Co-infectie HIV

• TELAPREVIR IS BELOFTEVOL VOOR GECO-INFECTEERDEN MET HEP C EN HIV. 15 maart 2011
• MONOKLONAAL ANTILICHAAM BAVITUXIMAB GOED VERDRAGEN DOOR HIV/HCV GECO-INFECTEERDE PERSONEN. 15 april 2011
• NIERFUNCTIE BIJ HIV/HBV GECO-INFECTEERDE PERSONEN MET TENOFOVIR. 19 april 2011
• HIV/HCV CO-INFECTIE BIJ HIV POSITIEVE HOMOSEKSUELE MANNEN. 22 april 2011
• ONDERBREKING VAN BEHANDELING BEVORDERT FIBROSE BIJ HIV/HCV GECO-INFECTEERDE PATIËNTEN. 27 april 2011
• VIRALE LADING, HIV STATUS, MAAR NIET IL28B VOORSPELT PERINATALE BESMETTING. 29 april 2011
• HIV/HCV GECO-INFECTEERDEN HEBBEN EEN STERKERE CD8 T-CEL RESPONS OP HCV. 6 mei 2011
• BEHANDELING VAN HEPATITIS C IN HIV POLIKLINISCHE STUDIE. 10 mei 2011
• VOORSPELT IL28B RESULTATEN VOOR HIV/HCV GECO-INFECTEERDE PERSONEN? 3 juni 2011
• KORTERE BEHANDELING EFFECTIEF VOOR HIV+ MANNEN MET ACUTE HCV. 18 juni 2011
• LEVERFIBROSE VERMINDEREN BIJ EEN CO-INFECTIE VAN HIV EN HEP C. 22 juli 2011
• BEHANDELING VAN HIV/HBV CO-INFECTIE IN AFRIKA. 9 juli 2011
• HEPATITIS A VACCINRESPONS IS DUURZAAM BIJ MENSEN MET HIV. 9 juli 2011
• HCV KAN SEKSUEEL OVERGEDRAGEN WORDEN TUSSEN HIV+ MANNEN. 29 juli 2011
• ONTSTEKINGSMARKERS GEKOPPELD AAN LEVERZIEKTEN EN OVERLIJDEN MET HIV/HBV EN HIV/HCV CO-INFECTIE. 6 augustus 2011
• MARAVIROC VERBETERT LEVERFIBROSE BIJ GECO-INFECTEERDE HIV/HCV-PATIËNTEN. 10 augustus 2011
• BEHANDELING VAN HIV/HCV GECO-INFECTEERDEN MET GECOMPENSEERDE LEVERCIRROSE. 12 augustus 2011
• ALARMEREND PERCENTAGE VAN HERINFECTIES MET HEP C BIJ HIV+ HOMOFIELE MANNEN. 24 augustus 2011
• HEPATITIS DELTA VERHOOGT OVERLIJDENSRISICO BIJ 15% HIV/HBV GECO-INFECTEERDEN. 2 september 2011
• DIDANOSINE EN HOGERE VIRALE HCV-LADING VOORSPELLEN LEVERFIBROSE BIJ CO-INFECTIE VAN HIV/HCV. 20 september 2011
• MARAVIROC KAN LEVERFIBROSE VERMINDEREN BIJ CO-INFECTIE VAN HIV/HCV. 23 september 2011
• HCV-MEDICIJN TELAPREVIR TOONT GEEN PROBLEMATISCHE INTERACTIES MET RALTEGRAVIR. 5 oktober 2011
• KOFFIE HELPT BIJWERKINGEN VERMINDEREN BIJ HIV/HCV TIJDENS INTERFERONTHERAPIE. 7 oktober 2011
• NTERFERON KAN 11 oktober 2011PROGRESSIE VAN LEVERZIEKTE VERTRAGEN BIJ HIV/HCV GECO-INFECTEERDE RELAPSERS.
• ANTI-RETROVIRALE THERAPIE VERTRAAGT PROGRESSIE VAN LEVERFIBROSE BIJ HIV/HCV. 18 oktober 2011
• VOORSPELLERS VAN VIRALE HCV-LADING BIJ HIV/HCV-PATIËNTEN. 26 oktober 2011

TELAPREVIR IS BELOFTEVOL VOOR GECO-INFECTEERDEN MET HEP C EN HIV.
Originele titel: Telaprevir Shows Promise in Those Co-Infected with Hepatitis C and HIV
Bron: www.hepatitis-central.com, 15 maart 2011

Voorlopige resultaten van een Fase II studie hebben aangetoond dat 70 procent van de mensen die geco-infecteerd zijn met hepatitis C en HIV niet-detecteerbare niveaus van hepatitis C hadden na vier weken behandeling met Telaprevir.

Tussentijdse resultaten van een Fase II studie toonden aan dat het experimentele geneesmiddel Telaprevir de virale niveaus van hepatitis C verlaagde bij mensen die besmet waren met zowel HIV als hepatitis C. De resultaten toonden ook aan dat Telaprevir goed verdragen werd en veilig te gebruiken was, met milde bijwerkingen zoals misselijkheid en koorts. Deze tussentijdse resultaten werden voorgesteld op de 18de Conferentie over Retrovirussen en Opportunistische Infecties (CROI 2011).

“Onderzoek over hepatitis C heeft aangetoond dat mensen die vroeg reageren op de behandeling een hogere kans hebben op de verwezenlijking van een virale genezing. Deze tussentijdse resultaten zijn bemoedigend, want ze toonden aan dat een groot deel van de mensen in de studie een snelle virale reactie had op Telaprevir”, zei Dr. Robert Kauffman, Senior Vice President en Chief Medical Officer van Vertex Pharmaceuticals, de maker van Telaprevir, in een persbericht.

In de Verenigde Staten heeft ongeveer 30 procent van de mensen met HIV ook HCV. Mensen met HIV hebben minder kans op de verwijdering van HCV dan mono-geïnfecteerde personen, en een HCV behandeling is ook minder effectief bij mensen met HIV.

Telaprevir is een HCV proteaseremmer, die ontwikkeld wordt door Vertex Pharmaceuticals, voor de behandeling van een hepatitis C infectie. Net zoals HIV proteaseremmers, werkt het geneesmiddel door het remmen van de HCV replicatie in het lichaam.

In deze Fase II studie beoordelen onderzoekers de werkzaamheid, de veiligheid en de verdraagbaarheid van Telaprevir bij 60 HIV-HCV geco-infecteerde patiënten.

Het onderzoek is opgesplitst in twee delen. Deel A bevat HIV-HCV geco-infecteerde patiënten die geen anti-retrovirale therapie volgen. Deel B bestaat uit HIV-HCV geco-infecteerde patiënten die ofwel een op Atripla (Efavirenz/Emtricitabine/Tenofovir) gebaseerd regime volgen als HIV behandeling, ofwel een op Reyataz (Atazanavir) gebaseerd regime.

Daarnaast worden de patiënten in elk deel opgesplitst in twee groepen. Eén groep zal Telaprevir krijgen, gedurende 12 weken, in combinatie met twee andere HCV medicijnen: Ribavirine (Copegus) en Pegasys (gepegyleerde Interferon alfa-2a). De andere groep krijgt een placebo, Ribavirine en Pegasys, eveneens gedurende 12 weken. Beide groepen zullen dan gedurende 36 weken een extra behandeling krijgen met Ribavirine plus Pegasys.

  • Voorlopige resultaten wijzen erop dat 70 procent van de HIV-HCV patiënten die de therapie op basis van Telaprevir volgden niet-detecteerbare HCV spiegels hadden na vier weken, vergeleken met 5 procent van de patiënten die een placebo plus Ribavirine en Pegasys kregen.
  • Bovendien had 68 procent van de deelnemers die gedurende 12 weken Telaprevir kregen niet-detecteerbare HCV niveaus, tegenover 14 procent van de deelnemers die Ribavirine plus Pegasys alleen kregen. Niet alle deelnemers hadden reeds 12 weken van de behandeling bereikt op het tijdstip van de analyse.
  • Deelnemers die Telaprevir kregen, hadden een stabiele HIV virale ladingen (de hoeveelheid HIV in het bloed) en CD4-tellingen (witte bloedcellen).
  • De meest voorkomende bijwerkingen bij zowel de Telaprevir groepen als de placebogroepen waren vermoeidheid, misselijkheid, hoofdpijn, jeuk, duizeligheid, koorts, gewichtsverlies, braken, diarree en rillingen.
  • Jeuk, misselijkheid, duizeligheid, koorts, gewichtsverlies en braken kwamen vaker voor in de groepen die met Telaprevir behandeld werden. De percentages van de bijwerkingen waren vergelijkbaar met wat waargenomen wordt in klinische studies met HIV negatieve patiënten.

De Fase II studie loopt nog steeds en ze zal ook de mogelijkheid van de medicijnen onderzoeken om HCV te genezen bij HIV-HCV geco-infecteerde patiënten. Voor HCV wordt een genezing gedefinieerd als niet detecteerbare HCV niveaus zes maanden na de afronding van de behandeling. De studie zal ook doorgaan met de evaluatie van de veiligheid en de verdraagbaarheid van Telaprevir bij mensen met een co-infectie van HIV en HCV.

Vertex plant een Fase III onderzoek bij HIV positieve volwassenen met hepatitis C aan het einde van dit jaar.

> Overzicht

MONOKLONAAL ANTILICHAAM BAVITUXIMAB GOED VERDRAGEN DOOR HIV/HCV GECO-INFECTEERDE PERSONEN.

Originele titel: Monoclonal Antibody Bavituximab Well-Tolerated by HIV/HCV Coinfected People
Bron: www.hivandhepatitis.com, 15 april 2011

Een experimenteel monoklonaal antilichaam, dat de HCV replicatie remt, was veilig en werd goed verdragen in een klinische studie van HIV positieve mensen, die geco-infecteerd waren met chronische hepatitis C. Dit hebben onderzoekers gemeld tijdens het EASL Congres 2011.

Bavituximab is een experimenteel monoklonaal antilichaam, dat zich richt op fosfatidylserine (een fosfolipide component), op het membraan van cellen die geïnfecteerd zijn met het virus. Preklinische studies hebben aangetoond dat dit type van antilichamen de virale replicatie kan remmen en de immuunrespons kan verbeteren.

Fosfatidylserine wordt gevonden op cellen die geïnfecteerd zijn met een verscheidenheid van virussen, met inbegrip van het hepatitis C virus (HCV), HIV, influenza en herpes, wat suggereert dat gerichte antilichamen voordelig zouden kunnen zijn voor een aantal ziekten.

Uit eerdere studies blijkt dat een enkelvoudige en tweewekelijkse intraveneuze infusie van Bavituximab (tot 6 mg/kg) goed verdragen werd, en het toonde een voorbijgaande antivirale activiteit bij mensen met chronische hepatitis C.

Zoals gemeld op het Internationaal Lever Congres van de Europese Vereniging voor de Studie van de Lever (EASL) deze maand in Berlijn, hebben onderzoekers vervolgens de veiligheid, de verdraagbaarheid, de farmaco-kinetiek en de virale kinetiek geëvalueerd van maximaal 8 wekelijkse infusies van Bavituximab bij HIV/HCV geco-infecteerde personen.

Over de antivirale aanpak van Bavituximab.

Bavituximab is de eerste van een nieuwe klasse gepatenteerde antilichamen die zich richten op en zich binden aan ‘fosfatidylserine’ (PS), een specifieke fosfolipide component van de celmembranen. Bavituximab helpt het immuunsysteem van het lichaam reactiveren en dirigeren, voor de vernietiging van geïnfecteerde cellen en virusdeeltjes, die deze specifieke fosfolipiden vertonen op hun oppervlak. Omdat hun doel eerder ‘host afgeleid’ is dan ‘pathogeen afgeleid’, hebben ‘fosfatidylserine’ gerichte antilichamen het potentieel voor een breed spectrum van antivirale activiteit, en ze zullen naar verwachting ook veel minder gevoelig zijn voor virale mutaties die vaak leiden tot resistentie tegen geneesmiddelen.

Onderzoekers hebben ontdekt dat ‘fosfatidylserine’ blootgesteld wordt op het buitenste membraan van cellen die geïnfecteerd zijn met HCV, HIV, griep, herpesvirussen, hemorragische koortsvirussen, respiratoir syncytieel virussen, mazelen en andere virussen. Een groeiend geheel van wetenschappelijke publicaties, waaronder Nature Medicine en The Journal of Experimental Medicine, zet gegevens in de spotlights over de rol van ‘fosfatidylserine’ gerichte therapieën bij infectieziekten.

> Overzicht

NIERFUNCTIE BIJ HIV/HBV GECO-INFECTEERDE PERSONEN MET TENOFOVIR.

Originele titel: Kidney Function in HIV/HBV Coinfected People on Tenofovir
Bron: www.hivandhepatitis.com, 19 april 2011

Een verminderde nierfunctie bij mensen met HIV, HBV en HIV/HBV co-infectie, die Tenofovir namen, deed zich voornamelijk voor bij mensen met reeds bestaande risicofactoren, hebben onderzoekers gemeld tijdens het Congres van EASL 2011.

Tenofovir (Viread, ook in de Truvada en Atripla coformuleringen) is zeer effectief voor de behandeling van zowel het hepatitis B virus (HBV) als HIV, maar het kan nierbeschadiging veroorzaken bij gevoelige personen.

Zoals vermeld in een poster op het Internationaal Lever Congres van de Europese Associatie voor de Studie van de lever (EASL) deze maand in Berlijn, hebben Franse onderzoekers de veranderingen vergeleken van de ‘glomerulaire filtratiesnelheid’ (GFR) – een laboratoriummeting van de nierfunctie – bij mono-geïnfecteerde HIV, bij mono-geïnfecteerde HBV, en bij HIV/HBV geco-infecteerde patiënten, die behandeld werden met Tenofovir.

Deze retrospectieve analyse omvatte 194 HIV positieve patiënten, die een eerstelijns anti-retrovirale therapie volgden. Er waren 50 mensen met hepatitis B alleen, en 85 personen met een HIV/HBV co-infectie. Alle deelnemers hadden gedurende meer dan 1 jaar Tenofovir gebruikt. Als groep hadden de geco-infecteerde patiënten Tenofovir aanzienlijk langer genomen dan de personen met HIV of HBV alleen (respectievelijk 3,9 jaar versus 2,4 jaar).

Meer dan 70% van de studiedeelnemers was mannelijk en ongeveer één derde was van Afrikaanse afkomst (een groep met een hoger risico op nierziekten). Mensen met HBV waren gemiddeld ouder, waren minder waarschijnlijk van Afrikaanse oorsprong, en hadden een lagere uitgangswaarde van GFR. Patiënten met gedecompenseerde cirrose, leverkanker, reeds bestaande nierinsufficiëntie, en ontvangers van levertransplantaties werden uitgesloten.

Resultaten

  • Gedurende een mediane follow-up periode van 2,7 jaar, was de mediane GFR daling volgens de MDRD vergelijking -4,9 ml/min.
  • In een multivariante analyse waren de belangrijke voorspellers van de GFR daling van de onderzochte populatie als geheel:
  • Oudere leeftijd (P =0,0002)
  • Afrikaanse afkomst (P <0,0001)
  • Lagere GFR bij aanvang (P <0,0001)
  • Langere duur van Tenofovir gebruik (P =0,02)
  • In tegenstelling waren arteriële hypertensie (hoge bloeddruk), diabetes en het type van de infectie (HIV, HBV of HIV/HBV) geen significante risicofactoren.
  • Bij de mono-geïnfecteerde HIV personen en de HIV/HBV geco-infecteerde deelnemers bleken de volgende factoren significant geassocieerd met een GFR achteruitgang:
  • Oudere leeftijd (P <0,0001)
  • Afrikaanse oorsprong (P =0,0004)
  • Lagere uitgangswaarde van GFR (P <0,0001)
  • Langere Tenofovir gebruiksduur (P =0,007)
  • Andere variabelen, waaronder de risicofactoren voor HIV transmissie, CDC van het HIV/AIDS stadium, CD4 T-cellen en de HIV virale lading, waren geen significante risicofactoren.
  • Op basis van deze bevindingen concludeerden de onderzoekers: “De GFR daling tijdens een Tenofovir therapie blijkt vooral geassocieerd te zijn met oudere leeftijd, niet-Afrikaanse afkomst, een hogere uitgangswaarde van GFR en een langere gebruiksduur van Tenofovir. Het effect van de uitgangswaarde en van HBV-DNA vraagt verder onderzoek”.

    > Overzicht

    HIV/HCV CO-INFECTIE BIJ HIV POSITIEVE HOMOSEKSUELE MANNEN.

    Originele titel: HIV/HCV Coinfection among HIV Positive Gay Men
    Bron: www.hivandhepatitis.com, 22 april 2011

    Onderzoekers hebben op het Congres van EASL nadere gegevens voorgesteld over uitbraken van seksueel overdraagbare HCV bij HIV positieve mannen die seks hebben met mannen. De rata van aanhoudende respons zijn hoog wanneer een Interferon gebaseerde therapie begonnen wordt tijdens een acute infectie, maar een herinfectie na de behandeling komt veel voor bij deze populatie.

    Ongeveer 2 000 clinici zijn begonnen met de rapportage van uitbraken van een, kennelijk seksueel overdraagbare, hepatitis C virusinfectie (HCV) bij HIV positieve homo en biseksuele mannen in het Verenigd Koninkrijk, gevolgd door grote steden in Europa, Australië en Noord-Amerika. HIV/HCV geco-infecteerde mensen hebben de neiging tot een snellere progressie van leverziekten en ze reageren niet zo goed op een Interferon gebaseerde therapie, maar de behandeling is effectiever indien ze gestart wordt tijdens een acute HCV infectie.

    Drie posters, die voorgesteld werden tijdens het Internationaal Lever Congres van de Europese Vereniging voor de Studie van de Lever (EASL) deze maand in Berlijn, keken naar seksueel overdraagbare HCV bij mannen met HIV.

    HCV incidentie in CASCADE.

    Onderzoekers van de ‘CASCADE Samenwerking’ kenmerkten de hepatitis C epidemie onder HIV positieve mannen die seks hebben met mannen (MSM), van 1990 tot en met 2007. Uit recente fylogenetische analyses blijkt dat de verspreiding van HCV bij deze populatie begon rond 1996, merkten ze op als achtergrond.

    De onderzoekers beoordeelden de HCV incidentie bij HIV positieve MSM, in 12 cohorten in het Verenigd Koninkrijk, Europa en Canada, als onderdeel van de ‘CASCADE studie’. Ze verklaarden dat de verzameling van HCV gegevens gestart is in verschillende jaren in de verschillende cohorten.

    Van de 4 724 MSM in de deelnemende cohorten, werden 3 014 mannen, met beschikbare HCV testresultaten, opgenomen in de analyse. In deze groep hadden 124 mannen (4%) alleen positieve HCV testresultaten, 2 798 personen (93%) hadden alleen negatieve resultaten, en 92 patiënten (3%) hadden beide.

    In 1990 varieerde de HCV incidentie tussen 0,9 en 2,2 gevallen per 1 000 persoonsjaren (PY), afhankelijk van de gebruikte analysemethode. De HCV incidentie steeg tegen het einde van 1995 tot 5,5 à 8,1 gevallen per 1 000 PY. Vanaf 2002 zijn de nieuwe HCV infecties sterker gestegen, waardoor ze een geschatte incidentie bereikten die varieerde tussen 16,8 en 30,0 gevallen per 1 000 PY in 2005, en tussen 23,4 en 51,1 gevallen per 1 000 PY in 2007.

    “Onze gegevens ondersteunen de fylodynamische bevindingen over het feit dat de HCV incidentie al begon toe te nemen bij HIV geïnfecteerde MSM vanaf het midden van de jaren 90″, concludeerden de onderzoekers. “De belangrijkste uitbreiding van de HCV epidemie is echter begonnen na 2002″.

    “Bewustmaking, routinetesten en HCV behandelingen zijn noodzakelijk om de verdere verspreiding van HCV bij HIV geïnfecteerde MSM te minimaliseren”, bevolen ze aan.

    Behandeling van acute HCV.

    In een gerelateerde studie voerden P. Ingiliz en zijn collega’s een retrospectieve analyse uit van meer dan 300 HIV positieve mannen in Noord-Duitsland, die met een acute HCV infectie gediagnosticeerd werden tussen 2001 en 2008. De onderzoekers vergeleken onbehandelde patiënten met personen die een Interferon gebaseerde therapie kregen.

    De meeste studiedeelnemers (93%) rapporteerden mannelijk-mannelijk geslachtsverkeer als risicofactor voor een HCV infectie; slechts 3 personen (1%) vermeldden geïnjecteerd drugsgebruik. De mediane leeftijd bij HCV diagnose was 40 jaar (rata van 20 tot 69 jaar). Een meerderheid (70%) had HCV genotype 1, terwijl 18% genotype 4 had, dat ongewoon is in Europa buiten de clusters van MSM seksuele overdracht. De mannen hadden over het algemeen goed gecontroleerde HIV, de mediane duurtijd van de HIV infectie was 5,5 jaar, de mediane HIV virale lading was 110 kopieën/ml, en het mediane aantal CD4-cellen was 461 cellen/mm3.

    Ongeveer driekwart van de deelnemers kreeg een hepatitis C behandeling, met een mediane behandelingsduur van 33 weken. Iets meer dan de helft van de patiënten die de behandeling en de follow-up beëindigden, bereikte een aanhoudende virologische respons (SVR). De mannen die SVR bereikten, waren aanzienlijk langer behandeld dan de non-responders (41 weken versus 27 weken). Ongeveer één kwart van de onbehandelde deelnemers vertoonde een spontane HCV klaring.

    “Onze bevindingen bevestigen dat acute hepatitis C bij HIV geïnfecteerde patiënten vooral MSM treft die HCV oplopen door seksuele overdrachtâ€, concludeerden de onderzoekers. “In deze ‘real-life’ setting van stedelijke regio’s in Noord-Duitsland, lijken de behandelingsrata hoog”.

    HCV herinfectie.

    Ten slotte keken J. Sasadeusz, en zijn collega’s uit het Verenigd Koninkrijk en Australië, naar de rata van de, kennelijk seksueel overdraagbare, HCV herinfectie bij HIV positieve MSM na een Interferon gebaseerde therapie.

    Met behulp van een klinische databank, identificeerden de onderzoekers nieuwe gevallen van acute HCV infectie, die zich voordeden tussen maart 2003 en december 2007. Ze keken naar de rata van de spontane HCV klaringen, van de reacties op de behandeling en van de herinfecties. Een herinfectie werd gedefinieerd als detecteerbaar HCV-RNA na een behandelingsgeïnduceerde SVR, of 2 opeenvolgende niet-detecteerbare testen ten minste 3 maanden na een spontane klaring.

    Een totaal van 61 personen – allemaal mannen – bereikte de gevalsdefinitie van acute HCV infectie, 97% rapporteerde mannelijke-mannelijke seks als risicofactor. Ook hier had ongeveer 73% HCV genotype 1 en 20% had genotype 4.

    Binnen deze groep ervaarden 9 mannen (15%) een spontane HCV klaring en 40 personen werden behandeld met gepegyleerde Interferon plus op het gewicht gebaseerde Ribavirine. Het SVR percentage was hoog: 80%.

    Van de 41 mannen met ofwel spontane klaring, ofwel SVR, ervaarde 39% vervolgens een herinfectie (inclusief 1 man die tweemaal herbesmet werd). De HCV herinfecties hebben zich voorgedaan gemiddeld 46 maand (bereik van 20 tot 66 maand) na de eerste infectie, en ze hadden allemaal mannelijke-mannelijke seks als gerapporteerde risicofactor. Slechts 1 geherinfecteerde patiënt ervaarde een spontane HCV klaring, 9 personen ondergingen de behandeling opnieuw, en 33% van de mensen bereikte SVR.

    Op basis van deze bevindingen concludeerden de onderzoekers: “De HCV infectie blijft hoog bij HIV positieve MSM individuen”.

    “Er vloeit geen immuniteit voort uit eerdere infecties”, voegden ze eraan toe. “Het veranderen van dit hoogrisico gedrag, dat leidt tot herinfectie, is zeker nodig”.

    Deze resultaten zijn in overeenstemming met die van een andere recente analyse, die gemeld werd op de Retrovirus Conferentie van dit jaar (CROI 2011), waaruit bleek dat 25% van de HIV positieve mannen, die behandeld werden voor acute hepatitis C in Amsterdam, opnieuw geïnfecteerd werd binnen ongeveer 1 jaar.

    > Overzicht

    ONDERBREKING VAN BEHANDELING BEVORDERT FIBROSE BIJ HIV/HCV GECO-INFECTEERDE PATIËNTEN.

    Originele titel: Treatment Interruption Spurs Fibrosis in HIV/HCV Coinfected People
    Bron: www.hivandhepatitis.com, 27 april 2011

    Stoppen met een anti-retrovirale therapie leidde tot de progressie van leverfibrose bij HIV/HCV geco-infecteerde patiënten, een effect dat niet volledig toe te schrijven was aan een toegenomen HIV virale lading of aan een verlaagd aantal CD4-cellen.

    Leverschade, als gevolg van een chronische hepatitis C virusinfectie (HCV), heeft de neiging om sneller te evolueren bij HIV/HCV geco-infecteerde personen, in vergelijking met mensen met hepatitis C alleen.

    De ‘SMART’ studie en andere studies hebben aangetoond dat de onderbreking van een anti-retrovirale therapie (ART) risico’s kan inhouden voor niet-AIDS aandoeningen, waaronder hart- , nier-en leverziekten, die de onderzoekers in verband brachten met een verhoogde activering van het immuunsysteem en van ontsteking, gerelateerd aan een heroplevende HIV replicatie.

    Zoals beschreven in de editie van 24 april 2011 van ‘AIDS’, onderzocht Julia Thorpe, samen met haar collega-onderzoekers van de Canadese co-infectie Cohort Studie (CTN222), de effecten van ART onderbrekingen op de progressie van leverfibrose bij HIV/HCV geco-infecteerde volwassenen.

    Deze prospectieve analyse omvatte 541 geco-infecteerde patiënten, die ingeschreven werden tussen 2003 en 2009. Een ART onderbreking werd gedefinieerd als: “het stoppen met alle anti-retrovirale geneesmiddelen gedurende ten minste 14 dagenâ€. Om de 6 maand werd de evolutie van fibrose beoordeeld, en de deelnemers werden gedurende een mediane periode van iets meer dan 1 jaar gevolgd.

    De onderzoekers schatten de leverfibrose met behulp van de ‘APRI’ methode (aspartate aminotransferase-to-platelet ratio index), een berekening op basis van bloed biomarkers. Deze methode wordt beschouwd als minder betrouwbaar dan de “gouden standaard” van een leverbiopsie, en mogelijk ook minder betrouwbaar dan de niet-invasieve, kortstondige elastometrie techniek (FibroScan). De deelnemers hadden weinig of geen fibrose in de uitgangssituatie. Het primaire eindpunt was een APRI score van ten minste 1,5, die wijst op aanzienlijke fibrose. Een score van 2,0 of meer wijst op fibrose.

    Op basis van deze bevindingen concludeerden de auteurs van de studie: “Een ART onderbreking werd geassocieerd met een verhoogd risico op de progressie van fibrose bij een HIV/HCV co-infectie, en dit risico werd slechts gedeeltelijk veroorzaakt door de virale lading van HIV en de CD4 T-cel tellingen”.

    “Onze bevindingen suggereren dat de progressie van leverziekten, die waargenomen werd bij geco-infecteerde patiënten die met ART behandeld werden, deels te wijten is aan de gevolgen van de onderbrekingen van de behandeling”, voegden ze eraan toe.

    “Studies naar andere factoren, die geassocieerd zijn met de onderbreking van een anti-retrovirale behandeling bij geco-infecteerde patiënten, zouden gunstig zijn om clinici te helpen bij het verminderen van stopzettingen van de behandeling, en dat geldt ook voor studies die gericht zijn op het begrijpen van de onderliggende mechanismen die fibrose bevorderen in deze setting”, voegden ze toe in hun discussie.

    Deze bevindingen ondersteunen eerder onderzoek, waaruit blijkt dat vroege en aanhoudende anti-retrovirale behandelingen de leverschade ten gevolge van chronische virale hepatitis kunnen vertragen of beperken bij mensen met HIV.

    > Overzicht

    VIRALE LADING, HIV STATUS, MAAR NIET IL28B VOORSPELT PERINATALE BESMETTING.

    Originele titel: Viral Load, HIV Status, but not IL28B Predict Perinatal HCV Transmission
    Bron: www.hivandhepatitis.com, 29 april 2011

    Vrouwen met een hogere virale lading van HCV en vrouwen die geco-infecteerd waren met HIV, hadden meer kans om HCV door te geven aan hun baby’s volgens een recente Spaanse studie. Het IL28B genpatroon had geen rechtstreekse gevolgen op de overbrenging, maar baby’s met het gunstige CC-patroon hadden HCV vaker spontaan gewist.

    Het is bekend dat moeders met het hepatitis C virus (HCV) de ziekte kunnen doorgeven aan hun baby’s tijdens de zwangerschap, de bevalling of de borstvoeding, maar de timing en de risicofactoren van deze verticale overdracht worden nog niet volledig begrepen.

    Zoals beschreven in de vooraf online geplaatste editie van 16 maart 2011 van het tijdschrift Hepatology, analyseerde Angeles Ruiz-Extremera, en haar collega’s van het San Cecilio University Hospital in Granada, de rol van de virale lading van HCV, van IL28B, en van andere factoren van de HCV overdracht van moeder op kind.

    In 2009 hebben onderzoekers voor het eerst gemeld dat variaties in het menselijk genoom, in de buurt van het IL28B gen, de resultaten kunnen helpen voorspellen bij mensen met hepatitis C. Ieder individu draagt 2 exemplaren van elk gen, 1 van elke ouder. Mensen met 2 exemplaren van de beschermende “C” genvariant op de rs12979860 locatie (bekend als CC-patroon), hebben meer kans om HCV spontaan te elimineren, en ze reageren beter op een therapie die gebaseerd is op Interferon. Mensen met het TT-patroon hebben de slechtste resultaten, terwijl personen met het CT-patroon er tussenin vallen.

    In de huidige analyse hebben de onderzoekers 145 zwangere vrouwen ingeschreven tussen 1991 en 2009; 112 vrouwen (die gezamenlijk de geboorte gaven aan 142 kinderen) hadden een detecteerbare virale lading van HCV-RNA, terwijl 33 vrouwen (die in totaal 43 kinderen baarden) positief testten voor HCV antistoffen – wat een eerdere infectie aangeeft – maar ze hadden een niet detecteerbare virale lading van HCV.

    De IL28B genpatronen werden bepaald voor zowel moeders als kinderen. De kinderen werden getest op HCV-RNA bij hun geboorte en op gezette tijden tot de leeftijd van 6 jaar. Men ging uit van een verticale transmissie van HCV als een kind positief testte voor HCV-RNA in 2 opeenvolgende bloedmonsters.

    Resultaten.

    Op basis van deze bevindingen concludeerden de auteurs van de studie: “Een hoge virale lading bij de moeder is de enige voorspellende factor van de verticale transmissie van HCV”.

    “IL28B speelt geen rol in de verticale transmissie van HCV”, gingen ze verder, “maar het IL28B CC- polymorfisme bij een kind is onafhankelijk geassocieerd met de spontane klaring van HCV genotype 1 bij geïnfecteerde kinderen”.

    “Onze gegevens zijn de eerste die rekening houden met de klaring van het HCV virus, en ze kunnen belangrijke informatie bieden over de beschermende immuniteit tegen HCV”, zei Ruiz-Extremera in een persbericht, dat gepubliceerd werd door Wiley Blackwell, de uitgever van het tijdschrift Hepatology. “Er is verder onderzoek nodig om de mechanismen te begrijpen die betrokken zijn bij deze genetische variatie en bij de klinische gevolgen van de IL28B variant op een HCV infectie”.

    > Overzicht

    HIV/HCV GECO-INFECTEERDEN HEBBEN EEN STERKERE CD8 T-CEL RESPONS OP HCV.

    Originele titel: HIV/HCV Coinfected Have Stronger CD8 T-cell Response to HCV
    Bron: www.hivandhepatitis.com, 6 mei 2011

    HIV positieve mensen die geco-infecteerd zijn met het hepatitis C virus (HCV) hebben een sterkere CD8 T-cel respons aangetoond tegen HCV, wat zou kunnen bijdragen tot een versnelde progressie van leverziekten.

    Naar schatting één derde van de HIV positieve mensen heeft ook HCV, dat op vergelijkbare wijze overgedragen wordt. HIV/HCV geco-infecteerde individuen ondervinden gemiddeld een snellere progressie van leverfibrose, met wellicht meer kans op het ontwikkelen van levercirrose of kanker, en ze hebben de neiging om minder goed te reageren op een hepatitis C behandeling die gebaseerd is op Interferon.

    Een studie, die gepubliceerd werd in de editie van maart 2011 van het Journal of Viral Hepatitis, belichtte de biologische mechanismen die aan de basis liggen van de verschillende uitkomsten bij HIV/HCV geco-infecteerde en HCV mono-geïnfecteerde patiënten.

    Lisa Barrett, en haar collega’s van de Memorial University van Newfoundland, evalueerden de rol van het immuunsysteem bij de versnelde progressie van leverziekten bij geco-infecteerde mensen.

    In het algemeen ontwikkelt een leverziekte zich door de jaren heen bij mensen met een HIV/HCV co-infectie, in vergelijking met decennia bij HCV mono-geïnfecteerden, hebben de auteurs van de studie opgemerkt als achtergrond. Fibrose wordt echter niet direct door het virus veroorzaakt, maar het is eerder een resultaat van de immuunrespons ertegen, wat ontsteking en activering van mechanismen voor celreparatie omvat.

    Sommige onderzoekers, waaronder Daniel Fierer en zijn collega’s van het Mt. Sinai Medical Center in New York City, hebben een zeer snelle fibroseprogressie beschreven in een cohort van mannen die al HIV positief waren wanneer ze nadien besmet werden met HCV, vermoedelijk door seks.

    In de huidige analyse hebben onderzoekers de frequentie, de omvang, de breedte en de specificiteit vergeleken van CD4 perifeer bloed en CD8 T-cel responsen bij HIV positieve en HIV negatieve hepatitis C patiënten. Ze hebben ook gekeken naar de verschillen bij de geïnfecteerde mensen met verschillende HCV antilichamen en een verschillende status van de virale lading van HCV-RNA.

    Resultaten:

    Op basis van deze bevindingen concludeerden de auteurs van de studie: “Het grootste verschil tussen de HIV/HCV geco-infecteerde en HCV mono-geïnfecteerde groepen was: aanzienlijk sterkere HCV-specifieke CD8 + T-cel responsen in de HIV/HCV geco-infecteerde groep, wat gerelateerd zou kunnen zijn met een versnelde leverziekte bij deze setting”.

    > Overzicht

    BEHANDELING VAN HEPATITIS C IN HIV POLIKLINISCHE STUDIE.

    Originele titel: Treatment of Hepatitis C in HIV Outpatient Study
    Bron: www.hivandhepatitis.com, 10 mei 2011

    Slechts ongeveer 1 op 5 HIV/HCV geco-infecteerde deelnemers aan de HOP studie kreeg een hepatitis C behandeling, hoewel die proportie met de tijd steeg.
    Sinds de komst van effectieve anti-retrovirale combinatietherapieën, is leverziekte ten gevolge van virale hepatitis uitgegroeid tot een belangrijke oorzaak van de niet met AIDS gerelateerde morbiditeit en mortaliteit onder HIV positieve mensen. HIV/HCV geco-infecteerde personen hebben de neiging om een snellere progressie van de leverziekte te ervaren, en ze reageren niet zo goed op een therapie die gebaseerd is op Interferon als individuen met HCV alleen.

    In de editie van mei 2011 van het Journal of Viral Hepatitis, rapporteerde C. Vellozzi, samen met zijn collega’s van de Centers for Disease Control and Prevention (CDC), de resultaten van een onderzoek naar de frequentie en de voorspellers van de initiatie van een hepatitis C behandeling bij geco-infecteerde deelnemers, die ingeschreven werden in de ‘HIV Outpatient Study’ (HOP) (HIV poliklinisch onderzoek) tussen 1999 en 2007. De deelnemers werden gedurende gemiddeld 4 jaar gevolgd.

    Resultaten.

    “Tussen 1999 en 2007 begon een steeds groter deel van de patiënten met hun behandeling binnen het eerste jaar nadat de besmetting bevestigd werd, ondanks het stabiele lage deel van de patiënten die geco-infecteerd waren met HCV/HIV bij de aanvang van de behandeling van de HCV infectieâ€, concludeerden de auteurs van de studie.

    “De behandeling van een HCV infectie bij patiënten die geco-infecteerd zijn met HCV/HIV moet als een prioriteit beschouwd worden, gezien het verhoogde risico van een versneld eindstadium van de leverziekte”.

    > Overzicht

    VOORSPELT IL28B RESULTATEN VOOR HIV/HCV GECO-INFECTEERDE PERSONEN?

    Originele titel: Does IL28B Predict Outcomes for HIV/HCV Coinfected People?
    Bron: www.hivandhepatitis.com, 3 juni 2011

    HIV/HCV geco-infecteerde mensen met het gunstige IL28B CC genotype reageren beter op een behandeling voor chronische hepatitis C die gebaseerd is op Interferon, maar ze zouden wel meer levercirrose kunnen ontwikkelen indien ze onbehandeld blijven.

    Een groeiende hoeveelheid research heeft de associatie onderzocht tussen variaties in het IL28B gen en de behandelingsresultaten van patiënten met een mono-infectie van het hepatitis C virus (HCV), inclusief hun reactie op een behandeling met Interferon en hun progressie van leverziekten. Deze links werden nog niet zo uitgebreid bestudeerd bij HIV/HCV geco-infecteerde patiënten.

    In 2009 hebben onderzoekers voor het eerst gemeld dat variaties in het menselijk genoom, in de buurt van het IL28B gen, kunnen helpen bij het voorspellen van een spontane HCV klaring en van de respons op een Interferon therapie. Het IL28B gen codeert ‘Interleukine 28’ of ‘Interferon-lambda’. Deze Interferon, die geproduceerd wordt door het lichaam, is de sleutel tot de immuunrespons tegen HCV; ingespoten Interferon versterkt deze natuurlijke reactie.

    ‘Single nucleotide polymorfismen’ of SNPs zijn substituties van één enkele nucleotide bouwsteen op een bepaalde plaats in het genoom. Elke persoon draagt twee kopieën van elk gen, één van elke ouder. Een bepaalde SNP, die bekend is als ‘rs12979860’ en die zich ‘stroomopwaarts’ van het IL28B gen bevindt, heeft twee varianten of allelen: C en T. Zo kan men drie patronen hebben: CC, TT of CT.

    Hepatitis C patiënten met het CC-patroon hebben meer kans op een spontane klaring van HCV en op betere behandelingsresultaten. Mensen met het TT-patroon hebben de minst gunstige respons, terwijl personen met het gemengde CT-patroon in een tussenpositie liggen.

    Behandelingsrespons.

    Een paar studies van overlappende Spaanse onderzoeksteams, die gerapporteerd werden in de editie van 15 mei 2011 van het tijdschrift AIDS, onderzochten de relatie tussen de IL28B patronen en de behandelingsresultaten bij HIV/HCV geco-infecteerde personen.

    Eerste studie:

    In de eerste studie keek Norma Rallon, samen met haar collega’s van het Hospital Carlos III in Madrid, naar de invloed van het ‘rs12979860 SNP’ op de vroege virale kinetiek tijdens een op Interferon gebaseerde therapie.

    De analyse omvatte 196 HIV/HCV geco-infecteerde patiënten, die een behandelingskuur tegen hepatitis C gevolgd hadden met gepegyleerde Interferon plus Ribavirine. Deze personen werden geëvalueerd voor hun aanhoudende virologische respons (SVR), die meestal 24 weken na de voltooiing van de therapie bereikt wordt. Meer dan de helft (57%) was geïnfecteerd met het moeilijk te behandelen HCV genotype 1, 30% had genotype 3, 12% had genotype 4, en slechts 1% had genotype 2.

    De onderzoekers keken naar de reductie van de virale lading op verschillende tijdstippen, waaronder een snelle virologische respons (RVR) in week 4, een vroege virologische respons (EVR) in week 12, en een eindbehandelingsrespons (EOT), meestal na 24 weken voor mensen met HCV genotype 2 of 3, en 48 weken voor mensen met genotype 1 of 4 (maar veel experts raden steeds 48 weken aan, ongeacht het genotype van de HIV/HCV geco-infecteerden).

    Resultaten:

    Tweede studie:

    In de tweede studie keek Pablo Labarga, eveneens van het Hospital Carlos III, naar het verband tussen de IL28B patronen en de reacties op de behandeling bij 62 HIV/HCV geco-infecteerde patiënten, die geen aanhoudende respons bereikten met een eerdere suboptimale therapie (bv. conventionele Interferon of onvoldoende doses Ribavirine), en die een herbehandeling ondergingen met gepegyleerde Interferon plus aan het gewicht aangepaste Ribavirine.

    De meeste studiedeelnemers waren mannelijke injecterende drugsgebruikers. Ze volgden bijna allemaal een anti-retrovirale therapie (ART), met een ondetecteerbare HIV virale lading, en de gemiddelde CD4-telling was ongeveer 650 cellen/mm3. Ongeveer 75% had HCV genotype 1 of 4, en meer dan de helft had gevorderde leverfibrose.

    Resultaten:

    Progressie van fibrose.

    Ten slotte keken Pablo Barreiro en zijn collega’s naar het verband tussen de IL28B patronen en de progressie van leverfibrose, zoals beschreven in de editie van 1 juni 2011 van het Journal of Infectious Diseases. Omdat HIV/HCV geco-infecteerde mensen de neiging hebben om een versnelde progressie van fibrose te ervaren, veronderstelden ze dat elke invloed van IL28B op het risico van de ontwikkeling van cirrose gemakkelijker herkend zou worden bij deze populatie.

    Deze retrospectieve analyse omvatte 304 geco-infecteerde patiënten, die opgenomen waren in twee Spaanse klinieken, en die een kortstondige elastografie (FibroScan) ondergingen, voorafgaand aan hun behandeling met gepegyleerde Interferon plus Ribavirine. Nogmaals waren de meeste deelnemers mannen, en 85% kreeg een ART. Bijna de helft (46%) had het gunstige IL28B CC patroon.

    > Overzicht

    KORTERE BEHANDELING EFFECTIEF VOOR HIV+ MANNEN MET ACUTE HCV.

    Originele titel: Shorter Treatment Effective for HIV+ Men with Acute HCV
    Bron: www.hivandhepatitis.com, 18 juni 2011

    Acute hepatitis C behandelingen met gepegyleerde Interferon plus Ribavirine waren zeer effectief voor HIV positieve homoseksuele en biseksuele mannen, zelfs bij een kortere therapieduur van 24 weken.

    Vanaf ongeveer 2000 begonnen clinici in grote Europese steden uitbraken te melden van het blijkbaar seksueel overdraagbare acute hepatitis C virus (HCV) onder HIV positieve mannen die seks hebben met mannen (MSM). Soortgelijke gevallen werden sindsdien ook waargenomen in Australië en de VS.

    Studies van enkel met HCV geïnfecteerde mensen hebben aangetoond dat een behandeling tijdens de acute fase van deze infectie zeer effectief is, wat resulteert in hogere rata van aanhoudende virologische respons (SVR) dan tijdens latere behandelingen van deze chronische infectie.

    Een acute HCV infectie is echter vaak a-symptomatisch, en wordt meestal niet gedetecteerd tijdens deze vroege periode bij HIV negatieve individuen. Maar HIV positieve mensen, die een anti-retrovirale therapie (ART) volgen, ondergaan meestal regelmatige leverfunctiemetingen. Die kunnen leverenzymeverhogingen onthullen, die indicatief zijn voor een nieuwe HCV infectie.

    Zoals beschreven in het nummer van19 juni 2011 van het tijdschrift AIDS, evalueerden Femke Lambers en haar collega-onderzoekers, van de Nederlandse studiegroep MOSAIC (MSM Observationele Studie van Acute Infecties met Hepatitis C), de doeltreffendheid van een behandeling, en het effect van de therapieduur, bij HIV positieve mannen met acute hepatitis C.

    Voor mensen die alleen geïnfecteerd zijn met HCV, is de standaardduur van een therapie voor chronische hepatitis C:

    24 weken wordt meestal als voldoende beschouwd voor een acute infectie, ongeacht het genotype. Voor HIV positieve mensen raden veel experts echter de langere behandelingsduur van 48 weken aan, voor alle genotypes, zowel bij een acute als bij een chronische infectie.

    De huidige beschreven analyse omvatte 50 HIV positieve MSM, in 2 ziekenhuizen in Amsterdam.

    Alle patiënten hadden een acute HCV infectie, gedefinieerd als een periode van minder dan 2 jaar tussen de laatste negatieve test voor HCV antilichamen, of voor RNA, en de eerste positieve test, en van minder dan 2 jaar tussen de geschatte tijd van de infectie (middelpunt tussen de laatste negatieve en de eerste positieve test) en het begin van de behandeling.

    Twee bijkomende mannen voldeden aan de opnamecriteria, maar ze bereikten een spontane klaring van hun HCV en ze werden uitgesloten van verdere analyses.

    De gemiddelde leeftijd van de deelnemers was 42 jaar. De meeste patiënten (68%) hadden HCV genotype 1, 26% had genotype 4, en slechts 6% had genotypes 2 of 3. Ongeveer twee derde volgde een anti-retrovirale therapie voor HIV, en het gemiddelde aantal CD4 cellen was hoog (ongeveer een derde met < 380, een derde met 550 tot 380, en een derde met > 550 cellen/mm3). Alle deelnemers werden behandeld met 180 mcg/week gepegyleerde Interferon alfa-2a (Pegasys) plus dagelijks aan het gewicht aangepaste Ribavirine.

    In één ziekenhuis zouden 21 patiënten (42%) behandeld worden gedurende 24 weken, terwijl de 29 patiënten (58%) in het andere ziekenhuis behandeld zouden worden gedurende 48 weken. In werkelijkheid werd niet iedereen behandeld gedurende de geplande periode: de groep met de kortere duur varieerde van 22 tot 36 weken (mediaan = 24 weken) en de groep met de langere duur varieerde van 47 tot 58 weken (mediaan = 48 weken).

    Resultaten.

    “Het hoge SVR percentage van 76% in deze studie bevestigt dat de behandeling van een HCV infectie succesvol kan zijn bij patiënten die ook met HIV geïnfecteerd zijn, als de therapie begint in de acute fase. Dit zou clinici moeten aanmoedigen om ook deze ingewikkelde patiëntengroep te behandelen”, concludeerden de auteurs van de studie.

    “Hoewel het aangepaste verschil tussen het bereiken van SVR na 48 weken van de behandeling 2.2 maal hoger lag in vergelijking met 24 weken, was dit verschil niet statistisch significant. Dit suggereert dat een behandeling van 24 weken voldoende zou kunnen zijn. Dit resultaat versterkt ook het bewijs voor de aanbevelingen in de huidige behandelingsrichtlijnen voor acute HCV infecties bij patiënten met een co-infectie van HIV. Het kortere regime zou een groot voordeel kunnen zijn voor deze patiënten, aangezien zowel Peginterferon als Ribavirine ernstige bijwerkingen kunnen veroorzaken”.

    Sinds de uitvoering van deze studie, heeft de komst van direct werkende antivirale middelen, gebruikt in combinatie met gepegyleerde Interferon/Ribavirine, de respons op de behandeling doen stijgen bij mensen met chronische hepatitis C. Deze nieuwe medicijnen werden echter nog niet uitvoerig bestudeerd voor een acute infectie, maar ze zouden mogelijk kunnen leiden tot een hogere respons dan met de huidige standaardtherapie alleen.

    > Overzicht

    LEVERFIBROSE VERMINDEREN BIJ EEN CO-INFECTIE VAN HIV EN HEP C.

    Originele titel: Liver Fibrosis Reduced with HIV-Hep C Co-infection
    Bron: www.hepatitis-central.com, 22 juli 2011

    In een Italiaanse studie, bij mensen met een co-infectie van HIV en hepatitis C, heeft het innemen van Maraviroc geholpen om de leverstijfheid te verminderen.

    ‘Maraviroc’ verbetert leverfibrose bij patiënten die geco-infecteerd zijn met HIV/Hepatitis C.

    Een behandeling met Maraviroc wordt geassocieerd met de regressie van leverfibrose, bij HIV positieve patiënten met een co-infectie van hepatitis C. Dit werd aangetoond door een kleine, gerandomiseerde studie, die voorgesteld werd tijdens de zesde conferentie van de International AIDS Society (IAS) in Rome (juli 2011).

    Onderzoekers van de Universiteit van Brescia in Italië geloven dat de positieve impact van Maraviroc (Celsentri) te wijten was aan de remming van CCR5.

    Geen enkele patiënt volgde een hepatitis C therapie, en de onderzoekers geloofden dat een behandeling met Maraviroc een belangrijke optie zou kunnen bieden voor patiënten die niet reageerden op hepatitis C behandelingen, of die niet in aanmerking kwamen voor dergelijke therapieën.

    Een totaal van 59 geco-infecteerde patiënten werd opgenomen in de open-label, proof-of-concept studie.

    Alle patiënten volgden een stabiele anti-retrovirale therapie, bestaande uit Ritonavir-versterkte Atazanavir, in combinatie met FTC/Tenofovir. Ze hadden allemaal een niet detecteerbare virale lading van HIV.

    De deelnemers werden gerandomiseerd gekozen voor een behandelingsarm of een controle-arm.

    De patiënten in de behandelingsarm voegden Maraviroc toe aan hun HIV-therapie, terwijl de personen in de controle-arm hun bestaande medicijnencombinatie bleven nemen.

    De onderzoekers wilden vaststellen of de therapie met Maraviroc tot de verbetering van de fasen van leverfibrose zou leiden. Dit werd beoordeeld door de leverstijfheid te meten met een FibroScan, die uitgevoerd werd bij de uitgangssituatie en in week 24.

    Er waren geen significante verschillen bij de uitgangssituatie tussen de twee takken van de studie:

    Na 24 weken van de therapie, bleven de parameters onveranderd, zowel van HIV als van hepatitis C.

    Het stadium van de leverstijfheid bleef ongewijzigd bij 75% van de patiënten in de behandelingsarm, en bij twee derde van de patiënten in de controle-arm.

    Een analyse van de patiënten die een verandering in de status van hun leverstijfheid ervaarden, toonde grote verschillen tussen de twee studie-armen:

    De analyse van de onderzoekers toonde aan dat een behandeling met Maraviroc geassocieerd werd met een aanzienlijke verbetering van de leverstijfheid, in vergelijking met de controle-arm (p = 0,03).

    Een beperking van de analyse, tot de patiënten met indicatieve leverstijfheid of cirrose, toonde een aanzienlijke verbetering voor de patiënten die Maraviroc kregen, maar een verslechtering voor de patiënten in de controle-arm (beide p < 0,01).

    Het aantal patiënten met fibrose van fase 1 in de arm die Maraviroc nam, verhoogde van 35% tot 44%, een weerspiegeling van de vermindering van het aantal personen met fibrose van fase 4.

    De onderzoekers geloven dat hun bevindingen een belangrijke nieuwe behandelingsoptie kunnen openstellen voor vele geco-infecteerde patiënten.

    “Patiënten die Maraviroc toevoegen aan hun huidige therapie voor HIV, lijken een daling van hun leverstijfheid aan te tonen na 24 weken, vooral wanneer ze een hoge leverstijfheid tonen bij hun uitgangssituatie”, zei Dr. Paola Nasta.

    > Overzicht

    BEHANDELING VAN HIV/HBV CO-INFECTIE IN AFRIKA.

    Originele titel: Treating HIV/HBV Coinfection in Africa
    Bron: www.hivandhepatitis.com, 9 juli 2011

    Anti-retrovirale therapieregimes met Lamivudine boden geen opmerkelijk voordeel of verminderden het sterftecijfer niet bij patiënten met een HIV/HBV co-infectie in Zuid-Afrika, wat suggereert dat Tenofovir een betere optie kan zijn.

    Het hepatitis B virus (HBV) is endemisch in vele delen van de wereld, en een co-infectie met HIV/HBV komt er veel voor. Sommige nucleoside/nucleotide analoge medicijnen zijn actief tegen zowel HBV als HIV, en patiënten met een co-infectie krijgen het advies om deze geneesmiddelen op te nemen in hun anti-retrovirale therapieregime (ART) – maar sommige kunnen gunstiger zijn dan andere.

    Gail Matthews en zijn collega-onderzoekers van het PHIDISA II studieteam, bekeken de hepatitis B en HIV ziekteresultaten van patiënten met een co-infectie van HIV/HBV, volgens het feit of ze al dan niet anti-retrovirale middelen gebruikten die dubbelactief waren tegen HBV.

    Zoals beschreven in de online-editie van 29 juni 2011 van het tijdschrift AIDS, was PHIDISA II een gerandomiseerde studie over de anti-retrovirale behandeling van HIV positieve militairen en hun gezinnen in Zuid-Afrika.

    De deelnemers werden aangewezen voor het krijgen van 2 paar nucleoside/nucleotide transcriptase-omkerende remmers (NRTI), in een 2 x 2 factoriaal ontwerp:

    Van deze agenten is alleen Lamivudine actief tegen HBV.

    Deze dubbele NRTI ruggengraten bevatten medicijnen die in de VS en in Europa niet langer aanbevolen worden vanwege hun toxiciteit, maar wegens hun betaalbaarheid worden ze nog steeds gebruikt in landen met beperkte middelen.

    Van de nieuwere NRTI’s die op grote schaal gebruikt worden in de rijkere landen, is Tenofovir actief tegen HBV (ook in de co-formulaties Truvada en Atripla), maar Abacavir is niet actief tegen deze virusinfectie (ook niet in Trizivir en Epzicom).

    De onderzoekers vergeleken de resultaten van mensen die een ‘HBV actieve’ anti-retrovirale therapie kregen met die van personen die een ‘niet HBV actieve’ anti-retrovirale therapie volgden. Ze keken naar het immunologisch herstel, naar de HIV-RNA onderdrukking, naar de HBV-DNA onderdrukking, naar de hepatische fakkels (pieken in de niveaus van de leverenzymen) en naar de mortaliteit.

    Resultaten.

    De auteurs van de studie schreven: “Het gebruik van ART met Lamivudine bij de HIV/HBV deelnemers in PHIDISA II, resulteerde in weinig extra voordeel tegenover ART alleen op zich, en was niet van invloed op de hogere mortaliteit in deze groep”.

    Ze voegden er aan toe: “Deze gegevens bieden een sterke ondersteuning voor de recente richtlijnen die het gebruik van Tenofovir bepleiten voor alle HIV/HBV geco-infecteerde individuen die met ART willen beginnenâ€.

    “Over het algemeen was er een slechte werkzaamheid van Lamivudine op markers van HBV bij deze HIV/HBV geco-infecteerde populatieâ€, werkten ze uit in hun discussie.

    “De faling van het adequaat onderdrukken van HBV-DNA kon niet verklaard worden door niet-naleving, wijzigingen in de medicatie of het vóórkomen van een virale terugval bij eerder onderdrukte personen, en kan alleen toegeschreven worden aan de ontoereikendheid van Lamivudine voor de controle van HBV bij deze populatieâ€.

    “De verhoogde mortaliteit bij de patiënten met een co-infectie van HIV/HBV binnen deze studie belicht de ineffectiviteit van deze strategie en de dringende eis van een beter beheer van HBVâ€, besloten ze.

    > Overzicht

    HEPATITIS A VACCINRESPONS IS DUURZAAM BIJ MENSEN MET HIV.

    Originele titel: Hepatitis A Vaccine Response Durable in People with HIV
    Bron: www.hivandhepatitis.com, 9 juli 2011

    Mensen met een goed gecontroleerde HIV infectie reageren goed op een vaccinatie tegen hepatitis A: 89% bereikt een initiële respons en 85% is na 6 tot 10 jaar nog steeds beschermd.

    Het hepatitis A virus (HAV) kan agressievere leverziekten veroorzaken bij mensen met HIV, en deskundigen adviseren dat personen die gediagnosticeerd zijn als HIV positief, ingeënt moeten worden tegen hepatitis A en B (op dit moment is er nog geen effectief vaccin tegen hepatitis C).

    Zoals beschreven in het nummer van juni 2011 van het Journal of Infectious Diseases, keken Nancy Crum-Cianflone en haar collega-onderzoekers, van de Infectious Disease Clinical Research Program HIV Working Group, naar de duurzaamheid van de HAV vaccinbescherming bij een HIV positieve populatie.

    Deze retrospectieve analyse omvatte 130 HIV positieve volwassenen in de ‘U.S. Military HIV Natural History Study’.

    De meeste deelnemers waren mannelijk en de gemiddelde leeftijd was 35 jaar.

    Het mediane aantal CD4-cellen was vrij hoog: 461 cellen/mm3 (in de buurt van de drempel voor het starten van een anti-retrovirale behandeling, volgens de huidige Amerikaanse richtlijnen).

    Ongeveer de helft van de patiënten had een virale lading van HIV-RNA < 1000 exemplaren/mL.

    62% van de deelnemers volgde een anti-retrovirale therapie (ART).

    Alle deelnemers kregen de 2 standaarddoses van het HAV vaccin.

    De onderzoekers analyseerden bloedmonsters die 1 jaar, 3 jaar, en, indien beschikbaar, 6 tot 10 jaar na de vaccinatie verzameld werden.

    Niveaus van het HAV-immunoglobuline-G (IgG) antilichaam van 10 mIU/mL of meer werden als beschermend beschouwd.

    Resultaten.

    Op basis van deze bevindingen, concludeerden de onderzoekers:

    “De meeste volwassenen met goed gecontroleerde HIV infecties hadden duurzame seropositieve reacties tot maximaal 6 tot 10 jaar na hun HAV vaccinatie”.

    “Het onderdrukt houden van de HIV-RNA niveaus bij personen die geïnfecteerd zijn met HIV, kan een belangrijke strategie worden voor de instandhouding van duurzame antilichaamniveaus van vaccins om infecties te voorkomen, zoals het hepatitis A virus”, suggereerden ze.

    > Overzicht

    HCV KAN SEKSUEEL OVERGEDRAGEN WORDEN TUSSEN HIV+ MANNEN.

    Originele titel: HCV Can Be Sexually Transmitted Between HIV+ Men
    Bron: www.hivandhepatitis.com, 29 juli 2011

    Het hepatitis C-virus (HCV) wordt overgedragen door seks tussen HIV-positieve homo/biseksuele mannen, en deze seksuele transmissie is verantwoordelijk voor verschillende lokale epidemieën, waaronder één in New York City, volgens studiebevindingen die onlangs gepubliceerd werden in het ‘Morbidity and Mortality Weekly Report’ (wekelijks verslag over morbiditeit en mortaliteit).

    De meeste studies hebben aangetoond dat de seksuele transmissie van HCV ongewoon is tussen stabiele heteroseksuele partners, waardoor volksgezondheidsautoriteiten seks beschouwen als een transmissieroute met een laag risico.

    Maar dit geldt niet voor alle bevolkingsgroepen. Vanaf het jaar 2000 begonnen onderzoekers in het Verenigd Koninkrijk clusters te rapporteren van blijkbaar seksueel overgedragen acute HCV-infecties onder stedelijke HIV-positieve mannen die seks hebben met mannen (MSM).

    In de loop van de voorbije tien jaar werden vergelijkbare lokale epidemieën gemeld in verschillende grote steden in Europa, Australië en de VS. Hierbij waren een aantal risicofactoren betrokken – die niet consistent waren doorheen de studies – waaronder: onbeschermde anale geslachtsgemeenschap, ‘fisting’, gebruik van seksspeelgoed, groepsseks, andere seksueel overdraagbare aandoeningen en niet-injecterend recreatief druggebruik.

    Een HCV-transmissie is waarschijnlijk te wijten aan de blootstelling aan HCV in bloed, maar niet in sperma. De meeste mannen in deze clusters rapporteerden ook geen geschiedenis van injecterend druggebruik.

    De weinige studies die gekeken hebben naar HCV-infecties onder HIV-negatieve MSM, hebben transmissierata gevonden zoals bij HIV-negatieve heteroseksuelen. Dit suggereert dat een HIV-infectie zelf een belangrijke rol speelt bij het vergemakkelijken van een HCV-infectie, hoewel het niet duidelijk is waarom, omdat het risico zich uitstrekt tot mensen met hoge CD4-celtellingen, die nog geen blijvende, ernstige schade van het immuunsysteem geleden hebben.

    Daniel Fierer, en zijn collega’s van de ‘Mount Sinai School of Medicine’, hebben gedurende meerdere jaren een cluster van acute HCV-infecties gevolgd, onder HIV-positieve homo/biseksuele mannen in New York City. Ze hebben hun verslagen reeds voorgesteld op talrijke conferenties over de risicofactoren voor het oplopen van HCV en over de ongewoon snelle leverziekteprogressie bij deze populatie. Hun gegevens werden nu gepubliceerd in het ‘Morbidity and Mortality Weekly Report’ van 21 juli 2011.

    Resultaten.

    “Mannen die seks hebben met mannen, en tot op zekere hoogte ook hun zorgverstrekkers, zijn zich over het algemeen niet bewust van het feit dat onbeschermde receptieve seks kan resulteren in een HCV-infectieâ€, zei Fierer.

    “Het goede nieuws is dat het genezingspercentage voor nieuwe HCV-infecties zeer hoog ligt met een vroegtijdige behandeling, maar zonder regelmatige testen voor de risicomannen zouden deze grotendeels a-symptomatische infecties gemist kunnen worden en zou deze kans verloren kunnen gaan”.

    Zoals Fierer opmerkt, is een acute HCV-infectie vaak a-symptomatisch, of kan ze alleen niet-specifieke symptomen veroorzaken, zoals koorts, vermoeidheid en malaise, die verward kunnen worden met griepsymptomen. Recente HCV-infecties onder HIV-positieve mannen werden vooral geïdentificeerd omdat mensen die een anti-retrovirale therapie volgen regelmatig leverfunctietesten moeten ondergaan, ter controle van medicijngerelateerde levertoxiciteit. Verhoogde niveaus van de leverenzymen ‘ALT’ en ‘AST’ kunnen wijzen op potentiële leverproblemen, waardoor clinici testen voor hepatitis B en C laten uitvoeren.

    Maar gezonde mensen ondergaan meestal geen regelmatige leverenzymentesten. Na verloop van tijd kan een HCV-infectie ernstige leverschade veroorzaken, met inbegrip van cirrose en hepato-cellulair carcinoom. Een groot aantal mensen met hepatitis C wordt niet gediagnosticeerd totdat ze evolueren naar symptomatische leverziekten, jaren of decennia na hun eerste infectie. De onderzoekers van het ‘Mount Sinai’, en ook anderen, hebben gevonden dat deze progressie sneller gebeurt bij HIV-positieve mensen.

    “Onze studie suggereert dat MSM, die geïnfecteerd zijn met HIV, stappen zouden moeten zetten om zichzelf en anderen te beschermen met behulp van condooms”, beveelt Fierer aan.

    “De zorgverleners moeten deze mannen ook screenen voor hepatitis C, en programma’s voor openbaar onderricht en voor straathoekwerk moeten ook informatie bevatten over deze risico’sâ€.

    Een redactionele notitie waarschuwt vooral voor het feit dat HIV-positieve mannen, die besluiten om onbeschermde seks te hebben met positieve partners (‘serosorting’), nog steeds HCV en andere seksueel overdraagbare infecties kunnen overbrengen.

    Uit soortgelijke onderzoeken is gebleken dat andere seksuele activiteiten naast anale geslachtsgemeenschap nauwer verwant zijn met acute HCV bij deze populatie. Dit suggereert dat andere, veiligere seksmaatregelen – zoals het dragen van handschoenen voor ‘fisting’ en het grondig schoonmaken van seksspeelgoed – ook beschermend kunnen zijn.

    > Overzicht

    ONTSTEKINGSMARKERS GEKOPPELD AAN LEVERZIEKTEN EN OVERLIJDEN MET HIV/HBV EN HIV/HCV CO-INFECTIE.

    Originele titel: Inflammation Markers Linked to Liver Disease, Death in HIV/HBV and HIV/HCV Coinfection
    Bron: www.hivandhepatitis.com, 6 augustus 2011

    Verschillende bloed-biomarkers, gekoppeld aan immuun-activatie en ontsteking, voorspelden leverfakkels, de progressie van fibrose en overlijdens bij HIV-positieve mensen met een co-infectie van hepatitis B of C, volgens 2 studies die vorige maand in Rome voorgesteld werden op de 6de Conferentie van de ‘International AIDS Society’ over de pathogenese, de behandeling en de preventie van HIV (IAS 2011).

    Men schat dat ongeveer één derde van de mensen met HIV ook het hepatitis B-virus (HBV) of het hepatitis C-virus (HCV) hebben. Verschillende studies hebben aangetoond dat personen met een co-infectie van HIV/HBV of HIV/HCV een snellere progressie van leverziekten ervaren, hogere sterftecijfers hebben en minder goed inspelen op therapieën die gebaseerd zijn op Interferon, vergeleken met mensen die alleen aan virale hepatitis lijden. Maar de redenen hiervoor worden nog niet volledig begrepen.

    Leverfakkels.

    Irini Sereti, van de Amerikaanse ‘National Institutes of Health’, en een internationaal team van collega’s, voerden een retrospectieve studie uit van de verschillende biomarkers in de bloedmonsters van de deelnemers aan een grote klinische proef, uitgevoerd door het CPCRA (communautair programma voor klinisch onderzoek over AIDS). Ze analyseerden hun correlatie met leverfakkels, 4 maand na het begin van een anti-retrovirale therapie (ART), en met overlijden, 4 jaar na de start van de behandeling.

    “Leverfakkels, of plotselinge verhogingen van de leverenzymen, komen vaak voor bij geco-infecteerde mensen die beginnen met ARTâ€, merkten de onderzoekers op als achtergrond. “Meer te weten komen over de voorspellers van leverfakkels en van overlijden, kan het toezicht leiden en kan pathogene mechanismen verhelderenâ€, voegden ze eraan toe.

    De analyse omvatte 333 deelnemers (uit een studiepopulatie van 1.397), die met ART begonnen in de eerste CPCRA-studie:

    De meeste deelnemers (ongeveer 80%) waren mannen, ongeveer 60% was zwart, de gemiddelde leeftijd was 41 jaar, en de helft had een voorgeschiedenis van injecterend druggebruik.

    De mediane CD4 T-celtelling was vrij laag (150 cellen/mmᵌ), en 43% had ook een diagnose van AIDS.

    Een leverfakkel werd gedefinieerd als een niveau van alanine-aminotransferase (ALT) > 100 IU/ml in maand 1 of 4, en een ALT-verhoging van > 50 IU/ml vergeleken met het pre-ART niveau.

    De volgende biomarkers werden gemeten:

    Resultaten:

    De onderzoekers concludeerden dat leverfakkels vaak voorkomen onder geco-infecteerde personen, “meestal gedreven door HBV”.

    Een hoge virale lading van HBV en verhoogd IL-10 en IL-13 werden geassocieerd met fakkels, die volgens Sereti waarschijnlijk te wijten waren aan immuun-herstel.

    “Biomarkers van ontsteking, fibrose en pre-ART coagulatie zijn gekoppeld aan de mortaliteit in deze patiëntenpopulatie”, vervolgde ze, en ze voegde eraan toe dat het meten van deze markers, voordat de behandeling begint, zou kunnen helpen bepalen welke patiënten zouden kunnen profiteren van een meer intensieve monitoring.

    Microbiële translocatie.

    In de tweede studie, keken onderzoekers van de ‘Women’s Interagency HIV Study’ (WIHS) hoe ‘microbiële darm-translocatie’ (lekkage van bacteriën, toe te schrijven aan HIV-gerelateerde schade aan de darmwand), en de inflammatoire gevolgen ervan, bijdragen aan de progressie van leverziekten.

    De analyse omvatte 44 vrouwen met een co-infectie van HIV/HCV.

    De gemiddelde leeftijd was ongeveer 40 jaar en de mediane CD4-telling was relatief hoog, iets meer dan 400 cellen/mmᵌ.

    Geen progressie van leverziekten werd gedefinieerd als geen verandering in de leverbiopsie of de fibrosemarkers tussen 2 tijdspunten, die gemiddeld 5 jaar uit elkaar lagen.

    21 personen hadden progressie en 23 vrouwen hadden geen progressie.

    De onderzoekers hebben de biomarkers gemeten voor microbiële translocatie, waaronder bacteriële lipopolysacchariden (LPS) (grote moleculen in het buitenmembraan van bacteriën) en endotoxinen (celwandbestanddelen van bacteriën), evenals de macrofaag activering (grote witte bloedcel die relatief grote deeltjes kan ‘opeten’) en de pro- en anti-inflammatoire cytokines (proteïnen die een rol spelen in de immuun-afweer).

    Resultaten:

    Op basis van deze bevindingen, concludeerden de onderzoekers: “Markers van macrofaag activering en ontsteking lagen hoger bij vrouwen met een HIV/HCV co-infectie tijdens de perioden waarin de progressie van de leverziekte voorkwam, maar LPS verschilde echter niet tussen personen met progressie en mensen zonder progressie”.

    Alles bij elkaar genomen, ondersteunen deze bevindingen ander recent onderzoek, dat aangeeft dat verschillende niet-AIDS condities, die vaker gezien worden bij mensen met HIV, gerelateerd zijn aan persistente immuun-activatie en ontsteking, zelfs wanneer de virale lading van HIV onderdrukt wordt door ART.
    > Overzicht

    MARAVIROC VERBETERT LEVERFIBROSE BIJ GECO-INFECTEERDE HIV/HCV-PATIËNTEN.

    Originele titel: Maraviroc Improves Liver Fibrosis in HIV/HCV Coinfected Patients
    Bron: www.hivandhepatitis.com, 10 augustus 2011

    Een behandeling met Maraviroc wordt geassocieerd met de regressie van leverfibrose bij HIV-positieve patiënten met een co-infectie van hepatitis C, toonde een kleine gerandomiseerde studie aan, die voorgesteld werd tijdens de zesde Conferentie van de ‘International AIDS Society’ in Rome (IAS 2011).

    Onderzoekers van de Universiteit van Brescia in Italië zijn van mening dat de positieve gevolgen van Maraviroc te wijten zijn aan de remming van CCR5.

    Geen enkele patiënt in hun studie volgde een hepatitis C-therapie, en de onderzoekers geloven dat een behandeling met Maraviroc een belangrijke optie zou kunnen bieden voor patiënten die niet reageren op een hepatitis C-behandeling of die er niet voor in aanmerking komen.

    Hun open-label, ‘proof-of-concept’ studie omvatte in totaal 59 geco-infecteerde patiënten.

    Alle patiënten volgden een stabiele anti-retrovirale therapie, bestaande uit Atazanavir, versterkt met Ritonavir, in combinatie met Tenofovir. Alle deelnemers hadden een niet-detecteerbare virale lading van HIV.

    De patiënten werden gerandomiseerd toegewezen aan een behandelingsarm of een controle-arm:

    De onderzoekers wilden nagaan of de therapie met Maraviroc tot de verbetering van de fasen van leverfibrose zou leiden. Dit werd beoordeeld door het meten van de leverstijfheid met een FibroScan, bij de uitgangssituatie en in week 24.

    Er waren geen significante verschillen bij het uitgangspunt tussen de twee takken van de studie. De patiënten hadden een gemiddelde leeftijd van 46 jaar, 88% was mannelijk en hun gemiddelde aantal CD4-cellen was 500 cellen/mmᵌ.

    Bijna alle personen (93%) waren besmet met hepatitis C van de moeilijker te behandelen genotypen 1 en 4. Bij het begin van de studie was de virale lading van hepatitis C 5.4 log10 kopieën/ml, en ook de leverfunctie was vergelijkbaar tussen de twee takken, net zoals de leverstijfheid bij de uitgangssituatie.

    Na 24 therapieweken, bleven zowel de HIV-parameters als de hepatitis C-parameters onveranderd. Het stadium van leverstijfheid bleef ongewijzigd bij 75% van de patiënten in de behandelingsarm en bij twee derde van de patiënten in de controle-arm.

    Een analyse van de patiënten die een verandering ervaarden in de status van hun leverstijfheid, toonde grote verschillen tussen de twee studie-armen: de patiënten die behandeld werden met Maraviroc hadden aanzienlijk meer kans op een verbetering van de leverstijfheid dan de patiënten in de controle-arm.

    Het aantal patiënten in de controle-arm met fibrose van fase 1, of milde fibrose, daalde van 57% bij de uitgangssituatie tot 47% in week 24, en het aantal patiënten met fibrose van fase 4, of cirrose, verdubbelde van 14% tot 28%.

    De analyse van de onderzoekers toonde aan dat de behandeling met Maraviroc geassocieerd werd met een aanzienlijke verbetering van de leverstijfheid, in vergelijking met de controle-arm (p=0,03).

    Een beperkte analyse, alleen van de patiënten met leverstijfheid die indicatief was voor cirrose, toonde een aanzienlijke verbetering voor de patiënten die Maraviroc namen, maar een verslechtering voor de patiënten in de controle-arm (beide p<0,01).

    Het aantal patiënten met fibrose van fase 1 in de arm van Maraviroc, verhoogde van 35% tot 44%, als een weerspiegeling van een vermindering van het aantal personen met fibrose van fase 4.

    De onderzoekers geloven dat hun bevindingen een belangrijke nieuwe behandelingsoptie kunnen openstellen voor vele geco-infecteerde patiënten.

    “Patiënten die Maraviroc aan de huidige HIV-therapie toevoegen, schijnen een daling van de leverstijfheid te ervaren na 24 weken, in het bijzonder wanneer de leverstijfheid hoger was bij de uitgangssituatie”, zei Dr. Paola Nasta.
    > Overzicht

    BEHANDELING VAN HIV/HCV GECO-INFECTEERDEN MET GECOMPENSEERDE LEVERCIRROSE.

    Originele titel: Treatment of HIV/HCV Coinfected People with Compensated Liver Cirrhosis
    Bron: www.hivandhepatitis.com, 12 augustus 2011

    HIV-positieve mensen met gecompenseerde levercirrose die gerelateerd is aan het chronische hepatitis C-virus (HCV), reageerden even goed op een behandeling met gepegyleerde Interferon en Ribavirine als geco-infecteerde patiënten zonder cirrose, maar ze moeten onder nauwer toezicht staan en ze hebben wellicht een meer intensief beheer van de bijwerkingen nodig.

    Zoals beschreven in de editie van augustus 2011 van het ‘

    Journal of Viral Hepatitis’, voerden Luz Martin-Carbonero en zijn collega’s een retrospectieve analyse uit van patiënten met een co-infectie van HIV/HCV, die behandeld werden met gepegyleerde Interferon/Ribavirine in het ziekenhuis CarlosIII in Madrid, Spanje.

    “Het grootste voordeel van een hepatitis C-behandeling wordt gezien bij mensen met cirrose die een aanhoudende virologische respons (SVR) bereiktenâ€, noteerden de auteurs van de studie als achtergrond.

    Maar de bezorgdheid over de toxiciteit van de medicijnen, en over de slechte reacties op de behandeling, kan ontmoedigend zijn. Dit is vooral waar voor HIV/HCV geco-infecteerde patiënten, die meestal een snellere progressie ervaren van hun leverfibrose en die niet zo goed reageren op een Interferon-gebaseerde therapie.

    De studie omvatte 41 geco-infecteerde patiënten met cirrose, die eerder nog niet behandeld werden, en er waren ook 190 geco-infecteerde deelnemers zonder cirrose bij de uitgangssituatie.

    Hun leverziekte werd beoordeeld met behulp van een kortstondige elastometrie (FibroScan) in de loop van 1 jaar vóór het starten van de behandeling (de uitsluiting voor cirrose was > 14,5 KPa).

    Mensen met eerdere leverdecompensatie werden uitgesloten.

    Deelnemers met en zonder cirrose waren vergelijkbaar wat betreft hun leeftijd, geslacht, HCV-genotype en virale lading van HCV-RNA bij de uitgangssituatie.

    Resultaten.

    Op basis van deze bevindingen, concludeerden de auteurs van de studie:

    “De respons op een therapie met Peg-Interferon/Ribavirine is vergelijkbaar bij HIV/HCV geco-infecteerde patiënten met en zonder levercirroseâ€.

    Daarom bevelen ze het volgende aan:

    “Een behandeling moet aangemoedigd worden bij alle patiënten met gecompenseerde cirrose, hoewel onder nauwer toezicht staan en een meer intensief beheer van de bijwerkingen, voornamelijk van trombocytopenie, gerechtvaardigd zou kunnen zijn”.

    > Overzicht

    ALARMEREND PERCENTAGE VAN HERINFECTIES MET HEP C BIJ HIV+ HOMOFIELE MANNEN.

    Originele titel: Alarming Rate of Hepatitis C Reinfection among HIV+ Gay Men
    Bron: www.hivandhepatitis.com, 24 augustus 2011

    Een derde van de HIV-positieve mannen die seks hebben met mannen (MSM), en die behandeld werden voor een acute hepatitis C-virusinfectie (HCV) in Amsterdam, werd binnen de 2 jaar opnieuw besmet, wat de behoefte aangeeft van betere preventieve inspanningen, volgens een recent rapport.

    Femke Lambers van de ‘Amsterdam Public Health Service’, en haar collega’s van de studiegroep MOSAIC (MSM Observationele Studie van Acute Infectie met Hepatitis C), beoordeelden de incidentie van herinfecties onder HIV-positieve homofiele en biseksuele mannen, die HCV elimineerden na de behandeling van hun acute, primaire (eerste geval) hepatitis C-infectie. Ze stelden hun bevindingen voor op de 18

    de ‘Conferentie over Retrovirussen en Opportunistische Infecties’ (CROI 2011) en ze werden ook gepubliceerd in de online-editie van 19 augustus 2011 van het tijdschrift ‘AIDS’.

    Vanaf het jaar 2000, begonnen clinici gevallen van blijkbaar seksueel overdraagbare acute HCV-infecties te rapporteren onder HIV-positieve homoseksuele en biseksuele mannen, eerst in het Verenigd Koninkrijk, en vervolgens in andere grote steden in Europa, Australië en de VS.

    Globaal gezien, lopen HIV-positieve mensen meer kans op het ontwikkelen van chronische HCV-infecties (dat wil zeggen: ze hebben minder kans om het virus spontaan te wissen, zonder behandeling). Ze ervaren ook een snellere progressie van leverziekten. In vergelijking met mensen die alleen aan HCV lijden, reageren ze minder goed op Interferon-gebaseerde therapieën. Hun behandeling is echter aanzienlijk effectiever als ze gestart wordt tijdens een acute infectie. In tegenstelling tot vele ziekten, verleent een HCV-infectie geen immuniteit, en mensen kunnen hierdoor meerdere malen besmet worden.

    De onderzoekers analyseerden 56 HIV-positieve MSM in 2 grote HIV-poliklinieken in Amsterdam. Deze patiënten werden eerder ook gediagnosticeerd met een waarschijnlijk seksueel overgedragen acute HCV-infectie, waarvoor ze behandeld werden tussen 2003 en 2011, en ze hadden niet detecteerbaar HCV-RNA aan het einde van hun therapie.

    De herinfectie met HCV werd gedefinieerd als een aantoonbare virale lading van HCV, met een verandering van het HCV-genotype of met een andere ‘clade’ (wetenschappelijk systeem om biologische organismen in te delen), die een nieuwe infectie aanduidden in plaats van een mogelijk laat herval na de behandeling. Deze methode hield geen rekening met mannen die een tweede keer besmet werden met hetzelfde type van HCV, waardoor het percentage van herinfecties eventueel nog onderschat werd.

    Resultaten.

    “In deze groep werd een alarmerend hoge incidentie van HCV-herinfecties vastgesteld”, besloten de auteurs van de studie.

    “Dit hoge percentage van herinfecties geeft aan dat de huidige preventiemaatregelen besproken moeten worden, dat de testfrequente van HCV-RNA voortgezet moet worden na een succesvolle behandeling, en dat er een typering van de ‘clade’ uitgevoerd moet worden in geval van mogelijk herval, om herinfecties uit te sluiten”.

    Gezien het ontbreken van associaties tussen de CD4 T-cellen en de herinfectie, bevelen ze aan dat er meer onderzoek nodig is naar de relatie tussen HIV-infecties en de verwerving van HCV.

    En het belangrijkste werkten ze uit in hun discussie:

    “Deze bevindingen benadrukken het belang van herhaalde risico-adviseringen voor HCV-transmissies, die niet alleen vóór en tijdens de behandeling gegeven moeten worden, maar ook na de voltooiing ervan”.

    > Overzicht

    HEPATITIS DELTA VERHOOGT OVERLIJDENSRISICO BIJ 15% HIV/HBV GECO-INFECTEERDEN.

    Originele titel: Hepatitis Delta Found in 15% of HIV/HBV Coinfected People, Increases Risk of Death
    Bron: www.hivandhepatitis.com, 2 september 2011

    Ongeveer 15% van de mensen met HIV, die positief testen voor het hepatitis B oppervlakte-antigen (HBsAg), zijn ook drager van het ‘hepatitis delta virus’ (HDV), een defectief virus dat zich alleen kan repliceren in de aanwezigheid van het hepatitis B-virus (HBV), maar dat kan leiden tot meer ernstige leverschade, volgens een recente Europese studie.

    Zoals beschreven in de vooraf gepubliceerde online-editie van het tijdschrift ‘AIDS’ van 19 augustus 2011, wilden Vincent Soriano en zijn collega-onderzoekers van de ‘EuroSIDA-studie’ meer te weten komen over de prevalentie, de epidemiologie, het virologisch profiel en de natuurlijke historie van ‘hepatitis delta’ bij HIV-positieve patiënten.

    HDV is een door bloed overgebracht virus, zoals HBV en HIV, wat suggereert dat injecterende druggebruikers, die besmet werden via gedeelde spuiten of andere injectie-apparatuur, een hoog risico kunnen lopen voor HDV.

    Uit meer dan 16.000 HIV-positieve personen, die opgenomen waren in het ‘EuroSIDA-cohort’, identificeerden de onderzoekers 1.319 patiënten (7,9%) die ooit positief getest hadden voor HBsAg, wat een blootstelling aangeeft. Het lichaam wist HBV vaak op eigen houtje, zonder behandeling, waardoor veel HBsAg-positieve mensen geen huidige actieve hepatitis B hebben.

    Tijdens de laatste follow-up, waren 1.084 deelnemers (6,5%) op dat moment HBsAg-positief. De sub-studie over HDV omvatte 422 van deze patiënten, met beschikbare opgeslagen bloedmonsters. De onderzoekers testten de monsters op HDV met behulp van een commerciële enzymen immuno-analyse, en ze hebben de virale lading van HDV-RNA gemeten met een real-time PCR.

    Resultaten.

    De auteurs van de studie concludeerden:

    “De meeste patiënten die besmet zijn met HDV vertonen een detecteerbare HDV-viremie, en de virale interferentie tussen HBV en HDV is zichtbaar bij alle dragers, behalve bij HBV van genotype D, waarbij een openlijke co-replicatie van beide virussen zich voordoet, wat zou kunnen resulteren in een verhoogde beschadiging van de lever”.

    “De behandeling van chronische hepatitis delta is een enorme uitdaging”, legden ze uit in hun discussie.

    HDV repliceert zich met behulp van een menselijk polymerase-enzyme, zodat nucleoside/nucleotide analoge medicijnen, die ontwikkeld worden om de virale polymerase te remmen, de HDV-replicatie niet blokkeren. De huidige aanbevolen therapie is gepegyleerde Interferon-alfa (Pegasys of PegIntron) gedurende ten minste 12 maand. Sommige studies suggereren dat de meest potente nucleoside/nucleotide analogen, zoals Tenofovir, gunstig kunnen zijn voor een subgroep van patiënten met hepatitis delta, hoewel dit vooral beperkt is tot mensen met HBV van genotype A of met het hepatitis B ‘e’ antigen (HBeAg).

    “De meeste richtlijnen raden aan dat alle HBsAg-positieve patiënten getest moeten worden op anti-HDV-antilichamen”, schreven de onderzoekers.

    “Gezien het feit dat een fractie van de HDV-seropositieve personen het virus niet actief kan repliceren, moet de serumspiegel van HDV-RNA gemeten worden, en moet er een behandeling overwogen worden, bij patiënten met een detecteerbare viremie, gezien het feit dat chronische hepatitis delta geassocieerd is met een hoog risico op levercirrose bij HIV-geïnfecteerde patiënten …

    Het niet kunnen elimineren van een HDV-infectie bij HBsAg-dragers, kan leiden tot een onverwacht slechtere uitkomst, en het veroorzaakt het onnodig zoeken naar andere oorzaken van de leveraandoening”.

    > Overzicht

    DIDANOSINE EN HOGERE VIRALE HCV-LADING VOORSPELLEN LEVERFIBROSE BIJ CO-INFECTIE VAN HIV/HCV.

    Originele titel: Didanosine and Higher HCV Viral Load Predict Liver Fibrosis in HIV/HCV Coinfected People
    Bron: www.hivandhepatitis.com, 20 september 2011

    Het gebruik van ‘Didanosine’ (ddI, Videx), samen met hogere RNA-niveaus van het hepatitis C-virus (HCV), mannelijk geslacht en oudere leeftijd, was een significante risicofactor voor leverfibrose bij mensen met een co-infectie van HIV/HCV, hebben onderzoekers deze week in Chicago gemeld tijdens de 51ste Wetenschappelijke Conferentie over Antimicrobiële Stoffen en Chemotherapie (ICAAC 2011/Interscience Conference on Antimicrobial Agents and Chemotherapy).

    HIV-positieve mensen met een co-infectie van hepatitis C hebben de neiging om een snellere progressie van hun leverziekte te ervaren dan patiënten met HCV alleen. Men denkt dat de verzwakte immuunfunctie deze ongelijkheid veroorzaakt, maar ook andere factoren kunnen hierbij een rol spelen. Van bepaalde anti-retrovirale geneesmiddelen weet men dat ze levertoxiciteit veroorzaken, maar hun effect op de progressie van fibrose werd nog niet uitgebreid onderzocht.

    In de huidige analyse hebben Spaanse onderzoekers gekeken naar factoren die bijdragen tot de progressie van fibrose, zoals beoordeeld door een ‘kortstondige elastometrie’ (FibroScan), een niet-invasieve methode die gebruik maakt van geluidsgolven om de leverstijfheid te meten.

    De studie omvatte 213 volwassen, blanke HIV-patiënten, waarvan 111 personen ook hepatitis C hadden. Mensen met zwaar alcoholgebruik (>50 g/dag), patiënten met een co-infectie van hepatitis B (HBV) of met niet-infectieuze leverziekten, en personen met <75% antiretrovirale (ART) therapietrouw werden uitgesloten.

    Resultaten.

    Men weet dat Didanosine ‘mitochondriale toxiciteit’ kan veroorzaken (problemen met de stofwisseling), wat zich kan manifesteren als ‘leversteatose’ of vetaccumulatie.

    Deze studie suggereert dat Didanosine ook kan bijdragen tot leverfibrose.

    Ook de associatie tussen fibrose en het niveau van HCV-RNA is interessant, omdat de meeste onderzoeken aangeven dat de virale lading van HCV niet nauw verbonden is met de progressie van de ziekte, zoals ook het geval is met HIV.

    > Overzicht

    MARAVIROC KAN LEVERFIBROSE VERMINDEREN BIJ CO-INFECTIE VAN HIV/HCV.

    Originele titel: Maraviroc May Reduce Liver Fibrosis in HIV/HCV Coinfected People
    Bron: www.hivandhepatitis.com, 23 september 2011

    De toevoeging van ‘Maraviroc’, een ‘CCR5-remmer’ (Selzentry), aan een anti-retroviraal regime verminderde de leverstijfheid, een indicator van fibrose, volgens een studie die deze week voorgesteld werd in Chicago tijdens de 51ste Wetenschappelijke Conferentie over Antimicrobiële Stoffen en Chemotherapie (ICAAC/Interscience Conference on Antimicrobial Agents and Chemotherapy).

    Leverziekten hebben de neiging om sneller te evolueren onder HIV/HCV geco-infecteerde mensen, in vergelijking met patiënten die alleen lijden aan hepatitis C-virusinfecties (HCV). Onderzoek suggereert dat leverletsels bij HIV-positieve mensen geassocieerd zijn met persistente ontstekingen, en in sommige studies heeft Maraviroc aangetoond dat het ontstekingen kan temperen.

    Paola Nasta en haar collega’s van de Universiteit van Brescia (Italië) evalueerden de invloed van de CCR5-remming met Maraviroc, en ze onderzochten wijzigingen in de leverstijfheid bij HIV/HCV geco-infecteerde patiënten.

    “De ‘chemokine-receptor’ CCR5 wordt uitgedrukt in ‘stellaatcellen’ in de lever, die vezelig littekenmateriaal produceren, en wordt sterk opgereguleerd in experimentele fibrogenese-modellen,†merkten de onderzoekers op als achtergrond.

    De CCR5-remming heeft leverfibrose verminderd bij experimentele muis-modellen.

    Een niet-invasieve test met de ‘FibroScan’ meet de leverstijfheid met behulp van geluidsgolven. Een grotere leverstijfheid (uitgedrukt in kilopascal of KPa) is gecorreleerd met hogere fibrose-scores, maar de methode is niet zo nauwkeurig als een leverbiopsie om tussenstadia te kunnen onderscheiden.

    De huidige studie omvatte 62 HIV/HCV geco-infecteerde patiënten, die nog niet eerder een hepatitis C-behandeling ondergaan hadden. Ze hadden een niet-detecteerbare virale HIV-lading en ze volgden een stabiele antiretrovirale combinatietherapie (ART), bestaande uit Atazanavir versterkt met Ritonavir (Reyataz) plus Tenofovir/Emtricitabine (de medicijnen in Truvada).

    De meeste deelnemers (ongeveer 80%) waren mannen, de gemiddelde leeftijd was 46 jaar, en het mediane aantal CD4 T-cellen lag ongeveer op 500 cellen/mmᵌ.

    Meer dan 90% had HCV van de moeilijk te behandelen genotypes 1 of 4.

    De gemiddelde leverstijfheid bij de uitgangssituatie was ongeveer 7 KPa, waarmee een minimale fibrose aangegeven wordt.

    De biochemische lever-markeerders waren vergelijkbaar in beide groepen, wat een vergelijkbare mate van de progressie van de leverziekten aangeeft.

    De deelnemers werden willekeurig aangewezen (1: 1) om ofwel hun gebruikelijke ART-regime te blijven volgen (controle-arm), ofwel kregen ze daarbij tweemaal per dag 150 mg Maraviroc gedurende 96 weken.

    De onderzoekers beoordeelden klinische, virologische, immunologische en metabolische parameters, evenals parameters van de leverfunctie. De leverstijfheid werd gemeten bij de uitgangssituatie en elke 24 weken. Een totaal van 44 personen (23 in de Maraviroc-arm en 21 in de controle-arm) voltooiden 24 weken van hun gerandomiseerde behandeling en ze werden opgenomen in deze voorlopige analyse.

    Resultaten.
    Op basis van deze bevindingen, concludeerden de onderzoekers:

    ” Maraviroc toevoegen aan de huidige ART-therapie kan de leverstijfheid verminderen bij personen die geco-infecteerd zijn met HIV/HCV”.

    > Overzicht

    HCV-MEDICIJN TELAPREVIR TOONT GEEN PROBLEMATISCHE INTERACTIES MET RALTEGRAVIR.

    Originele titel: HCV Drug Telaprevir Shows No Problematic Interactions with Raltegravir

    Bron: www.hivandhepatitis.com, 5 oktober 2011

    Telaprevir, de nieuwe proteaseremmer van het hepatitis C-virus (HCV), lijkt geen klinisch relevante medicijninteracties te hebben met Raltegravir, de integraseremmer van HIV, volgens een studie die vorige maand in Chicago voorgesteld werd tijdens de 51ste ‘Wetenschappelijke Conferentie over Antimicrobiële Stoffen en Chemotherapie’ (ICAAC 2011/Interscience Conference on Antimicrobial Agents and Chemotherapy).

    Eén derde van de mensen die besmet zijn met HIV, is waarschijnlijk ook geïnfecteerd met HCV. Deze co-infectie wordt geassocieerd met een snellere progressie van leverziekten en met een minder goede respons op Interferontherapieën tegen hepatitis C. Daarom is er bij deze populatie een grote behoefte aan betere behandelingsopties, maar deze patiënten moeten ook het hoofd bieden aan uitdagingen in verband met medicijninteracties én aan bijwerkingen van hun anti-retrovirale therapie (ART).

    Telaprevir wordt momenteel bestudeerd bij patiënten met een co-infectie van HIV/HCV. Voorlopige en veelbelovende resultaten werden in maart reeds voorgesteld op de ‘Conferentie over Retrovirussen en Opportunistische Infecties’ (CROI 2011/Conference on Retroviruses and Opportunistic Infections).

    In die studie gebruikten de deelnemers ART-regimes met ofwel Efavirenz, ofwel Atazanavir, plus Tenofovir en Emtricitabine of Lamivudine. Deze medicijnen werden gekozen op basis van studies bij gezonde vrijwilligers, waarbij minimale of beheersbare interacties met Telaprevir aangegeven werden.

    In de huidige studie, die voorgesteld werd op ICAAC, keek het onderzoeksteam van Tibotec/Vertex naar interacties tussen Telaprevir en Raltegravir, weer bij gezonde vrijwilligers zonder HIV of HCV.

    “Telaprevir is een substraat en een remmer van het CYP3A-leverenzyme en van het P-glycoproteïne (P-gp), die een rol spelen in het medicijnmetabolismeâ€, merkten de onderzoekers op als achtergrond. “Dit kan de concentraties van Telaprevir en van gelijktijdig toegediende middelen verhogen of verlagen. Raltegravir wordt niet gemetaboliseerd via CYP3A, maar het is een P-gp substraat, en het wordt geglucuronideerd, of gemetaboliseerd naar Raltegravir-glucuronide, door het UGT1A1-enzymeâ€.

    Deze open-label ‘cross-over’ studie omvatte 20 HIV/HCV-negatieve vrijwilligers.

    Alle deelnemers waren mannelijk, ongeveer 65% was zwart, en de gemiddelde leeftijd was 37 jaar.

    De deelnemers werden willekeurig aangewezen om 2 behandelingen te volgen, in te nemen samen met voedsel, en gescheiden door ten minste 14 dagen:

    Resultaten.

    “De gelijktijdige toediening van Raltegravir had geen invloed op Telaprevir”, besloten de onderzoekers.

    “De blootstelling aan Raltegravir verhoogde met 31% tijdens de gelijktijdige toediening van Telaprevir, wat mogelijk te wijten is aan de remming van het ‘intestinale P-gp’ door Telaprevir.

    Telaprevir had geen invloed op de UGT1A1-activiteit, zoals aangegeven werd door de soortgelijke AUC-verhouding van Raltegravir-glucuronide tegenover Raltegravir, met of zonder gelijktijdige toediening van Telaprevir.

    Over het algemeen werd het effect van Telaprevir op Raltegravir niet beschouwd als klinisch relevant, wat aangeeft dat er geen dosisaanpassing, van geen van beide medicijnen, nodig zal zijnâ€.

    Alles samen genomen met de studies die voorgesteld werden op CROI, lijkt Telaprevir geen problematische interacties te vertonen met HIV-proteaseremmers, met ‘niet-nucleoside omgekeerde transcriptaseremmers’ (NNRTI), of met integraseremmers, waardoor geco-infecteerde patiënten een scala aan anti-retrovirale keuzes krijgen terwijl ze een hepatitis C-behandeling met Telaprevir ondergaan.

    > Overzicht

    KOFFIE HELPT BIJWERKINGEN VERMINDEREN BIJ HIV/HCV TIJDENS INTERFERONTHERAPIE.

    Originele titel: Coffee Helps Reduce Side Effects in HIV/HCV Coinfected People during Interferon-based Therapy
    Bron: www.hivandhepatitis.com, 7 oktober 2011

    Mensen met een co-infectie van HIV/HCV, die dagelijks ten minste 3 kopjes koffie drinken, hebben minder kans om bijwerkingen te ervaren in verband met hun Interferontherapie voor hepatitis C, volgens een Frans onderzoek dat voorgesteld werd op de 10de ‘AIDS Impact Conferentie’ vorige maand in Santa Fe. Het blijft echter onbekend of koffie op één of andere manier direct de bijwerkingen verlicht.

    Verschillende studies hebben aangetoond dat koffie een gunstig effect lijkt te hebben op leverontsteking en fibrose bij mensen met hepatitis C, en koffie wordt ook gekoppeld aan hogere percentages van aanhoudende respons op een behandeling die gebaseerd is op Interferon.

    Aangezien bijwerkingen in verband met Interferon en Ribavirine – zoals depressie, vermoeidheid, griepachtige symptomen en storingen van de rode en de witte bloedcellen – een veel voorkomende reden zijn voor de stopzetting van de behandeling, beoordeelden onderzoekers het effect van het koffieverbruik op zelfgemelde bijwerkingen van personen met een co-infectie van HIV/HCV.

    De analyse omvatte 106 deelnemers in het ‘HEPAVIH ANRS CO13’ cohort van geco-infecteerde patiënten die een anti-retrovirale combinatietherapie volgden. De meeste patiënten (71%) waren mannen, de gemiddelde leeftijd was 44 jaar en 80% had een voorgeschiedenis van injecterend druggebruik. De meeste deelnemers (86%) hadden een niet detecteerbare virale HIV-lading en een vergelijkbaar deel had CD4 T-celtellingen van meer dan 200 cellen/mmᵌ. Ongeveer de helft had ernstige fibrose of cirrose (fase F3-F4) bij de uitgangssituatie.

    De studiedeelnemers begonnen met een hepatitis C-behandeling, bestaande uit gepegyleerde Interferon alfa-2a (Pegasys) plus Ribavirine. Tijdens een totaal van 138 bezoeken verzamelden de onderzoekers gegevens over hun koffieverbruik en hun zelf-gerapporteerde ongemakkelijke of onbehaaglijke bijwerkingen tijdens de hepatitis C-behandeling.

    Het koffieverbruik werd ingedeeld aan de hand van een schaal van 5 categorieën: geen consumptie, occasionele consumptie, 1 kopje per dag, 2 kopjes per dag, en 3 of meer kopjes per dag. De patiënten werden ondervraagd over ongeveer 30 behandelingsgerelateerde symptomen die ze ervaarden tijdens de eerste 4 weken, en over de mate van het ongemak of het leed die ze daarbij veroorzaakten.

    Resultaten.

    “Deze resultaten, die verkregen werden in een observationeel cohort van een populatie die getroffen werd door een dubbele virale infectie, onderstrepen duidelijk de meerdere voordelen die cafeïne kan hebben voor patiënten met HCV, die gepegyleerde Interferon/Ribavirine nemen. Ze suggereren een gemakkelijke en goedkope aanpak voor de verlichting van bijwerkingen en ze verzekeren potentieel de continuïteit van de behandeling”, besloten de onderzoekers.

    Ze stelden dat deze link gerelateerd kan worden aan de ‘prestatievoordelen’ die toegeschreven worden aan cafeïne, zoals een verlaagde vermoeidheid en een verbeterde mentale concentratie en alertheid, die verzwakt zouden kunnen zijn bij mensen die een hepatitis C-behandeling krijgen.

    De onderzoekers maakten in hun verslag echter geen onderscheid tussen de consumptie van cafeïne-houdende of cafeïnevrije koffie. Andere studies hebben alleen gezondheidsvoordelen voor de lever gevonden bij koffie, en niet bij andere cafeïne-houdende dranken zoals thee, wat suggereert dat andere onderdelen van koffie – misschien antioxidanten – bijdragen tot de waargenomen voordelen.

    > Overzicht

    INTERFERON KAN PROGRESSIE VAN LEVERZIEKTE VERTRAGEN BIJ HIV/HCV GECO-INFECTEERDE RELAPSERS.

    Originele titel: Interferon May Reduce Liver Disease Progression in HIV/HCV Coinfected Relapsers
    Bron: www.hivandhepatitis.com, 11 oktober 2011

    Een mislukte Interferon-therapie voor chronische hepatitis C-virusinfecties (HCV) leek de progressie van leverfibrose te verbeteren of te vertragen bij HIV/HCV geco-infecteerde mensen, maar dit was meestal slechts tijdelijk, volgens 2 studies die vorige maand in Chicago voorgesteld werden op de 51ste Wetenschappelijke Conferentie over Antimicrobiële Stoffen en Chemotherapie (ICAAC 2011/Interscience Conference on Antimicrobial Agents and Chemotherapy).

    HIV-positieve mensen met een co-infectie van HCV hebben de neiging om een snellere progressie van hun leverziekten te ervaren, vergeleken met personen die alleen aan hepatitis C lijden. Helaas reageren ze gemiddeld ook niet zo goed op een behandeling met Interferon.

    In de eerste studie gebruikten José Antonio Carton en zijn collega’s van de ‘Oviedo University Medical School’ in Spanje een kortstondige elastometrie (FibroScan) en verschillende niet-invasieve biomarkers om de resultaten te vergelijken bij geco-infecteerde patiënten volgens hun reacties op de hepatitis C-therapie.

    Deze analyse omvatte 210 HIV/HCV geco-infecteerde deelnemers, die ten minste 12 weken voltooiden van de standaardtherapie, bestaande uit gepegyleerde Interferon-alfa en Ribavirine. Nog 118 andere geco-infecteerde mensen, die besloten om geen HCV-therapie te volgen, vormden de controlegroep. Over het algemeen hadden de mensen in deze controlegroep minder gevorderde leverziekten, waardoor deze patiënten niet zo’n dringende behandeling vereisten.

    De deelnemers werden geëvalueerd bij de uitgangssituatie, op het einde van de HCV-behandeling en 38 tot 42 maand daarna. Men maakte gebruik van een ‘FibroScan’ voor de meting van de leverstijfheid en van de biomarker-index van bloedtesten (APRI, Forns en FIB-4). Ze ondergingen een leverbiopsie bij de uitgangssituatie, maar deze ingreep werd later niet herhaald. De meeste studies vinden dat niet-invasieve methoden het goed doen om een onderscheid te maken tussen ‘geen of minimale fibrose’ tegenover ‘ernstige fibrose of cirrose’, maar ze doen het wel niet zo goed voor het bepalen van de tussenstadia.

    Resultaten.

    In de tweede analyse keek hetzelfde onderzoeksteam naar de 130 geco-infecteerde patiënten die HCV niet konden elimineren met de behandeling. Hier werden ze verdeeld in 81 ‘non-responders’, die nog steeds aantoonbaar HCV-RNA hadden aan het einde van de behandeling, en 49 ‘responder-relapsers’, die niet detecteerbaar HCV hadden na de voltooiing van de therapie maar die een virale terugval ervaarden tijdens de follow-up na de behandeling. De 118 onbehandelde patiënten dienden ook hier weer als controlegroep.

    Resultaten.

    De onderzoekers suggereerden dat anti-inflammatoire wijzigingen tijdens de behandeling verantwoordelijk zouden kunnen zijn voor de voorbijgaande verbeteringen van de leverstijfheid, misschien wel meer dan voor het produceren van een ware omkering van de leverfibrose.

    > Overzicht

    ANTI-RETROVIRALE THERAPIE VERTRAAGT PROGRESSIE VAN LEVERFIBROSE BIJ HIV/HCV.

    Originele titel: Antiretroviral Therapy Reduces Liver Fibrosis Progressionin HIV/HCV Coinfected People
    Bron: www.hivandhepatitis.com, 18 oktober 2011

    Eerder beginnen met een anti-retrovirale therapie (ART) en de HIV-behandeling langer volgen, kan helpen bij het vertragen van de progressie van leverziekten bij HIV/HCV geco-infecteerde patiënten, volgens een Italiaanse studie die gebruik maakte van niet-invasieve methoden, en die vorige week in Belgrado voorgesteld werd op de 13de ‘Europese AIDS Conferentie’ (EACS 2011).

    HIV-positieve mensen met een co-infectie van het hepatitis C-virus (HCV) ervaren meestal een snellere progressie van leverfibrose en ze reageren minder goed op een Interferontherapie dan personen met HCV alleen. Sinds de komst van doeltreffende ART-combinaties, zijn leverziekten belangrijke doodsoorzaken geworden bij mensen met HIV.

    Massimiliano Fabbiani en zijn collega’s onderzochten de incidentie en de factoren die samenhangen met de progressie van fibrose bij HIV/HCV geco-infecteerde deelnemers in het Italiaanse ‘MASTER-cohort’. De studiedeelnemers begonnen met hun ART-combinatie tussen 1996 en 2010.

    De leverfibrose werd geëvalueerd aan de hand van de niet-invasieve ‘FIB-4 index’, die berekend wordt op basis van de leeftijd, de niveaus van alanine-aminotransferase (ALT) en aspartaat-aminotransferase (AST), en de bloedplaatjes. Niet-invasieve metingen zijn niet zo nauwkeurig als een leverbiopsie, ‘de gouden standaard’ (vooral om tussenliggende fibrose-fasen te onderscheiden), maar ze zijn minder duur, minder ongemakkelijk, en er is een kleiner risico op complicaties.

    De analyse omvatte 1.568 deelnemers, die gevolgd werden vanaf het moment dat ze begonnen met hun ART. De meeste waren mannen (73%), de gemiddelde leeftijd was 36 jaar, en bijna driekwart had een voorgeschiedenis van injecterend druggebruik. Eén derde had HCV-genotypes 1 of 4, 15% had genotypes 2 of 3, en de helft had een onbekend genotype.

    De studiedeelnemers hadden een relatief gevorderde HIV-ziekte, met een mediane CD4 T-celtelling van 256 cellen/mmᵌ en een mediane CD4-nadir (laagste niveau ooit) van 80 cellen/mmᵌ. De helft had ook een voorgeschiedenis van AIDS-bepalende verschijnselen. Mensen met ernstige fibrose, cirrose, of leverkanker bij de uitgangssituatie, zware alcoholgebruikers, en patiënten met een driedubbele infectie van HIV, HCV en hepatitis B werden uitgesloten.

    Resultaten.

    Op basis van deze bevindingen, concludeerden de onderzoekers: “Een betere ‘viro-immunologische controle’ van ART kan de progressie van leverfibrose vertragen bij geco-infecteerde patiëntenâ€.

    Ze suggereerden dat sneller starten met een HIV-behandeling voordelig kan zijn voor deze populatie.

    Fabbiani merkte op dat HCV-genotype 3 geassocieerd werd met een groter risico op fibrose-progressie dan genotype 1 in een univariante analyse, maar dit was niet langer significant in een multivariante controle-analyse voor andere factoren.

    Op de vraag om te speculeren over de reden van het beschermend effect van ART, stelde hij dat een anti-retrovirale behandeling een heilzaam, anti-inflammatoir effect kan hebben, dat verder reikt dan het effect ervan op de virale HIV-lading en de CD4-celtellingen.

    > Overzicht

    VOORSPELLERS VAN VIRALE HCV-LADING BIJ HIV/HCV-PATIËNTEN.

    Originele titel: Predictors of HCV Viral Load in HIV/HCV Coinfected Patients
    Bron: www.hivandhepatitis.com, 26 oktober 2011

    De RNA-niveaus van het hepatitis C-virus (HCV) stijgen na verloop van tijd bij mensen met een co-infectie van HIV/HCV, waardoor de kans vermindert op een aanhoudende respons na een behandeling met Interferon. Maar een anti-retrovirale therapie kan de virale HCV-lading helpen controleren en kan bijdragen tot een hogere kans op een succesvolle behandeling, volgens een rapport dat deze maand in Belgrado voorgesteld werd op de 13de ‘Europese Aidsconferentie’ (EACS 2011).

    Personen met een co-infectie van HIV/HCV hebben de neiging om een snellere progressie van hun leverziekte te ervaren dan patiënten met hepatitis C alleen. Ze reageren ook minder goed op een Interferontherapie, wat gedeeltelijk te wijten is aan hun hogere niveaus van HCV-RNA. Eerder onderzoek geeft aan dat de virale lading van HCV relatief stabiel blijft bij mensen met een mono-infectie van HCV, maar de ontwikkelingen bij geco-infecteerde personen worden nog niet zo goed begrepen.

    ‘EuroSIDA’ omvat meer dan 16.000 mensen in 33 Europese landen, Israël en Argentinië. Binnen dit cohort testten 4.564 personen positief voor HCV-antistoffen en 1.287 mensen hadden positief HCV-RNA, wat een chronische infectie aangeeft.

    De meerderheid van de geco-infecteerde deelnemers was mannelijk (70%), en de meesten waren blank (ongeveer 90%). Ongeveer driekwart had een voorgeschiedenis van injecterend druggebruik (74%), en 8% bestond uit mannen die seks hebben met mannen (MSM). Iets meer dan de helft had het moeilijk te behandelen HCV-genotype 1, 30% had genotype 3, 14% had genotype 4, en slechts 3% had het makkelijker te behandelen genotype 2. Ongeveer 6% had een driedubbele infectie van HIV, HCV en hepatitis B (HBV), maar ongeveer 14% werd niet eerder getest.

    Bij de uitgangssituatie was het gemiddelde niveau van HCV-RNA 5,87 IU/mL. De deelnemers werden gevolgd gedurende een mediaan van 4 jaar en in die periode werden ze gemiddeld 2 keer getest op hun virale HCV-lading (bereik van 1 tot en met 10). 250 personen hadden ten minste 3 metingen van hun HCV-RNA.

    Ze voegden eraan toe dat een ART-combinatie die HIV-RNA onderdrukt, de waarschijnlijkheid van een aanhoudende virologische respons (SVR) op de hepatitis C-therapie indirect kan verbeteren, door de verlaging van de niveaus van HCV-RNA, omdat een lagere virale HCV-lading een gevestigde voorspeller is van betere behandelingsresultaten.

    > Overzicht