Hepatitis C en behandeling – film

Hoe kan Hepatitis C behandeld worden?

• Behandelen ja dan nee
• Huidige standaard-behandeling
• Geneesmiddelen huidige behandeling
• Interferon
• Peg-Interferon
• Ribavirine
• Levertransplantatie
• Alternatieve therapieën

Behandelen ja of nee?

Bij heel wat patiënten komt de diagnose van hepatitis C hard aan. Betekent dit dat hun lever ernstig beschadigd is? Wat kunnen zij doen? Hoe kunnen zij weer gezond worden? Zullen ze sterven aan de gevolgen van hepatitis C? Om een beetje antwoord te krijgen op deze vragen is het belangrijk dat je nauwgezet gevolgd wordt door een gastro-enteroloog of hepatoloog. Die zal met jou eerst en vooral zicht proberen krijgen op de huidige toestand van je lever. Alle resultaten naast elkaar gelegd en uiteindelijk zal duidelijk worden of jij al dan niet moet behandeld worden.

Verschillende criteria zoals de leeftijd van de patiënt, het resultaat van de leverbiopsie, de graad van ontsteking, stadium van fibrose en tenslotte de quality of life bepalen of een behandeling opportuun is of niet.

Moeten specifieke subgroepen worden behandeld?

Kinderen: er is nog geen geregistreerde, terugbetaalde behandeling, in principe zal de behandeling hetzelfde zijn als voor volwassenen

Co-infectie HIV: indien HIV gestabiliseerd, cave druginteracties

Gecompenseerde cirrosis: kan, minder HCC?

Acute hepatitis C: ja, monotherapie zeker, de waarde van combinatietherapie dient nog bestudeerd te worden, maar geen terugbetaling!

Persisterend normale ALT: onbekend (momenteel loopt een Belgische studie)

  • HCV-RNA neg: jaarlijkse controle
  • HCV-RNA pos: 4-6 maandelijkse FU

Extrahepatische manifestaties: Interferon, langdurige onderhoudstherapie gezien blijvende respons zelden. (terugbetaling is beperkt tot maximaal één jaar)

Wie wordt niet behandeld?

  • gedecompenseerde cirrosis
  • actieve IV druggebruikers: omwille van risico op toxiciteit, reïnfectie
  • actieve alcoholiekers: door alcoholgebruik is er verhoogde viraemie met meer inflammatoire activiteit wat interfereert met de respons van de behandeling en er is meer kans op toxiciteit

Gunstige prognostische factoren

onafhankelijke gunstige prognostische factoren voor SUSTAINED RESPONSE (blijvende negatieve PCR),

(dwz: virologisch en biochemisch zes maanden na stop therapie.)

  • genotype 2 en 3
  • viral load < 3.5 miljoen kopieën/m
  • leeftijd: < 40 jaar
  • geslacht: vrouw
  • leverbiopsie: geen of milde portale fibrose

> Top

Huidige behandeling

Standaard combinatietherapie?

De huidige Europese richtlijnen geven aan dat de combinatietherapie – met de meeste kans op succes – bestaat uit PEGinterferon + Ribavirine.

PegIntron® en Pegasys® worden terugbetaald voor alle volwassen patiënten met chronische hepatitis C met positieve HCV-RNA en tweemaal verhoogde ALT met minstens 1 maand interval.

Patiënten met chronische hepatitis C genotypes 1 – 4 – 5 – 6

Leverbioptie noodzakelijk – OK vanaf fobrose 0

ProductnaamMerknaamLicentiehouderAanbevolen behandelingsschema
PegInterferon alfa-2b & RibavirinePegintron® & Rebetol®Schering-PloughPegintron® 1.5 µg/kg/week + Rebetol® (800 mg/d indien < 65 kg; 1000 mg/d indien 65-85kg; 1200 mg/d indien > 85 kg), gedurende 48 weken.
PegInterferon
alfa-2a
&
Ribavirine
Pegasys®
Copegus®
Roche®Pegasys® 180 µg/week + Copegus® (1000 mg/d indien < 75kg en 1200 mg/d indien > of = 75 kg) gedurende 48 weken.

Patiënten met chronische hepatitis C genotypes 2 – 3

Leverbioptie niet noodzakelijk

ProductnaamMerknaamLicentiehouderAanbevolen behandelingsschema
PegInterferon alfa-2b & RibavirinePegintron® & Rebetol®Schering-PloughPegintron® 1.5 µg/kg/week + Rebetol® (800 mg/d indien < 65 kg; 1000 mg/d indien 65-85kg; 1200 mg/d indien > 85 kg), gedurende 24 weken.
PegInterferon
alfa-2a
&
Ribavirine
Pegasys®
Copegus®
Roche®Pegasys® 180µg/w +
Copegus® 800 mg/d gedurende 24 weken.
> Top
Geneesmiddelen huidige behandeling

• Wat is Interferon?

• Peg-Interferon?

• Wat is Ribavirine?

Interferon

Werking?

Interferon is een chemisch interferon dat sterk lijkt op de lichaamseigen interferon-eiwitten die door lichaamscellen worden aangemaakt als een reactie op virale infecties. De toediening van Interferon geeft het afweersysteem een duw in de rug, waardoor de virusdeeltjes in de cellen sneller worden afgebroken en de virale vermenigvuldiging wordt verhinderd. Het wijzigt de reactie van het immuunsysteem van het lichaam en helpt het lichaam te verdedigen tegen infecties en ernstige ziekten. Interferon wordt via injecties aangebracht in het onderhuidse vet, vergelijkbaar met de injecties van een diabetespatiënt.

Beschikbaarheid?

Er zijn 2 interferons beschikbaar nl Roferon-AÃ’ (Interferon alfa-2a) en IntronAÃ’ (Interferon alfa-2b).

Omdat interferon een zeer duur geneesmiddel is, is door de overheid en het RIZIV afgesproken dat de voorschrijvende arts een toelating voor gebruik van interferon moet aanvragen bij de mutualiteit van de patiënt.

Omdat het een wettelijk erkende behandeling is, wordt de machtiging echter altijd verstrekt als de aanvraag voldoet aan volgende voorwaarden:

  • de patiënt chronische hepatitis C heeft, (de transaminasen moeten minimaal 6 maanden verhoogd zijn)
  • tekenen van chronische hepatitis C heeft, aangetoond via leverbiopsie,
  • er is geen leeftijdgrens naar boven toe,
  • een HIV test is niet langer vereist.
  • De apotheek kan je geen Interferon verstrekken tegen terugbetalingstarief wanneer de machtiging nog niet is afgegeven. Het afhandelen van de aanvraag bij de mutualiteit neemt meestal enkele weken in beslag.

Wat moet je weten voor je start met de therapie? Mogelijke bijwerkingen van de therapie? Bewaring, aanvullende informatie en hoe jezelf een injectie geven … dit zijn allemaal vragen waarop je een antwoord krijgt als je klikt op één van volgende links:

Roferon-A® patiënten bijsluiter IntronA® patiënten bijsluiter

Roferon-A® produktinformatie IntronA® produktinformatie

> Top
PEG-interferon

Werking?

Om een efficiëntere werking van interferon te verkrijgen, werd een aangepast interferon geproduceerd, namelijk het “Pegylated-interferon†(PEG-interferon). Dit medicijn bestaat uit de gewijzigde vorm van standaard interferon waardoor het langer in het lichaam aanwezig blijft. Hierdoor hoeft deze vloeistof maar éénmaal per week te worden ingespoten in plaats van driemaal per week, waardoor het voor de patiënt minder belastend is. De resultaten van PEG-interferon in combinatie met ribavirine zijn – voor alle genotypen – significant beter dan de huidige standaard therapie. Deze therapie wordt echter in België nog niet voor alle patiënten terugbetaald. Alleen patiënten met fibrose vanaf score >2, komen in aanmerking voor terugbetaling.

Beschikbaarheid?

Er zijn 2 PEG-interferons beschikbaar nl PegIntron® (PEG-Interferon alpha-2b) en Pegasys® (PEG-Interferon alpha-2a). Voor terugbetalingsmodaliteiten zie kaders bovenaan deze pagina.

Wat moet u weten voor u start met deze therapie? Mogelijke bijwerkingen van de therapie? Bewaring, aanvullende informatie en hoe uzelf een injectie geven … dit zijn allemaal vragen waarop u een antwoord krijgt als u klikt op één van volgende links:

PegIntron® patiënten bijsluiter Pegasys® patiënten bijsluiter

PegIntron® produktinformatie Pegasys® produktinformatie

> Top

Ribavirine

Werking?

Ribavirine remt de vermenigvuldiging van veel virustypes. Er werd aangetoond dat de combinatie van ribavirine met interferon een effectievere behandeling was voor hepatitis-C- virusinfecties dan interferon alleen.

Beschikbaarheid?

Ribavirine is beschikbaar in de apotheek onder de naam CopegusÃ’ en RebetolÃ’. De vergoeding wordt toegestaan op voorwaarde dat de betrokken rechthebbende zich in een van beide volgende situaties bevindt:

  • heeft tegelijk verhoogde ALT, een positieve HCV-RNA, een score voor cirrose die niet hoger is dan A, volgens de index van Child-Pugh, en bij histologisch onderzoek, indien een biopsie niet is tegenaangewezen om redenen, aangegeven in de bovengenoemde eerste alinea, een fibrose of een inflammatoire activiteit,
  • maakt een recidief door, met verhoogde ALT en een positief HCV-RNA, nadat de patiënt voordien reageerde op een behandeling met interferon alfa in monotherapie gedurende ten minste 4 maanden, op voorwaarde dat deze behandeling in monotherapie een normalisatie van de ALT heeft veroorzaakt.

Het aantal vergoedbare verpakkingen houdt rekening met een maximale dosering van 1200 mg per dag.

Op basis van een omstandig verslag, opgesteld door de geneesheer-specialist in de Gastro-Enterologie of in de inwendige geneeskunde, waarin uitdrukkelijk de voorgeschreven dosering wordt vermeld, evenals het type verpakking en de gewenste dosis levert de adviserend geneesheer aan de rechthebbende, voor elke verpakking, nodig voor de toegestane behandeling, een machtiging af, waarvan het model is vastgelegd onder c van bijlage III van het huidig besluit en waarvan de geldigheidsduur tot maximaal 6 maanden is beperkt.

Deze machtiging tot vergoeding van CopegusÒ en RebetolÒ mag nadien vernieuwd worden voor één enkele periode van 6 maanden op basis van een omstandig evolutierapport, opgesteld door bovengenoemde specialisten, dat aantoont dat de verder zetting van de behandeling medisch verantwoord is, door het bewijs te leveren dat bij de betrokken patiënt aan minstens één van de volgende criteria van doeltreffendheid is voldaan:

• ofwel is de viremie niet meer aantoonbaar (HCV-RNA negatief)

• ofwel zijn de ALT genormaliseerd

Wat moet je weten voor je start met deze therapie? Mogelijke bijwerkingen van de therapie? Bewaring, aanvullende informatie … dit zijn allemaal vragen waarop je een antwoord krijgt als je klikt op één van volgende links:

Rebetol® patiënten bijsluiter Copegus® patiënten bijsluiter

Rebetol® produktinformatie Copegus® produktinformatie

> Top

Levertransplantatie

Levertransplantatie bij hepatitis C

De laatste jaren worden er uitstekende resultaten bekomen met levertransplantatie. Heel wat centra hebben praktisch geen peri-operatieve mortaliteit meer en bekomen een éénjaars patiënt,- en orgaanoverleving van meer dan 90%. Dit heeft tot gevolg dat steeds meer patiënten worden verwezen voor deze levensreddende ingreep. Zo stonden er in België in de periode van 01/10/1999 tot 01/06/2001 354 volwassen patiënten met een chronische leverziekte op de wachtlijst. Op 05/08/2001 waren daarvan nog 105 wachtende en waren er 210 getransplanteerd; 28 patiënten waren overleden op de wachtlijst en 11 patiënten werden van de wachtlijst gehaald waarschijnlijk omdat hun toestand te sterk achteruit ging. Zo kunnen we stellen dat ongeveer 1 op 10 mensen die wachten op een lever in België niet op tijd deze levensreddende ingreep kunnen krijgen. De gemiddelde wachttijd in België in de periode van 06/2000 tot 06/2001 bedroeg op de 244 patiënten gemiddeld 111 dagen.

Deze toename van het aantal kandidaten houdt echter niet alleen verband met de uitstekende resultaten maar wordt ook uitgelokt door een sterke toename van het aantal patiënten die een levertransplantatie dienen te krijgen omwille van chronische hepatitis C. In België hadden in de periode 01/1999 – 06/2001 30% van de patiënten die wachtten op een nieuwe lever hepatitis C; 25% van de wachtenden hadden een geassocieerd hepatocellulair carcinoom en dit deed zich voornamelijk voor bij de hepatitis C patiënten.

Een verdere toename van hepatitis C patiënten die in aanmerking komen voor levertransplantatie is nog te verwachten. Zo heeft men in de ons omringende landen reeds berekend dat dit de eerstkomende jaren zal stijgen tot meer dan 50%. Vele personen immers werden 20 à 30 jaar geleden besmet met het hepatitis C virus naar aanleiding van bloedtransfusies. Chronische hepatitis C is een initieel asymptomatische ziekte die bij 1 op 3 patiënten na 20 à 30 jaar aanleiding geeft tot cirrose en waarbij na 10 jaar levercirrose bij 10% van de mensen een hepatocellulair carcinoom ontstaat.

De indicaties voor levertransplantatie voor hepatitis C patiënten zijn dezelfde als voor andere patiënten met cirrose. Patiënten dienen een slechte leverfunctie te hebben (zoals uitgedrukt o.a. door de zogenaamde Child Pugh score met een waarde boven de 8 of patiënten die door hun leverlijden een onaanvaardbare kwaliteit van leven hebben gekregen en waarbij er geen andere medische of chirurgische behandelingsmogelijkheden bestaan. Deze patiënten zullen de klassieke verwikkelingen hebben van een eindstadium cirrose zoals terugkerende slokdarmvaricesbloedingen, spontane bacteriële peritonitis, onbehandelbare ascites, een hepatorenaal syndroom of een hepatopulmonair syndroom. Indien de hepatitis C cirrose verwikkeld is met het vermoeden van een primaire leverkanker, namelijk het hepatocellulair carcinoom, dan komen volgende patiënten in aanmerking: patiënten waarbij het letsel gelijk of minder is dan 5 cm of, wanneer er meerdere letsels zijn, dan mogen er niet meer dan 3 gezwellen zijn die ieder gelijk of kleiner moeten zijn dan 3 cm.

Met levertransplantatie verdwijnt echter het hepatitis C virus niet en de meerderheid van de patiënten zal nadien terug chronische hepatitis C ontwikkelen. In feite wordt elke nieuwe lever opnieuw besmet met hepatitis C na transplantatie. In 10% van de gevallen ontstaat er zo binnen enkele weken een ernstige cholestatische hepatitis C die bij de meerderheid van de patiënten na korte tijd tot de dood leidt. Van de overige 90% zijn er 10% van de patiënten die drager worden van het hepatitis C virus maar geen ziekte ontwikkelen, zijn er 40 tot 60% van de patiënten die een chronische milde hepatitis C ontwikkelde die de eerste jaren geen enkel probleem zal stellen en zijn er 30% van de patiënten die een chronische agressieve hepatitis ontwikkelen waarbij we cirrose kunnen verwachten na 5 jaar. Voornamelijk patiënten die een ernstige cellulaire rejectie ontwikkelen na een transplantatie lopen het risico om een cholestatische hepatitis C te ontwikkelen. Er werd ook een verhoogd risico op het ontwikkelen van deze complicatie beschreven bij patiënten met een langdurige warme ischemie tijdens de transplantatie en wanneer oudere donorlevers gebruikt werden. Al bij al is hepatitis C voor de meeste patiënten na levertransplantatie een traag evoluerende ziekte en dit verklaart waarom dat de 5-jaars overleving van de patiënten die een levertransplantatie krijgen omwille van hepatitis C niet verschillen van de patiënten die om een ander reden een levertransplantatie krijgen.

Behandeling van getransplanteerde HCV-patiënten

Bij patiënten met HCV ziet men jammer genoeg na transplantatie dat het nieuwe orgaan nagenoeg onmiddellijk herbesmet wordt met het HCV virus. Waardoor de lange termijn overleving bij deze patiënten minder goed is dan bij patiënten die geen HCV besmetting hebben. Wanneer het HCV virus zou kunnen geëradiceerd (of uitgeroeid) worden, zou dit een belangrijke verbetering op de overleving met zich kunnen meebrengen. Er zijn verschillende opties voorhanden: behandeling met (peg)interferon en ribavirine vóór de transplantatie, behandeling onmiddellijk na transplantatie of pas opstarten met een behandeling wanneer er schade ter hoogte van de lever opgemerkt wordt.

  • Een behandeling vóór transplantatie is vaak niet mogelijk wegens de ernstige ziektetoestand van de patiënt waarbij een therapie (met bijwerkingen) vaak niet goed verdragen wordt. De kans op slagen bij deze patiëntengroep is ook lager dan bij de doorsnee patiënten groep. Nochtans hebben enige kleine studies aangetoond dat bij een goed geselecteerd groep patiënten, die patiënten die het virus konden klaren voor de transplantatie geen herval meer hadden nadien.
  • Een behandeling zo snel als mogelijk na levertransplantatie is een tweede optie die evenwel bij een belangrijke percentage van de patiënten niet haalbaar is: het herstel na een levertransplantatie belet soms het toedienen van een therapie omwille van de bijwerkingen bij een zich pas herstellende patiënt.
  • Een haalbare optie lijkt het toedienen van een combinatietherapie ((peg)interferon en ribavirine) op moment dat het recidief van het HCV virus duidelijk wordt (stijging in levertesten, afwijkingen op de biopsie). Evenwel hebben kleine pilootstudies aangetoond dat de kans van slagen lager is dan bij patiënten die geen transplantatie ondergaan hebben. Een belangrijk probleem bij de getransplanteerden is dat ribavirine een veel ernstige bloedarmoede kan veroorzaken dan bij niet getransplanteerden.

In de Belgische transplantcentra loopt momenteel een studie van Roche België, waar men de patiënten behandelt met een monotherapie met peginterferon in vergelijking met een combinatietherapie (peginterferon en ribavirine) waarbij men heel voorzichtig de dosis ribavirine toedient (aan een veel lagere dosis dan bij niet getransplanteerde HCV patiënten).

Transplantatie met HCV-geïnfecteerde donororganen

Gezien hepatitis C niet onfrequent voorkomt in de Vlaamse populatie betekent dit dat meer en meer potentiële donoren positief bevonden worden voor hepatitis C. Men kan stellen dat in België 8 op 1000 mensen drager zijn van dit virus. Gezien de enorme orgaanschaarste werden reeds vroeger in andere landen deze besmette organen gebruikt voor levensbedreigende situaties.

Gezien er meer en meer hepatitis C positieve patiënten zijn die een levertransplantatie vereisen en gezien er meer en meer hepatitis C positieve donoren worden gevonden leek het logisch hepatitis C positieve levers voor te behouden voor hepatitis C positieve patiënten. Er bestaat echter niet zo maar één soort hepatitis C. Er bestaan namelijk verschillende genotypes die mogelijks op een verschillende wijze pathogeen zijn. De vraag die zich stelde was wat er zou gebeuren wanneer men een mengeling veroorzaakte van donor en recipiënt hepatitis C virussen. Recent kon op deze vraag een antwoord gegeven worden op basis van de ervaring in Amerika. Daar kregen inderdaad over de laatste jaren 23 hepatitis C patiënten een hepatitis C positieve lever. Opvallend was dat na de levertransplantatie het donorgenotype de overhand nam. Ook hier stelde men vast dat er geen verschil bestond op korte en middellange termijn van de overleving van de hepatitis C patiënten die een hepatitis C positieve of hepatitis C negatieve lever kregen. Het was zelfs zo dat bij de patiënten waarbij het donorvirus de bovenhand had minder herval was van actieve hepatitis C. Dit werd bevestigd in een andere recente studie die zelfs suggereert dat de overleving van hepatitis C patiënten die een hepatitis C orgaan krijgen beter zou zijn.

Besluit: Gezien de beperkte gegevens waarover we momenteel beschikken is er geen overeenstemming of levertransplantaties altijd kunnen gebeuren met een HCV positief orgaan, gezien het momenteel niet duidelijk is wat het effect kan zijn van mogelijke besmetting met een ander genotype (een genotypering uitvoeren bij een leverdonor is gezien de beperkte tijd niet realistisch). Verder onderzoek is hiervoor nodig.

Beschikbaarheid van donororganen?

Regels voor het toekennen van beschikbare organen

België maakt deel uit van Eurotransplant, samen met Nederland, Oostenrijk, Duitsland, Slovenië en het Groot-Hertogdom Luxemburg. De regels voor de toekenning van transplanten zijn vastgelegd door een commissie, samengesteld uit nationale vertegenwoordigers die door hun gelijken werden verkozen; ze werden goedgekeurd door de Board van Eurotransplant waarin de verkozen nationale vertegenwoordigers en de voorzitters van de Nationale Transplantatie Verenigingen zetelen. De toekenningsregels zijn uitsluitend gebaseerd op medische criteria zoals de urgentie en de bloedgroep; bij gelijke urgentie, de grootte van het orgaan wordt prioriteit verleend aan de patiënt die vooraan op de lijst staat.

Het afstaan van organen is gratis; het wegnemen en het transport van de lever wordt gefinancierd door de Sociale Zekerheid. Deze activiteit is geen bron van persoonlijk inkomen voor de geneesheren van de transplantatieprogramma’s van de Universitaire ziekenhuizen.

Tekort aan donoren

De levertransplantatie is het slachtoffer van zijn succes: het aantal beschikbare organen is onvoldoende om de behoeften te dekken die toenemen aangezien de verbetering van de resultaten leidde tot de uitbreiding van de indicaties (bijvoorbeeld bij bejaarde patiënten). Hieruit volgt een langere wachtlijst en het overlijden van 10 tot 20% van de patiënten die ingeschreven zijn op de wachtlijst.

Ondanks verschillende acties die ondernomen werden in België om het grote publiek te sensibiliseren om organen af te staan, is het aantal weigeringen geuit door de eerstegraads verwanten hoog (20 tot 30%) , terwijl slechts 2% van de Belgen tijdens hun leven hun weigering uitten (en 0.2% hun akkoord); dit wordt geregistreerd in het Nationale Register dat steeds wordt geraadpleegd als een kandidaat-donor geëvalueerd wordt op het ogenblik van zijn overlijden. Het verdient dus aanbeveling om alle Belgen sterk aan te moedigen om zich naar het Gemeentehuis te begeven om er het formulier voor goedkeuring of weigering in te vullen; hierdoor kunnen ze er zich van vergewissen dat hun eigen wens gerespecteerd zal worden indien zij potentiële orgaandonoren zouden worden. Deze stap kan bijvoorbeeld gezet worden naar aanleiding van de vernieuwing van de identiteitskaart.

Om het tekort aan enten te compenseren, wordt sinds enkele jaren gebruik gemaakt van levende donatie. Dit gebeurt voornamelijk van ouders op kind.

> Top

Alternatieve therapieënArtikel overgenomen uit het tijdschrift ‘Leven met Kanker’

Liever complementair

Alternatieve behandelingen kunnen een aanvulling zijn op de klassieke geneeskunde, een nuttige bijdrage leveren aan het genezingsproces. Daarvoor kan gebruik gemaakt worden van bijvoorbeeld de orthomoleculaire geneeskunde (geneeskunde die uitgaat van de invloed van voedingsstoffen op ziekte en gezondheid), kruidentherapie, psychotherapie … Niet als therapie op zich, wel ter ondersteuning van de reguliere geneeskunde. Daarom is de term ‘complementair’ (aanvullend) boven ‘alternatief’, zo belangrijk.

De totale mens

Mensen met een ernstige ziekte denken soms dat ze de reguliere behandeling achterwege kunnen laten wanneer ze voor een alternatieve geneeswijze kiezen. Een misvatting. De alternatieve vult de klassieke geneeswijze aan. Tijdens de therapie bijvoorbeeld kan de patiënt binnen het alternatieve circuit zoeken naar een manier om de bijverschijnselen te verminderen. Vele alternatieve therapieën richten zich op de totale mens, op het hele menselijke lichaam en de geest, niet alleen op de behandeling van de ziekte. Als je dit terrein, de hele mens dus, opnieuw gezond maakt heeft de patiënt meer kans om te genezen. Daar ligt de meerwaarde ten opzichte van de klassieke geneeskunde.â€

Veel kaf tussen het koren

Hoe denkt de klassieke geneeskunde erover? Kunnen klassiek en alternatief samengaan?

Dr. Alain Bols werkt als oncoloog in het AZ Sint-Jan te Brugge. Hij staat alvast open voor sommige alternatieve therapieën: “Beide geneeswijzen kunnen samengaan, maar uiteraard zijn wij van oordeel dat de klassieke geneeskunde nog altijd de basis blijft van de behandeling. In dat opzicht zien we de alternatieve geneeskunde een beetje als ons kleine broertje, dat wel kan helpen, maar niet op eigen benen staat. De meeste van ons – ik spreek niet voor iedereen – staan er wel voor open, zonder er echt in te geloven. Soms vragen patiënten zelf of wij geen goed adres kennen en dan spelen we dat wel door. Maar de meeste patiënten vertellen het ons niet en gaan zelf op zoek. En jammer genoeg zit er nog veel kaf tussen het koren. Trouwens, wat heet alternatief? Dat is een beetje het probleem. De klassieke geneeskunde zit toch min of meer op een lijn, in de alternatieve sector ligt dat moeilijker. Daar heb je een bont allegaartje van therapieën. Ik vind het altijd verdacht als je een therapie maar bij één therapeut kan volgen. De kast wordt opengetrokken en je krijgt een of ander pakje overhandigd. Een maand later moet je terugkomen voor eenzelfde pakje. Dat heb je bijvoorbeeld niet in de homeopathie. Daar krijg je een preparaat voorgeschreven dat je om het even waar kan kopen.â€

100 % hoop

Heel wat klassieke artsen nemen eigenlijk niet aan dat het werkt. Louter placebo, zeggen ze?

Dr. Bols: “Zo zien wij het. Misschien is dat wat oneerbiedig, maar de meeste van ons redeneren: ‘als je je er maar goed bij voelt’. Ik vraag het vaak spontaan, of mensen nog met andere dingen bezig zijn. Want soms vraag je je af hoe komt het dat het zo goed gaat. Je ziet ook de rages een beetje komen en gaan. Hun benadering is anders dan de onze, daarom niet verkeerd.â€

Baat het niet, het schaadt ook niet?

Dr. Bols: “Soms schaadt het wel. Ik weet het dan ook liever op voorhand – en zou iedereen aanraden er met zijn arts over te praten. We vragen bijvoorbeeld altijd om de producten even mee te brengen. De meeste homeopathische producten bijvoorbeeld zijn zo laag gedoseerd dat het geen kwaad kan. Maar er zijn andere voorbeelden, zoals hooggedoseerde vitaminepreparaten, die bepaalde therapieschemata wel degelijk kunnen tegenwerken. Patiënten proberen ons soms warm te maken voor de alternatieve therapieën die ze volgen. En vaak zijn ze wat ontgoocheld als je niet even enthousiast reageert. Wat niet altijd makkelijk is.â€

Huisarts Ton Linssen combineert in zijn kabinet al 20 jaar klassieke geneeskunde met natuurgeneeskunde. Dr. Linssen “Natuurgeneeskunde: louter placebo? Daar ben ik het niet mee eens. Ik respecteer het wel als mensen zeggen dat ze er niets van moeten weten. Uiteindelijk moet ieder het voor zichzelf uitmaken. Kijk, sommige zogenaamde ‘therapeuten’ beweren kanker te genezen. Daar heb ik geen hoge pet van op. En als het heel gek of heel duur is, stel je dan maar grote vragen.â€

“ Ik heb wel de indruk dat de mensen die ik volg hun behandeling veel beter verdragen, met minder nevenwerkingen en dat ze psychisch sterker staan. En ook die psychische component is uitermate belangrijk. Zodra de prognose gesteld is, ten goede of ten kwade, gaan we 100 procent voor de hoop. Ik hoop alvast dat wij – vanuit het complementaire circuit – daaraan een bijdrage kunnen leveren. Dat wij een van die prikkelpolen zijn waaruit andere therapieën kunnen groeien.â€Een specifiek dieet is niet geïndiceerd. Mijden van alcohol is wel nodig (omwille van zijn synergetisch effect), alsook gewichtscontrole is belangrijk.

> Top