Hepatitis C en BASL

Hepatitis C en praktische richtlijnen van de BASL

BASL – Belgian Association for the Study of the Liver
Historiek

Tijdens de 80′er en 90′er jaren van de vorige eeuw is er heel wat vooruitgang geboekt op gebied van kennis van leverziekten en de behandelingsmogelijkheden ervan. Denken we maar aan de hepatitis C epidemie en de steeds efficiëntere behandelingen, de nieuwe mogelijkheden bloedingen uit slokdarmaderspatten te stelpen, de ontwikkelingen op het gebied van levertransplantatie.
De oorsprong van de BASL dateert van het begin van de jaren 90 toen enkele jonge Belgische leverspecialisten (hepatologen) uit het hele land een informele groep gingen vormen om ervaringen uit te wisselen. Dit gebeurde onder de bezielende leiding van Dr. M. Hautekeete, toen verbonden aan de VUB, spijtig genoeg reeds overleden in 1998. Later kwam ook de vraag vanwege de Europese Vereniging voor Leverstudies (EASL) om in elk Europees land een contactvereniging te kebben. Om deze redenen werd in maart 2000 de BASL officieel gesticht als v.z.w.
De doelstelling van de BASL is het bevorderen van de samenwerking tussen de hepatologen in België door het coördineren van klinische studies en registers op gebied van leverziekten, het organiseren van bijscholingscursussen en op te treden als adviesorgaan naar de overheid toe rond hepatologische kwesties

Organisatie van de BASL
Momenteel telt de BASL tussen 100 en 150 betalende leden. Het gaat om artsen met belangstelling voor leverziekten. Ook niet-artsen kunnen steunend lid worden. Zij betalen lidgeld doch hebben geen stemrecht in de Algemene Vergadering.
Het bestuur van de BASL bestaat uit 12 leden, voor 4 jaar verkozen op taalgescheiden lijsten, met taalpariteit. Er is telkens een vertegenwoordiger van elke Belgische universiteit (7), verder zijn er 5 vertegenwoordigers uit de niet-universitaire centra. Het bestuur kiest een secretaris, die na 2 jaar voorzitter wordt. Er wordt dan een nieuwe secretaris verkozen. Voorzitter en secretaris zijn van verschillende taalrol. De officiële taal van de BASL is het Engels. Op de bijgaande foto ziet u het BASL bestuur 2001-2004. Jaarlijks worden 2 wetenschappelijke vergaderingen georganiseerd:

  • De ‘Spring Meeting’, tijdens de ‘Belgian Week of Gastroenterology’. Hier wordt geselecteerd fundamenteel en klinisch werk voorgesteld.
  • De ‘Winter Meeting’ in het najaar, waar klinische onderwerpen worden besproken met experts en panel, en waar klinische gevallen worden voorgesteld.

Jaarlijks wordt ook een ‘Newsletter’ verspreid onder de leden. In 2003 werd de BASL webstek boven de doopvont gehouden (www.basl.be), waarop informatie over de vereniging wordt kenbaar gemaakt en waarop ook links aanwezig zijn naar andere verenigingen. Een deel van de website is voorbehouden voor de leden.
De BASL wordt financieel gesteund door bijdragen van de farmaceutische bedrijven, sinds 2003 via een jaarlijks hernieuwbare overeenkomst als sponsor of ‘major sponsor’.

Initiatieven van de BASL in verband met hepatitis C
In november 2001 werd op initiatief van Prof. M. Adler (ULB) en in samenwerking met Dr. Snacken van het Ministerie voor Volksgezondheid een Nationale Hepatitis C Dag georganiseerd. De bedoeling was de aandacht van medici, politici en het algemene publiek te trekken op deze belangrijke problematiek. Bij die gelegenheid werd ook een Witboek over hepatitis C overhandigd aan de autoriteiten en de pers.
Vorig jaar publiceerde de BASL richtlijnen voor opsporen, behandeling en voorkómen van hepatitis C, gebaseerd op de gepubliceerde evidentie. Van deze tekst werd gebruik gemaakt om de terugbetaling van de gepegyleerde interferonen te verbeteren. Op initiatief van Dr. Robaeys (Genk) wordt momenteel ook gewerkt aan het uitwerken van richtlijnen voor de aanpak van hepatitis C bij (ex)druggebruikers.
Reeds jarenlang worden klinische studies uitgevoerd voor hepatitis C in samenwerking met de farmaceutische industrie. Hierdoor was het mogelijk ook in België patiënten met hepatitis C te behandelen volgens de nieuwste inzichten, vaak vóór terugbetaling mogelijk was.
De BASL is recent ook gestart met het opstellen van een register voor hepatitis C, met de bedoeling na te gaan hoe deze ziekte zich presenteert in de praktijk van de Belgische maag-darm-leverspecialist. Hieruit kunnen dan gegevens gehaald worden die toelaten het gezondheidsbeleid in België ten aanzien van hepatitis C te sturen.
Verder verleent de BASL steun aan de patiëntenverenigingen als spreker of moderator bij informatievergaderingen, en geven wij wetenschappelijk advies bij publicaties.

Besluit
De BASL is een bloeiende wetenschappelijke vereniging, die ontstaan is wegens het groeiend belang van leverziekten in onze maatschappij. De BASL heeft daarom ook een belangrijke dienstverlenende functie. Belangrijk is te weten dat er steeds een uitstekende verstandhouding heeft bestaan tussen de Belgische leverspecialisten, over alle taal- en andere grenzen heen.

Het BASL bestuur 2012
Voorzitter Prof. Hendrik Reynaert (UZ – Jette), Prof. P. Stärkel (UZ Saint-Luc – Brussel), Pr. Christophe Moreno (ULB Hôpital Erasme – Brussel), Dr. Stefan Bourgeois (AZ Stuyvenbergh – Antwerpen), Prof. Isabelle Colle (UZ – Gent), Dr. Pierre Deltenre (Hôpital De Jolimont – Haine-Saint-Paul), Prof. Jean Delwaide (CHU de Liège- Luik), Dr. Stéphane De Maeght (Hôpital De
Jolimont – Haine-Saint-Paul), Prof. Sven Francque (UZ – Antwerpen ), Dr Jean-Pierre Mulkay (CHU Saint-Pierrel – Brussel), Dr. H. Orlent (St Jan ZH – Brugge), Prof. Wim Laleman (UZ Gasthuisberg – Leuven)

Tekst 24/02/04 Prof. Dr. P. Michielsen Universiteit Antwerpen
BASL Voorzitter 2003-2004

Praktische richtlijnen

Steering Committee BASL (Belgische Associatie voor de Studie van de Lever)

Tekst integraal – met toelating – overgenomen uit volgende publikatie:
Hepatitis C: Treatment and Prevention, practical guidelines
Steering Committe Belgian Association for the Study of the Liver: P. Michielsen, R. Brenard, N. Bourgeois, Ch. De Galoscy, J. Delwaide, J. Henrion, Y. Horsmans, F. Nevens, H. Reynaert, G. Robaeys, D. Sprengers, H. Van Vlierberghe,
Acta Gastro-Enterologica Belgica, 2003; 66: 15

———————————————————————————–

Inleiding
Screening
Personen die zeker moeten gescreend worden
Welke testen te gebruiken
Follow-up van patiënten met aanwezigheid van anti-HCV antistoffen
Welke patiënten zouden moeten behandeld worden?
Aanbevolen behandelingsschema’s
Acute hepatitis C
Behandeling met interferon (in het algemeen)
Behandeling met Peginterferon alpha-2b
Intraveneuze druggebruikers
Seksuele transmissie
Huishoudelijke contacten
Gezondheidswerkers
Perinatale infectie

Inleiding
Hepatitis C vormt wereldwijd een majeur gezondheidsprobleem: volgens de WHO, zijn er naar schatting 170 miljoen mensen met het hepatitis C virus (HCV) besmet (1). In België is de prevalentie van hepatitis C ongeveer 1% (2). Voor de systematische screening naar antistoffen tegen HCV in begin de jaren negentig, vormde bloedtransfusie de belangrijkste risico factor voor oplopen besmetting met HCV. Deze screening startte in België vanaf 01.07.1990.
Druginjectie is nu de meest frekwent vastgestelde risico factor voor HCV besmetting en 37 tot 80% van de intraveneuze druggebruikers zijn met het HCV besmet (3,4).
Ongeveer 80% van de patiënten die besmet worden met HCV ontwikkelen een chronische hepatitis C. ongeveer 20% van hen zal evolueren naar een ernstige chronische hepatitis C en cirrosis, wat optreedt 20 tot 30 jaar na de infectie. Bij cirrosis is er jaarlijks risico van 1 – 4 % op ontwikkeling van een hepatocellulair carcinoma (5). Vermits chronisch leverlijden pas ontstaat veel jaren na de acute infectie, is de vroegere incidentie van acute infectie een majeur bepalende factor voor toekomstige stijging in HCV geassocieerde complicaties. Hoewel de prevalentie van HCV infectie daalt door de daling van incidentie in de jaren 90, kan het aantal personen die meer dan 20 jaar geleden geïnfecteerd zijn nog substantieel stijgen alvorens een piek kan verwacht worden in 2015 (6).
Men vermoedt dat de meeste patiënten de diagnose nog niet is gesteld en dat een groot deel van de patiënten bij de diagnose van hepatitis C infectie wel is gesteld, nog niet behandeld zijn (7). De behandeling van hepatitis C was tot voor kort vrij weinig succesvol en niet zonder nevenwerkingen, zodat veel artsen eerder afkerig waren om hun patiënten te behandelen. Gedurende de laatste jaren echter, is de kennis omtrent hepatitis C in belangrijke mate toegenomen. Gezien ook er ook betere en meer efficiënte behandelingen zijn, is het nodig dat de houding t.o.v beleid en behandeling van hepatitis C patiënten opnieuw bekeken wordt.
In 2002 werden er twee consensus vergaderingen rond hepatitis C gehouden: een in Frankrijk (7) en de andere in de USA (8). Nu de nieuwere pegylated interferons in België beschikbaar zijn acht het Steering Committee van de BASL het opportuun om richtlijnen te formuleren rond screening, behandeling en preventie van hepatitis C. Het is de wens dat deze aanbevelingen nuttig kunnen zijn voor huisartsen en specialisten, alsook voor patiënten.
Top
Screening
De belangrijkste risicofactoren zijn bloedtransfusie voor 01.07.1990 ( datum sinds wanneer systematische anti-HCV test gebeurt op bloed en bloedprodukten) en IV druggebruik.
Minder belangrijke risicofactoren zijn seksuele en moeder-naar-kind transmissie, huishoudelijk contact en nosocomiale contaminatie (10). Besmetting t.g.v medische procedures blijft ook nog altijd mogelijk. Het risico op besmetting bij endoscopie is veel minder groot dan bij andere procedures zoals urologische procedures, zoals vastgesteld in België (11), of bij oogchirurgie zoals de ervaring leert in Italië (12).
Massa screening voor hepatitis C is zeer duur en daardoor niet kosten-efficiënt(13).

Personen die zeker moeten gescreend worden.

  • Personen die een van de volgende medische handelingen ondergingen in België voor 01-07-1990
  • (datum waarop systematische tests voor HCV startte op bloed en bloedprodukten)
  • Personen die ooit drugs hebben gebruikt, via intraveneuze of intranasale weg
  • Kinderen van HCV positieve moeders
  • Seksuele partners en huisgenoten van HCV patiënten
  • Personen met tatoeages, piercing, acupunctuur zonder gebruik van wegwerp of persoonlijk materiaal
  • Personen die medische zorgen kregen in landen met hoge prevalentie op HCV,
  • zoals Zuid-Oost Azië, Het Midden Oosten, Zuid Amerika)
  • Personen met onverklaarde verhoging van de transaminasen
  • Patiënten die positief zijn voor HIV of HBV
  • Personen met onverklaarde asthenie
  • Personen met een voorgeschiedenis van onverklaarde icterus

Top
Welke testen te gebruiken
Screening wordt verricht met de derde generatie ELISA testen die een accuraatheid van meer dan 99% hebben zodat confirmatie met RIBA tests onnodig is. Een negatieve ELISA test sluit hepatitis C uit in de grote meerderheid van de patiënten.
Top
Follow-up van patiënten met aanwezigheid van anti-HCV antistoffen
Indien anti-HCV positief: moet ALT worden bepaald. Een enkele bepaling van de ALT waarde geeft slechts weinig informatie over de ernst van de onderliggende leverziekte. Herhaalde metingen over een periode van meerdere maanden om na te gaan of de ALT normaal blijven zijn nodig bij patiënten met initieel normale ALT waarden.
Indien anti-HCV positief en ALT normaal: moet een kwalitatieve HCV RNA bepaling worden uitgevoerd (met een sensitiviteit van 50 IU/mL) om aanwezigheid van HCV infectie te bepalen.
Indien HCV RNA negatief is, wijst de positieve anti-HCV waarschijnlijk op een doorgemaakte infectie.
Indien HCV RNA positief, wordt jaarlijkse opvolging voorgesteld doch is een behandeling nog niet nodig.
Bij positieve anti-HCV en gestegen ALT waarden, is een kwalitatieve HCV RNA bepaling geïndiceerd zo een ander onderliggend leverlijden wordt vermoed (alcohol, hepatitis B, haemochromatosis, …) om zo de aanwezigheid of afwezigheid van HCV aan te tonen.
Een kwantitatieve HCV RNA bepaling, die minder sensitief is dan de kwalitatieve bepaling en de bepaling van het genotype, heeft enkel zin in het vooruitzicht van een behandeling.
Een leverbiopsie is sterk aanbevolen alvorens behandeling te overwegen dit om de inflammatoire activiteit (grading) en de graad van fibrose (staging) te bepalen en om ander leverlijden uit te sluiten. Zo er beslist wordt om nog geen behandeling in te stellen, wordt best een controle biopsie gepland na 3 tot 5 jaar om zo de evolutie van de ziekte op te volgen. Een leverbiopsie wordt niet aangeraden bij patiënten met normale transaminasen.
Top
Welke patiënten zouden moeten behandeld worden?
Alle patiënten met chronische hepatitis C met een positieve HCV RNA (>50 IU/mL) zijn potentiële kandidaten voor behandeling. Patiënten die in aanmerking komen voor behandeling zijn in elk geval die patiënten met een of meer van de volgende voorwaarden:

  • Gestegen ALT waarden
  • Portale of bridging fibrose en minstens matige inflammatie en necrose op leverbiopsie
  • Extrahepatische manifestaties ( voor vasculitis)

In andere omstandigheden (milde HCV, normale ALT) zijn de risico’s en de voordelen van behandeling minder duidelijk en moet op individuele basis of in de context van een klinische trial beslist worden. Het advies is opvolging en monitoring zonder behandeling. Een behandeling kan echter wel ingesteld worden bij goed gemotiveerde patiënten, ondanks het feit dat zij niet aan de hogere criteria beantwoorden, vooral dan bij genotype 2 en 3, en bij jonge vrouwen die het risico op verticale transmissie willen vermijden.
Patiënten die nog nooit behandeld werden (‘naïeve patiënten’) of die na monotherapie met interferon hervielen (‘relapsers’) komen in aanmerking voor behandeling. In andere gevallen, zoals non-responders op monotherapie met interferon of relapsers op interferon-ribavirin combinatie behandeling worden best alleen binnen de context van klinische trials behandeld gezien de nut van peginterferon plus ribavirin bij deze patiënten nog moet worden gevalideerd.
Top
Aanbevolen behandelingsschema’s
Peginterferon plus ribavirin wordt nu aanzien als de standaard behandeling

Indien Peginterferon alpha-2b (PegIF)
PegIF 1.5 µg/kg/week
+ ribavirin (800 mg/d indien < 65 kg; 1000 mg/d indien 65-85kg; 1200 mg/d indien > 85 kg),
gedurende 48 weken voor genotype 1 en 4 en 24 weken voor genotype 2 en 3
(dit naar analogie met interferon-ribavirin combinatie therapie en op basis van resultaten van lopende studies)

Indien Peginterferon alpha-2a (PegIF)
PegIF 180 µg/week + ribavirin 1000-1200mg/d gedurende 48 weken voor genotype 1 en 4.
PegIF 180µg/w + ribavirin 800 mg/d gedurende 24 weken voor genotype 2 en 3.
Voor de genotypes 5 en 6 wordt het schema van genotype 1 geadviseerd gezien er geen gegevens voorhanden zijn.

Virale monitoring bij behandelde patiënten
Het niet optreden van vroegtijdige virologische respons op week 12, gedefinieerd als een negatieve kwalitatieve PCR of een daling van de HCV RNA waarde met minstens 2-log10 , heeft een zeer sterke negatieve predictieve waarde voor SVR in de behandelingschema’s met peginterferon alpha plus ribavirin (15,19). De kans dat SVR optreedt bij patiënten die geen vroegtijdige virologische respons op week 12 vertonene is zeer klein en onwaarschijnlijk en de behandeling wordt dan ook best gestopt.

Wij adviseren daarom de volgende richtlijnen:
Genotype 1

  • Kwantitatieve HCV RNA bij begin behandeling
  • Kwantitatieve HCV RNA op week 12
  • Kwalitatieve HCV RNA op het einde van de behandeling ( week 48)
  • Kwalitatieve HCV RNA op week 24 na de behandeling.

Genotype 2 en 3:

  • Kwantitatieve HCV RNA bij begin behandeling
  • Kwalitatieve HCV RNA op einde behandeling ( week 24)
  • Kwalitatieve HCV RNA op week 24 na de behandeling

Genotype 4, 5, 6:

  • Kwantitatieve HCV RNA bij begin behandeling
  • Gegevens voor week 12 zijn niet voorhanden
  • Kwalitatieve HCV RNA op week 24 (indien positief, kan stop behandeling overwogen worden)
  • Kwalitatieve HCV RNA op einde van de behandeling ( week 48)
  • Kwalitatieve HCV RNA op week 24 na behandeling


Top
Acute hepatitis C
De diagnose van acute hepatitis C wordt zelden gesteld en dan meestal na accidentele blootstelling aan geïnfecteerde lichaamsvochten. Wanneer een acute infectie, met of zonder gestegen transaminasen, kan worden bevestigd, vermijdt een behandeling meestal evolutie naar chroniciteit (20,21). Hieruit volgt dat behandeling toch wenselijk is. Timing en behandelingsmodaliteiten zijn nog niet duidelijk omschreven. Het instellen van een behandeling onmiddellijk na blootstelling vooraleer er merkers van HCV replicatie verschijnen wordt ten stelligste afgeraden (22). Op basis van de Belgische ervaring (21), moet de behandeling gestart worden binnen de eerste zes weken na diagnose, gekenmerkt door gestegen ALT en bevestigd door een positieve pcr, om het meeste kans op SVR te bekomen.
Top
Behandeling met interferon (in het algemeen)

  • Zwangerschap
  • onveilige contraceptie
  • Trombopenie (<100 x 109/L)
  • Leucopenie (< 1.5 x 109/L)
  • Ernstige psychiatrische aandoeningen
  • Epilepsie
  • Slecht gecontroleerde diabetes
  • Auto-immuun ziekten


Behandeling met Peginterferon alpha-2b

  • Nierfalen ( creatinine clearance..)
  • Behandeling met ribavirin
  • Anaemie ( vrouw: Hb < 12g/dL; man: Hb<13g/dL)
  • Hemoglobinopathie
  • Nierfalen (creatinine clearance..)
  • Cardiovasculair lijden
  • Zwangerschap
  • onveilige contraceptie

Gedurende de totale duur van de behandeling en tot zeker 7 maanden na stoppen ervan moeten mannelijke patiënten en hun vrouwelijke partners zolang zij potentieel zwanger kunnen worden, een effectieve en veilige contraceptiemethode gebruiken: ribavirin is immers spermatotoxisch en teratogeen.
Top
Intraveneuze druggebruikers
Substitutie programma’s, naald- en spuit-uitwisselingsprogramma’s, educatie ( voor binnen correctionele omstandigheden)
Top
Seksuele transmissie

  • monogame koppels moeten geen barrière protectiemiddelen ( condoom) gebruiken, het gebruik ervan kan het risico op transmissie wel verminderen
  • indien meerdere seksuele partners of bij kortstondige relaties, moet aan HCV besmette personen aangeraden worden om condooms te gebruiken ter preventie HCV transmissie of andere seksueel overdraagbare aandoeningen.

  • Top

Huishoudelijke contacten

  • Het delen van potentieel besmette voorwerpen, zoals tandenborstels, scheermesjes etc moet vermeden worden.


Top
Gezondheidswerkers

  • gezondheidswerkers besmet met HCV zouden standaard voorzorgsmaatregelen moeten nemen om transmissie te voorkomen. Zoals voorgesteld in de NIH Consensus Conference, is er voor deze gezondheidswerkers geen reden om hun beroepsbezigheden te beperken (8).
  • Prikaccidenten: het risico op HCV infectie wordt op 3-10% geschat (23). Zowel de besmettingsbron als de blootgestelde persoon moeten op anti-HCV worden getest. Is de besmettingsbron positief, moet een kwalitatieve HCV RNA test gebeuren na 2 weken. Indien de pcr positief wordt, moet een wekelijkse ALT bepaling worden uitgevoerd en moet therapie ingesteld worden van zodra ALT stijging optreedt.

Top
Perinatale infectie
Het risico is 3-12%, en treedt alleen op wanneer de moeder ook HCV RNA positief is (24)

  • Anti-HCV screening bij zwangere moeders at risk ( zie hoger)
  • Indien anti-HCV positief, moet een kwalitatieve HCV RNA test uitgevoerd worden
  • Er zijn geen prospectieve data dat een keizersnede transmissie voorkomt. Nochtans zijn er recente gegevens die suggereren dat het risico op contaminatie duidelijk kan verminderd worden wanneer een elektieve keizersnede wordt uitgevoerd bij moeders met sterk verhoogde viraemie (>2.5 miljoen RNA copies/mL) (25,26).
  • Borstvoeding schijnt geen HCV transmissie te geven
  • pasgeborenen van HCV RNA positieve moeders moeten op HCV getest worden: Anti-HCV na 15 maanden of HCV RNA (kwalitatieve test) op de leeftijd van 2 – 6 maanden.
  • Algemene maatregelen: misbruik van alcohol en medicatie moet vermeden worden.
  • Vaccinatie: vaccinatie tegen hepatitis A en B wordt aangeraden

Top
References

  • World Health Organisation Weekly Epidemiological Record 49, 1999.
  • VAN DAMME P., THYSSEN A., VAN LOOCK F. Epidemiology of hepatittis C in Belgium: present and future. Acta Gastroenterol. Belg. 2002; 65: 78-79.
  • MATHEÏ C., BUNTINX F., VAN DAMME P. Seroprevalence of hepatitis C markers among intravenous drug users in western European countries: a systematic review. J. Viral Hepat. 2002; 9: 157-173.
  • DENIS B., DEDOBBELEER M., COLLET T., PETIT J., JAMOULLE M., HAYANI A., BRENARD R. High prevalence of hepatitis C virus infection in Belgian intravenous drug users and potential role of the “Cotton filter” in transmission: the GEMT study. Acta Gastroenterol. Belg. 2000; 63: 147-153.
  • NIH Consensus Development Conference Panel Statement. Management of hepatitis C. Hepatology 1997; 26 (suppl 1): 2S-10S.
  • ARMSTRONG G.L., ALTER M.J., MCQUILLAN G.M., MARGOLIS H.S. The past incidence of hepatitis C virus infection: implications for the future burden of chronic liver disease in the United States. Hepatology 2000; 31: 777-782.
  • SCHAFER D.F., SORRELL M.F. Conquering hepatitis C, step by step. N. Engl. J. Med. 2000; 343: 1723-1724.
  • Conférence de consensus. Traitement de l’hépatite C. /Consensus Conference. Treatment of hepatitis C. Gastroenterol. Clin. Biol. 2002; 26: B303-B319.
  • National Institutes of Health Consensus Development Conference Statement: Management of Hepatitis C: 2002 – June 10-12, 2002. Hepatology 2002; 5 (Suppl. 1): S3-S20.
  • DELWAIDE J., BOURGEOIS N., COLLE I., ROBAEYS G. Risk factors for hepatitis C: past, present and future. Acta Gastroenterol. Belg. 2002; 65: 87-89.
  • DELWAIDE J., GERARD C., VAIRA D., MAGGIPINTO G., RENTIER B., BELAICHE J. Hepatitis C virus transmission following invasive medical procedures. J. Intern. Med. 1999; 245: 107-108.
  • MELE E., SPADA L., SAGLIOCCA L., RAGNI P., TOSTI M., MOIRAGHI A., BALOCCHINI E., SNGALLI M., LOPALCO P., STROFFOLINI T. Risk of parenterally transmitted hepatitis following exposure to surgery or other invasive procedures: results from the hepatitis surveillance system in Italy. J. Hepatol. 2001; 35: 284-289.
  • GORDON F.D. Cost-effectiveness of screening patients for hepatitis C. Am. J. Med. 1999; 107: 36S-40S.
  • MANNS M.P., McHUTCHISON J.G., GORDON S.C., RUSTGI V.K., SHIFFMAN M., REINDOLLAR R., GOODMAN Z.D., KOURY K., LING M.-H., ALBRECHT J.K., INTERNATIONAL HEPATITIS INTERVENTIONAL THERAPY GROUP. Peginterferon alfa-2b plus ribavirin compared with interferon alfa-2b plus ribavirin for initial treatment of chronic hepatitis C: a randomised trial. Lancet 2001; 358: 958-965.
  • FRIED M.W., SHIFFMAN M., REDDY K.R., SMITH C., MARINOS G., GONÇALEZ F.R.Jr., HÄUSSINGER D., DIAGO M., CAROSI G., DHUMEAUX D., CRAXÍ A., LIN A., HOFFMAN J., YU J., Peginterferon alfa-2a plus ribavirin for chronic hepatitis C virus infection. N. Elgl. J. Med. 2002; 347: 975-982.
  • McHUTCHISON J.G., MANNS M., PATEL K., POYNARD T., LINDSAY K.L., TREPO C., DIENSTAG J., LEE W.M., MAK C., GARAUD J.-J., ALBRECHT J.K., for the International Hepatitis Interventional Therapy Group. Adherence to combination therapy enhances sustained response in genotype-1-infected patients with chronic hepatitis C. Gastroenterology 2002; 123: 1061-1069.
  • HADZIYANNIS S., CHEINQUER H., MORGAN T., DIAGO M., JENSEN D.M., SETTE H.Jr., RAMADORI G., BODENHEIMER H.C., MARCELLIN P., LEE S.D., ACKRILL A.M. Peginterferon alfa-2a (40KD) (PEGASYS) in combination with ribavirin (RBV): efficacy and safety results from a phase III, randomized, double-blind, multicentre study examining the effect of duration of treatment and RBV dose. J. Hepatol. 2002; 36: 3 (abstract).
  • DIAGO M., HADZIYANNIS S.J., BODENHEIMER H. Jr., HASSANEIN T., UCHMAN S., MARCELLIN P., RAMADORI G., DELWAIDE J., SEDARATI F. Optimized virological response in genotype 4 chronic hepatitis C patients treated with peginterferon alfa-2a (40 KD) (Pegays®) in combination with ribavirin (RBV). Hepatology 2002; 36: 364 A (abstract).
  • WONG J.B., DAVIS G.L., McHUTCHISON J.G., MANNS M.P., ALBRECHT J.K. Clinical implications of testing viral response during ribavirin and peginterferon alfa-2b treatment for chronic hepatitis C. Hepatology 2002; 36: 281A (abstract).
  • JAECKEL E., CORNBERG M., WEDEMEYER H., SANTANTONIO T., MAYER J., ZANKEL M., PASTORE G., DIETRICH M., TRAUTWEIN C., MANNS M.P., GERMAN ACUTE HEPATITIS C THERAPY GROUP. Treatment of acute hepatitis C with interferon alfa-2b. N. Engl. J. Med 2001; 345: 1452-1457.
  • DELWAIDE J., BOURGEOIS N., GERARD C., MOKADDEM F., WAIN E., BASTENS B., FEVERY J., GEHENOT M., LEMOINE O., MARTINET J.P., PIRET, ROBAEYS G., SERVAIS B., VAN GOSSUM A., VAN VLIERBERGHE H. Treatment of acute hepatitis C with interferon alpha-2b prevents chronicity. Gut 2000; 47 (Suppl.): A14 (abstract).
  • PAWLOTSKY J. The pros of antiviral therapy in acute hepatitis C virus infection and use of antivirals for postexposure prophylaxis. In: EASL Postgraduate Course, D. Shouval (Ed.), Kenes International 2002: 83-89.
  • GERBERDING J.G. Management of occupational exposures to blood-borne viruses. N. Engl. J. Med. 1995; 332: 444-451.
  • MICHIELSEN P.P., VAN DAMME P. Viral hepatitis and pregnancy. Acta Gastroenterol. Belg. 1999; 62: 21-29.
  • GIBB D., GOODALL R., HEALY M., NEAVE P., CAFFERKEY M., BUTLER K. Mother-to-child transmission of hepatitis C virus: evidence for preventable peripartum transmission. Lancet 2000; 356: 904-907.
  • OKAMOTO M., NAGATA I., MURAKAMI J., KAJI S., ITSUKA T., HOSHIKA T., MATSUDA R., TAZAWA Y., SHIRAKI K., HINO S. Prospective reevaluation of risk factors in mother-to-child transmission of hepatitis C virus: high viral load, vaginal delivery, and negative anti-NS4 antibody. J. Infect. Dis. 2000; 182: 1511-1514.

Top