positief testte op het ‘Australië-antigen’. Routinetesten toonden verhogingen aan van zijn serum-aminotransferase-activiteiten, en zijn leverbiopsie toonde wijzigingen aan die vergelijkbaar waren met wat gerapporteerd werd bij de getransfuseerde patiënten in het PGH. De bevinding dat een kind het ‘Australië-antigen’ (Au) opgelopen had in zijn serum, geassocieerd met het vinden van anicterische hepatitis, wierp een zeer verschillend licht op het Au als een geërfde, genetische indicator van ziektegevoeligheid. Het idee dat het in plaats daarvan een overdraagbare ziektestof zou kunnen
vertegenwoordigen was een ‘aha-moment’’ voor de ICR-groep.
Dr. Sutnick heeft de opwinding over die vondst opgenomen in zijn klinische notities: ”SGOT lichtjes verhoogd! Protrombine-tijd laag! We zouden een indicatie kunnen gevonden hebben van de reden voor zijn conversie naar Au+”.
Zijn observatie bleek juist te zijn. Tijdens een vergadering in het ICR van Dr. Baruch Blumberg, Dr. Alton Sutnick, Dr. Thomas London en Dr. John Senior, waren we het erover eens dat de tijd gekomen was om een andere studie uit te voeren in het PGH. We begonnen te plannen hoe donorbloed voor het PGH getest kon worden bij het ICR op Au door ‘Ouchterlony immunodiffusie’, en de patiënten van het PGH werden gevolgd via serum-SGPT-testen om hepatitis te kunnen detecteren.
Dr. Blumberg, die zijn uitgebreide wereldreizen verder zette, ontdekte ondertussen in Japan dat Dr. Kazuo Okochi in Tokio ook bezig was met het testen van donorbloed op antigene markeringen. Dr. Okochi had gevonden dat 1% van de bloeddonoren daar een ‘iso-precipitine’ antilichaam ontwikkelde tegen een antigen dat vergelijkbaar was met wat in 1965 gerapporteerd werd door het NIH. Verder merkte Dr. Okochi op dat 5 personen van de 53 potentiële donoren, die uitgesloten werden omdat hun SGOT-niveaus een activiteit van > 30 eenheden vertoonden, positief bevonden waren voor Au (9,3%).
In zijn bevestigingen noteerde Dr. Okochi dat hij Dr. Shimizu geraadpleegd had. Het was duidelijk dat het probleem wijd verspreid was. Er volgden bevestigingen in New York, New Jersey en Bethesda. Vervolgens werd via elektronenmicroscopie in het ICR gevonden dat Au geassocieerd werd met een partikel. Eén van de auteurs (B.W.) kwam naar voren met ‘acute hepatitis B’. Een groter deeltje, dat gevonden werd in het serum met de Au-partikels, maar met DNA (misschien het virus zelf), werd later geïdentificeerd in Engeland.
We besloten om het donorbloed van het naburige HUP te bekijken, evenals dat van het PGH, en om de ontvangers van bloedtransfusies in beide ziekenhuizen te volgen. De herhaalde studie in het PGH van 1968, die later gerapporteerd werd, bevestigde de vorige resultaten, waaruit bleek dat 14 van de 78 ontvangers van volledig bloed of van plasma (17,9%) een verhoogde serum-enzyme-activiteit vertoonden, wat hepatitis aangeeft, en dat het risico in het PGH 3.8 x hoger was dan in het HUP.
De verkregen resultaten uit deze tweede studie toonden aan dat het vinden van Au in donorbloed sterk geassocieerd was met de ontwikkeling van hepatitis bij de ontvanger!
Deze bevindingen veroorzaakten een ander, nog dramatischer ‘aha-moment’, toen we allen overeenkwamen dat het niet langer ethisch was om bloed toe te dienen dat positief testte voor Au.
Dit vroeg in 1969 om een derde studie in het PGH, om deze hypothese te valideren. De studie werd uitgevoerd samen met Dr. Eugene Goeser, een mede-onderzoeker van het PGH. Het donorbloed werd getest in het ICR met de ‘Ouchterlony agar immunodiffusie-methode’ in de nacht nadat het bloed ingezameld werd. De resultaten werden de volgende ochtend terug gestuurd naar de bloedbank in het PGH, waar de directeur, Dr. Miriam Dahlke, rustig de eenheden opzij zette die positief getest hadden, ondanks de bezwaren van de ziekenhuisbeheerders. De resultaten waren weer spectaculair: de incidentie van post-transfusie hepatitis werd er teruggebracht van de vorige 17,9% tot 5,9%, bij 12 van de 204 getransfuseerde patiënten, een daling van twee derde!
Er werd opnieuw een zware prijs betaald: Dr. Goeser ontwikkelde zelf acute hepatitis B in maart 1970, na een toevallige naaldprik terwijl hij bloed afnam van een gedetineerde in een gevangenis in Philadelphia.
Het werk in het ICR vorderde snel, met de karakterisering van het Au als de eiwitlaag of het ‘oppervlakte-antigen’ van hepatitis B (HBsAg), en met de ontwikkeling van een vaccin met het Au als uitgangspunt. Er werden meer gevoelige testen voor het Au ontwikkeld; veel details werden opgehelderd en uitgelegd. Legioenen van virologen, electron-microscopisten, en nog vele anderen, benutten deze bevindingen om transfusie-overdraagbare hepatitis B te verminderen, en het studiegebied van ‘virale hepatitis’ werd geopend met de opeenvolgende ontdekkingen in latere jaren van de stoffen die hepatitis A, D, C, en E veroorzaken.
Dr. Blumberg herbekeek de gebeurtenissen van de 15 voorgaande jaren in zijn oratie op 13 december
1976, toen hij de Nobelprijs voor de Geneeskunde of Fysiologie kreeg.
Dr. Harvey Alter publiceerde in mei 2011 een bewogen doodsbericht over Dr. Blumberg, die plotseling overleed op 5 april 2011.
De bijdragen van de studies in het PGH waren bescheiden maar substantieel, en ze leidden tot de vermindering van de klinische problemen daar. De convergentie van gedachtestromingen had geleid tot drie opeenvolgende studies in het PGH:
- de identificatie van de zeer hoge incidentie van anicterische post-transfusie hepatitis, door gebruik te maken van verhogingen van serum-enzymen voor de detectie, 1962-1963, gerapporteerd in 1964
- het testen van donoren op Au en van ontvangers op serum-enzymen, zowel in het PGH als in het HUP, 1967-1968
- de uitsluiting van het gebruik van donorbloed dat positief testte voor Au, met follow-up van de ontvangers, 1969-1970
De hoge prevalentie van besmet donorbloed dat gebruikt werd in het PGH, gecombineerd met de meer gevoelige detectie van hepatitis, verklaarde de bevindingen die waargenomen werden. Noch de PGH-groep, noch de ICR-groep, was aanvankelijk van plan om de virale stof van hepatitis B te vinden, maar, net zoals de ‘Prinsen van Serendip’, bleven ze zoeken en vragen stellen. De les voor de huidige ontdekkers van nieuwe biomarkers is dat ze kunnen geadviseerd worden om hetzelfde te doen en om te blijven vragen ‘waarom?’.
Ironisch genoeg heeft de stad Philadelphia in 1977, gelijktijdig met de publicatie van het hoorcollege van Blumberg voor zijn Nobelprijs, het PGH gesloten, 248 jaar nadat het opgericht werd als het ‘Godshuis van Philadelphia’, voor de huisvesting en de verzorging van zieke, arme en krankzinnige inwoners van de kroonkolonie van Pennsylvania.
> Overzicht
DUBBELE DOSIS HEPLISAV WERKT EVEN GOED ALS 3 DOSES STANDAARD HBV-VACCIN.
Originele titel: Double Dose of Heplisav Works as Well as 3 Doses of Standard HBV Vaccine
Bron: www.hivandhepatitis.com, 7 oktober 2011
Twee injecties met ‘Heplisav’, het experimentele vaccin tegen het hepatitis B-virus (HBV) van de firma ‘Dynavax’, beschermden volwassenen, ouder dan 40 jaar, even goed als het standaardregime dat bestaat uit 3 doses van het ‘Engerix-B-vaccin’, hebben onderzoekers vorige maand in Chicago gemeld op de 51ste ‘Wetenschappelijke Conferentie over Antimicrobiële Stoffen en Chemotherapie’ (ICAAC 2011/Interscience Conference on Antimicrobial Agents and Chemotherapy).
In de afgelopen jaren hebben vaccinaties de incidentie van hepatitis B drastisch verminderd. Het HBV-vaccin wordt tegenwoordig in de VS en in vele andere landen opgenomen in het kader van het regelmatige immunisatie-schema voor kinderen, met ‘inhaalvaccinaties’ voor tieners die niet geïmmuniseerd werden als kind. Maar toch zijn veel oudere volwassenen niet ingeënt – of ze hebben hun vaccinserie niet voltooid – en daardoor blijven ze gevoelig voor de infectie. Een vaccin dat 2 doses vereist in plaats van 3 zou handiger kunnen zijn, en misschien zou het meer mensen aanmoedigen om het proces te voltooien.
> Overzicht
GILEAD EN GLOBEIMMUNE WERKEN SAMEN AAN THERAPEUTISCH HEPATITIS B-VACCIN.
Originele titel: Gilead and GlobeImmune Will Collaborate on Hepatitis B Therapeutic Vaccine
Bron: www.hivandhepatitis.com, 29 oktober 2011
‘Gilead Sciences’ en ‘Globe Immune’ kondigden deze week aan dat ze zullen samenwerken aan de ontwikkeling en de commercialisering van een therapeutisch vaccin tegen het hepatitis B-virus (HBV) met behulp van GlobeImmune ’s ‘Tarmogen gist-vector-technologie’. In tegenstelling tot de veel gebruikte preventieve HBV-vaccins, zijn therapeutische vaccins ontworpen om de immuunreactie van het lichaam op het virus te stimuleren en kunnen ze gebruikt worden in combinatie met orale antivirale geneesmiddelen.
> Overzicht
AMERIKAANSE ADVISEURS BEVELEN HEP B-VACCIN AAN VOOR DIABETICI.
Originele titel: US Advisers Recommend Diabetics Get Hep B Vaccine
Bron: www.hepb.org, 3 november 2011
Amerikaanse vaccin-adviseurs hebben dinsdag gestemd om vaccinaties tegen hepatitis B aan te bevelen voor volwassenen met diabetes onder de leeftijd van 60 jaar, en diabetici ouder dan 60 jaar mogen ook het vaccin toegediend krijgen.
Het ‘Raadgevend Comité voor Immunisatiepraktijken’, dat de Amerikaanse ‘Centers for Disease Control and Prevention’ (CDC) adviseert, stemde met 12 tegen 2 om diabetici op te nemen in de risicogroep van niet-gevaccineerde volwassenen die toch wel gevaccineerd zouden moeten worden. Het is de eerste keer dat het panel een aanbeveling doet voor hepatitis B-vaccinaties bij mensen met diabetes, nadat studies aantoonden dat diabetici onder de leeftijd van 60 jaar meer dan tweemaal zoveel kans lopen om besmet te raken dan mensen zonder diabetes. De studies vonden geen waarneembare stijging van hepatitis B bij diabetici ouder dan 60 jaar, zeiden de onderzoekers dinsdag in hun presentatie.
Hepatitis B is een ernstige ziekte, die chronisch kan worden en die kan leiden tot leverschade of kanker. Mensen die besmet zijn met het virus kunnen het verspreiden bij anderen door contact met hun bloed of met andere lichaamsvloeistoffen, zelfs als ze geen symptomen vertonen. Hoewel er geen remedie bestaat, kan de ziekte voorkomen worden met een vaccin.
De CDC bevelen sinds 1991 reeds een routine hepatitis B-vaccinatie aan voor kinderen en adolescenten. Deze aanbeveling geldt ook voor niet-gevaccineerde volwassenen die het risico lopen om besmet te raken, zoals mensen met chronische leverziekten of nierziekten, mannen die seks hebben met mannen, mensen met meer dan één sekspartner, of personen met een job die hen kan blootstellen aan menselijk bloed.
Als de CDC de aanbeveling van hun adviseurs volgen, zal die lijst uitgebreid worden met mensen met diabetes onder de leeftijd van 60 jaar. Voor oudere diabetici staat het panel flexibiliteit toe, voor overleg met een arts over de noodzaak van het vaccin.
De stemming over Hep B volgde op de aanbeveling van het panel dat jongens gevaccineerd moeten worden tegen het humaan-papillomavirus met ‘Gardasil’ van Merck & Co. Merck maakt ook ‘Recombivax’, één van de twee hepatitis B-vaccins die beschikbaar zijn in de Verenigde Staten. GlaxoSmithKline maakt het andere vaccin, ‘Engerix-B’. Dynavax heeft een hepatitis-B vaccin in klinische studies, ‘Heplisav’, dat zich richt op volwassenen.
Mensen met diabetes zijn reeds meerdere jaren de focus van discussies over hepatitis B-vaccinaties, naar aanleiding van studies die begonnen te wijzen op hun verhoogde kans om het virus op te lopen, over het algemeen door middel van controles van hun bloedglucose. Deze bloedtest omvat een prikje in de huid, voor het bekomen van een druppel bloed, die dan aangebracht wordt op een strook van een uitlees-apparaat. Elk gebrek aan steriliteit, zoals het testen van verscheidene mensen met behulp van hetzelfde apparaat, kan hun risico voor blootstelling aan besmet bloed verhogen.
Jongere mensen zijn ontvankelijker voor de vaccinatie, waarvan de doeltreffendheid na verloop van tijd kan afnemen, zeiden de onderzoekers. Snellere vaccinaties kunnen ook reeds vroeg bescherming bieden aan nieuw gediagnosticeerde patiënten, aangezien studies vinden dat twee derde van de diabetes-diagnoses gedaan wordt voor de leeftijd van 60 jaar.
De kosten van een immunisatie versus de verworven voordelen verviervoudigen ook bij veertigers en vijftigers, maar dan springen ze naar bijna een verzesvoudiging voor mensen die ouder zijn dan 60.
Indachtig het feit dat de wet over de gezondheidszorg de aanbevelingen van het panel bindend maakt voor een verzekeringsdekking, stemden de commissieleden vóór leeftijdsspecifieke hepatitis B-aanbevelingen, onder voorbehoud dat ze later verdere details konden verstrekken, om ervoor te zorgen dat de vaccinaties gedekt worden voor degenen die ze nodig hebben, ongeacht de leeftijd.
> Overzicht
SNELLER EN VAKER LEVERKANKER-SCREENING NODIG VOOR SOMMIGE HEP B-PATIËNTEN.
Originele titel: Some People with Hepatitis B May Need Liver Cancer Screening Sooner and More Often
Bron: www.hivandhepatitis.com, 5 november 2011
Aziatische immigranten met een chronische hepatitis B-virusinfectie (HBV) kunnen op jongere leeftijd hepato-cellulair carcinoom (HCC) ontwikkelen, wat suggereert dat mensen met risicofactoren, zoals roken of een reeds bestaande familiegeschiedenis, eerder en vaker moeten beginnen met leverkanker-screenings, volgens een rapport in de vooraf online gepubliceerde editie van het ‘American Journal of Gastroenterology’ van 13 september 2011.
Na jaren of decennia kan chronische hepatitis B (en C) leiden tot ernstige leverschade, zoals cirrose en HCC. Hepatitis B komt veel meer voor onder mensen uit Azië, waar HBV endemisch is en veel mensen perinataal geïnfecteerd werden vóór de komst van de wijdverbreide vaccinaties.
HCC is makkelijker te behandelen als het vroeg ontdekt wordt. Routine leverkanker-screenings worden aanbevolen voor chronische hepatitis B-patiënten met levercirrose, en zeker binnen risicovolle populaties – waaronder Aziatische mannen van 40 jaar en ouder, en Aziatische vrouwen van 50 jaar en ouder – zelfs als er geen cirrose aanwezig is. Maar veel jongere hepatitis B-patiënten ontwikkelen reeds HCC voordat ze geadviseerd worden om te beginnen met screenings.
David Wan en zijn collega’s van de ‘New York University’ wilden de risicofactoren bepalen voor de ontwikkeling van vroeg-optredend HCC – dat wil zeggen: HCC dat zich ontwikkelt bij mannen onder de leeftijd van 40 jaar of bij vrouwen onder de leeftijd van 50 jaar – bij Aziatische immigranten met chronische hepatitis B.
De onderzoekers verzamelden retrospectief klinische en demografische gegevens, en laboratoriumgegevens, van alle Aziatische immigranten met hepatitis B in het ‘Bellevue Hospital Center’ in New York tussen 2003 en 2009. Er werden in totaal 168 patiënten met HCC geïdentificeerd en men vergeleek ze met controlepersonen (van dezelfde leeftijd) met hepatitis B, maar zonder HCC.
Resultaten.
- 74% van alle geïdentificeerde HCC-gevallen trad laat op (124 van de 168), terwijl 26% vroeg optrad (44 van de 168).
- In een vergelijking tussen de 124 patiënten met laat-optredend HCC, en de 199 controlepersonen (van dezelfde leeftijd) zonder HCC, bleken de volgende factoren significant geassocieerd met de ontwikkeling van leverkanker:
- mannelijk geslacht: verschilratio van 4.4, of meer dan een viervoudig risico
- levercirrose: verschilratio van 9.6
- surrogaat-marker labotesten (d. w. z. bloedplaatjes, internationaal genormaliseerde ratio, totaal bilirubine, albumine)
- In een vergelijking tussen de 44 vroeg opgetreden HCC-gevallen, en 432 controlepersonen (van dezelfde leeftijd) met hepatitis B, waren de onafhankelijke voorspellers van leverkanker:
- mannelijk geslacht: risico-ratio van 2.7, of bijna een drievoudig risico
- bestaande familiegeschiedenis van HCC: verschilratio van 2.7
- bestaande geschiedenis van roken: verschilratio van 3.4
- levercirrose: verschilratio van 19.5
- surrogaat-marker labotesten
- Over het geheel genomen had 54,8% van de mensen met laat-optredend HCC cirrose, vergeleken met 29,5% van de vroeg-optredende HCC-gevallen.
“HCC doet zich bij Aziatische, geïmmigreerde HBV-patiënten jonger voor dan verondersteld wordt in de momenteel aanbevolen richtlijnen voor screening”, besloten de auteurs van de studie. “Een grote meerderheid van deze patiënten met vroeg-optredend HCC had geen cirrose op het moment van hun HCC-diagnose; daarom moeten er andere factoren dan cirrose overwogen worden tijdens de beoordeling van het HCC-risico bij jonge patiënten.
Factoren die samenhangen met de ontwikkeling van HCC over alle leeftijden heen omvatten ‘cirrose hebben’ en ‘van het mannelijk geslacht zijn’, terwijl een ‘voorafgaande familiegeschiedenis’ en een ‘voorgeschiedenis van roken’ bij jongere Aziatische geïmmigreerde HBV-patiënten risico’s voor HCC kunnen identificeren. Onze resultaten suggereren dat jongere Aziatische HBV-patiënten, en dan vooral diegenen die roken of die een familiegeschiedenis van HCC hebben, een verhoogd risico lijken te lopen voor HCC, en deze personen zouden vroeger moeten deelnemen aan screening-programma’s, ongeacht hun leeftijd”.
> Overzicht
LANG GEBRUIK VAN TENOFOVIR VOOR CHRONISCHE HEP B VERMINDERT LEVERONTSTEKING EN CIRROSE.
Originele titel: Long-Term Tenofovir for Chronic Hepatitis B Reduces Liver Inflammation and Cirrhosis
Bron: www.hivandhepatitis.com, 9 november 2011
De meeste chronische hepatitis B-patiënten die met Tenofovir een virale onderdrukking kunnen handhaven gedurende 5 jaar, ervaren een verbetering van hun leverhistologie, waaronder cirroseregressie, volgens een presentatie deze week in San Francisco op de vergadering van de Amerikaanse Vereniging voor de Studie van Leverziekten (AASLD 2011).
Patrick Marcellin en zijn collega-onderzoekers keken naar bijna 500 deelnemers in ‘studie 102’ (HBeAg-negatieve patiënten) en ‘studie 103’ (HBeAg-positieve patiënten) van Gilead. Deze studies vergeleken Tenofovir met Adefovir, twee geneesmiddelen voor chronische hepatitis B-virusinfecties (HBV). Na het einde van de gerandomiseerde behandelingsperiode die 48 weken duurde, hadden de patiënten de mogelijkheid om Tenofovir te blijven nemen en om zich op lange termijn te laten volgen; ongeveer 90% koos hiervoor en 490 mensen werden nog 5 jaar opgevolgd.
De meeste patiënten (88%) die op lange termijn gevolgd werden, vertoonden een algemene histologische verbetering (≥ 2 punten vermindering, volgens de ‘Knodell inflammatoire score’, zonder verslechtering van fibrose), en 73% van de personen met levercirrose bij de aanvang van de studie ervaarde een regressie na 5 jaar.
Edward Gane en zijn collega’s presenteerden een verwante analyse, waaruit bleek dat de Aziatische patiënten in deze 2 studies nog een groter voordeel hadden: 90% ervaarde een histologische verbetering en 89% van degenen met cirrose ervaarde een regressie.
Hieronder volgt een bewerkt fragment uit een persbericht van Gilead met een beschrijving van de 5-jarige analyse en haar bevindingen.
Gilead Sciences Inc. (Nasdaq: GILD) kondigde vandaag (5 november 2011) nieuwe vijfjarige gegevens aan uit de ‘open-label fase’ van twee cruciale, klinische Fase III-proeven (‘studies 102 en 103’), die de werkzaamheid van Tenofovir evalueerden voor de behandeling van chronische hepatitis B-virusinfecties (HBV) bij voornamelijk behandelingsnaïeve patiënten. De resultaten tonen aan dat Tenofovir op lange termijn de virale onderdrukking van HBV handhaaft en dat het geassocieerd is met een vermindering van leverfibrose en met een omkering van cirrose. De meerderheid van de patiënten in beide studies (88 procent) ervaarde een verbetering van de algehele leverhistologie. Samen vormen deze twee studies één van de grootste datasets die de impact van een orale antivirale therapie op histologische wijzigingen evalueren en die een vermindering van leverfibrose aantonen. Deze bevindingen werden voorgesteld in San Francisco op maandag 7 november op de 62ste jaarlijkse bijeenkomst van de ‘Amerikaanse Vereniging voor de Studie van Leverziekten’ (The Liver Meeting 2011).
“We hebben lang getheoriseerd dat een antivirale therapie op lange termijn niet alleen chronische hepatitis B-patiënten zal helpen bij het bereiken en het handhaven van hun virologische onderdrukking, maar dat een dergelijke behandeling hen ook kan helpen om hun klinische resultaten te verbeteren, waaronder een vermindering van hun risico op fibrose of cirrose”, zei Patrick Marcellin, MD van het ‘Hôpital Beaujon’ in Clichy (Frankrijk), van ‘INSERM CRB3’ en van de universiteit ‘Denis Diderot’ in Parijs, en de hoofdonderzoeker van ‘studie 102’. “Deze resultaten vertegenwoordigen een belangrijke vooruitgang in de HBV-therapie omdat ze de mogelijkheid van Tenofovir verhelderen om tekenen van leverschade te verminderen of om te keren bij patiënten met chronische hepatitis B”.
‘Studies 102 en 103’ werden ontworpen om Tenofovir te vergelijken met Adefovir, op een geblindeerde wijze, gedurende meer dan 48 weken, bij HBeAg-negatieve patiënten (‘studie 102’) en HBeAg-positieve patiënten (‘studie 103’) met gecompenseerde leverziekten. Patiënten die oorspronkelijk gerandomiseerd werden voor Adefovir in beide studies, schakelden over naar open-label Tenofovir na 48 weken, en patiënten die reeds gerandomiseerd werden voor Tenofovir, gingen verder met open-label Tenofovir.
Uit de gegevens blijkt dat de meerderheid van de patiënten die continu Tenofovir genomen hadden gedurende 240 weken, een aanhoudende onderdrukking van hun niveaus van HBV-DNA (virale lading) in hun bloed bereikte dat lager was dan 400 exemplaren/ml (respectievelijk 83 procent voor ‘studie 102’ en 64 procent voor ‘studie 103’). Patiënten die eerst gerandomiseerd waren voor Adefovir en overschakelden op Tenofovir na week 48, en Tenofovir toegediend kregen gedurende de volgende 192 weken, handhaafden ook een virale onderdrukking (respectievelijk 84 procent voor ‘studie 102’ en 66 procent voor ‘studie 103’).
Onder de 331 patiënten die gekoppelde biopsieën ondergingen bij de uitgangssituatie én in week 240, ervaarden 292 personen (88 procent) een verbetering in hun algehele leverhistologie, gemeten via een verbetering van ten minste twee punten in de ‘Knodell necro-inflammatoire score’ zonder verslechtering in de ‘Knodell fibrosescore’. Van de 94 patiënten die cirrose hadden (‘Ishak fibrosescore’ groter dan of gelijk aan 5) aan het begin van de therapie, ervaarden 69 mensen (73 procent) een regressie van hun cirrose en 68 personen (72 procent) hadden ten minste een vermindering van twee punten volgens de ‘Ishak fibrosescore’.
Onder de HBeAg-positieve patiënten die Tenofovir kregen tot week 240 (‘studie 103’), was de cumulatieve waarschijnlijkheid van ‘s’-antigeenverlies en seroconversie (geschat door het ‘Two-State Markov model’) respectievelijk 9 procent en 7 procent. Daarnaast ontstond er geen weerstand tegen Tenofovir na 240 weken behandeling.
“Virale weerstand is een belangrijke uitdaging voor artsen die patiënten met chronische hepatitis B behandelen”, zei Jenny Heathcote, MD van de Universiteit van Toronto (Canada), en de belangrijkste onderzoeker van ‘studie 103’. “De resultaten van deze vijf jaar zijn belangrijk omdat ze aantonen dat Tenofovir een hoge genetische barrière voor weerstand heeft, wat essentieel is voor het lange-termijn succes van een HBV-therapie”.
Tenofovir voor HBV werd goedgekeurd door de Amerikaanse ‘Food and Drug Administration’ (FDA) in 2008 en is sindsdien het meest voorgeschreven geneesmiddel voor chronische HBV geworden in de Verenigde Staten. Deze vijfjarige gegevens zijn ingediend bij de FDA en bij het Europees Geneesmiddelenbureau voor beoordeling en voor hun mogelijke opname in het Tenofovir-label.
> Overzicht
